Gefopt

Boris Johnson, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, legt de telefoon neer. Hij heeft zojuist gebeld met de nieuwe Armeense interim-president Nikol Pasjinian om hem te feliciteren met zijn benoeming, en probeert nu nerveus na te gaan wat hij ook alweer heeft gezegd. Pasjinian had hem gevraagd hoe zeker hij ervan was dat de aanslag op Britse bodem op dubbelspion Skripal en zijn dochter het werk was van de Russen. ‘Daar zijn we bijna honderd procent zeker van’, had hij hem toevertrouwd. ‘Ik hoop dat Poetin mij niet vergiftigt met zenuwgas’, zei de Armeense president toen, waarop hij, Boris, een hol lachje had laten horen.

Wanneer begon het Boris Johnson precies te dagen dat hij met een nep-president aan de lijn hing? Dat vermeldt the Guardian niet. Maar zeker is volgens de Britse krant wel dat Johnson half mei heeft gebeld met twee Russische mannen, Lexus en Vovan (artiestennamen), die de geluidsopname van het gesprek naderhand openbaar maakten. Geintje! Johnson – die zelf toch niet helemaal voor niets vaak een ‘clown’ wordt genoemd – verklaarde achteraf stijfjes dat de bellers geen grappen hadden mogen maken over zulke serieuze zaken. Johnson zette het gesprek dus snel weg als een grap. Maar als het al een grap was, dan geen onschuldige. Op het moment van bellen schatte Johnson de waarheid van zijn situatie niet goed in, en dat is nogal link als je zoveel macht hebt als een minister.

Politici hebben een ongemakkelijke verhouding met waarheid. Nee, niet omdat ze graag draaien en liegen, zoals de vermoeide reflex van het volk luidt. Maar omdat een goede politicus een sterke overtuiging nodig heeft. En sterke overtuigingen staan onbevangen kijken in de weg. Juist als je al krachtig stelling hebt genomen, legde neurowetenschapper Tali Sharot onlangs uit in een mooi artikel in deze krant, probeer je nieuwe feiten met man en macht in de mal van jouw overtuigingen te persen. De waarheid is dan vers twee. Het prijskaartje van weten hoe het echt zit, is immers dat je dan wellicht niet meer kunt geloven wat je graag wilt geloven. Liever zet je al je intelligentie en vernuft in om jouw groepje of partij sterker te maken. Je zou ook kunnen zeggen: politiek is steviger verankerd in onze biologie dan wetenschap.

Openstaan voor de waarheid is voor iedereen moeilijk, en al helemaal voor politici omdat zij extra tegengas ondervinden van hun eigen sterke overtuigingen. Toch hebben ook zij de waarheid nodig om succesvol te zijn. Waarheid heeft namelijk een aanzienlijk praktisch nut: een juiste inschatting van je situatie geeft je grip op de werkelijkheid. En een goede politicus wil niet alleen overtuigen, maar ook werkend beleid inzetten en effectieve diplomatie bedrijven. Dat moet zich allemaal in de echte wereld voltrekken, en die trekt zich niets van jouw overtuigingen aan. Een politicus die niet alleen stemmen wil winnen, maar ook de wereld wil veranderen, zal dus iets met de waarheid moeten.

Natuurlijk is het moeilijk om te weten wat de waarheid is – misschien is de zuivere waarheid wel onmogelijk te bereiken of zelfs maar te herkennen, zoals alle eerstejaars filosofie elkaar vertellen. Maar dat maakt ‘waarheid’ nog niet tot een hol begrip. De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, die indertijd zo’n hit scoorde met zijn essay On Bullshit, laat dat mooi zien in On Truth, een vervolgessay waarin hij de bullshitter afzet tegen de leugenaar. De bullshitter kan het niet schelen of het waar of onwaar is wat hij zegt. De leugenaar daarentegen poneert dingen waarvan hij zelf denkt dat ze onwaar zijn. Ik vind het een slimme retorische draai van Frankfurt: de waarheid is moeilijk te definiëren, maar in de praktijk weten we meestal prima wanneer iets niet waar is. Een leugen parasiteert op de waarheid. En toont daarmee indirect aan hoe enorm functioneel dat idee ‘waarheid’ voor ons is. Zolang we er niet over nadenken, is de waarheid een onmisbaar ijkpunt in ons dagelijks leven.

Een Britse diplomaat prees Johnson naderhand omdat hij het gesprek ‘al’ na achttien minuten tamelijk abrupt afbrak. Kennelijk had Boris in de gaten gekregen dat er iets niet klopte. Hij zag de pijnlijke waarheid van zijn eigen situatie in, dwars door zijn overtuigingen en aannames heen. Toch een soort van hoopvol.

Kunnen we het over de wereld hebben?

Je kunt jezelf aardig wereldwijs wanen, totdat er iets gebeurt dat je niet had zien aankomen. Dat overkwam mij toen ik in deze krant vernam dat de directie van Noorderlicht een serie foto’s van Jan Banning weigerde te vertonen. Banning had zichzelf tussen Ghanese stamhoofden geposteerd, en dat vond het management ‘respectloos’. Door die manier van doen zou de fotograaf de neokoloniale beeldvorming van Afrika voortzetten.

Zelf interpreteer ik de serie, die Banning de titel The Sweating Subject meegaf, totaal anders. Ik schreef er al over in een eerdere column, en prees Banning toen juist voor zijn sensitiviteit. Want ik zie tussen die waardige Ghanezen een kleine, klamme man die zich als een soort wethouder Hekking het beeld in wurmt zonder dat het hem lukt om een prominente plaats te bemachtigen (het knappe van de foto’s is dat je echt even naar Banning moet zoeken). Dit maakt The Sweating Subject voor mij tot een serie over een blanke man die zijn vanzelfsprekende centrale plek heeft verloren en zich geen houding meer weet te geven; een slim en grappig amendement op de koloniale beeldvorming.

En andere mensen zien in diezelfde foto’s dus een gebrek aan respect. Dat is binnen de huidige mores een fataal verwijt, en lekker abstract bovendien; gebrek aan respect ontwaren is zó erg dat je niet meer hoeft uit te leggen waar die respectloosheid precies in schuilt. Zucht. Nog een zucht. En dan: okay, laat me moeite doen om na te voelen wat hier aan de hand zou kunnen zijn.

Banning presenteert zichzelf in deze fotoserie uitdrukkelijk als de vreemde eend in de bijt. De vraag is: wil hij daarmee iets over zichzelf zeggen, of over de wereld? Ik denk dat Banning iets wil zeggen over de wereld. Voor mij gaat zijn project over een westerse blik die zijn onschuld definitief verloren heeft, en over de zoektocht naar hoe je dan in vredesnaam moet kijken. Maar stel nu dat je denkt dat Banning iets over zichzelf wil zeggen. Dan zou je je inderdaad aan dit project kunnen storen. Noorderlicht had Banning op pad gestuurd om stamhoofden te portretteren in de hoop zo het beeld van Noord-Ghana te verdiepen en nuanceren. Die portretten heeft Banning netjes gemaakt, maar daarnaast maakte hij dus ook die zweetserie. En wat trekt de meeste aandacht? Juist, die foto’s van een witte man die zijn eigen ongemak zo interessant vindt.

Het wonderlijke is: eenmaal geformuleerd kost het haast moeite om niet mee te glijden in deze duiding, gewend als we zijn geraakt aan verhalen die de persoonlijke kaart spelen. De persoonlijke invalshoek is al jaren zo ongeveer de gouden regel in communicatieland. Wil je de aandacht trekken, wil je mensen boeien, dan moet je het over jezelf hebben – liefst in je kwetsbaarheid.

Identiteitspolitiek leent zich bij uitstek voor dit soort verhalen, en heeft (zo vermoed ik) mede daardoor de wind in de zeilen gekregen. Het is een soort pact: je krijgt mediatijd om onrechtvaardige praktijken rond gender, dyslexie, ras, ouderdom – noem maar op – aan de orde stellen, mits je een boekje open doet over je eigen pijnlijke ervaringen in dit opzicht. Want pijn spreekt de mensen aan. Hoe je vanuit het delen van dergelijke intimiteiten tot politieke verandering denkt te komen, is wat minder interessant voor een televisieprogramma. Je roept iets over ‘bewustwording’, en dat is het dan.

Identiteitspolitiek presenteert zich als een bevrijdende emancipatiestrijd. Je zou hopen dat zo’n politiek van bevrijding ook betekent: bevrijding van jezelf en je eeuwige eigen verhaal. Dat je de blik niet alleen naar binnen, maar ook naar buiten kunt richten. Dwars door je eigen bepaaldheden heen. Een persoonlijke invalshoek geeft realiteit en urgentie aan een verhaal, zeker. Maar als je dat verhaal niet kunt of durf te verbreden, dan blijf je gedoemd om het altijd maar over jezelf te hebben. Dan kun je geen connectie meer maken met de wereld buiten je. Met anderen.

Kunnen we ons überhaupt nog voorstellen dat Banning in zijn serie niet de aandacht wilde vestigen op zijn persoonlijk ongemak, maar via zichzelf iets van algemener belang aan de orde wil stellen? Dat hij niet vraagt: ‘Wie ben ik nu nog?’ maar: ‘Wat is hier aan de hand?’

Redenen van het hart

Een schot. Een gilletje. En dan: ‘Hij leeft nog!’ Vlak daarna: ‘Meneer, hij ademt nog. Schiet hem alstublieft nog een keer. Alstublieft!’ De camera zoomt in op een neergezegen hert. Op bezwerende toon zegt de medewerker van Staatsbosbeheer: ‘Mevrouw, geloof me, dat heeft geen zin. Dit zijn stuiptrekkingen.’ De vrouw barst in snikken uit.

Vijf jaar geleden vergaapten we ons in de bioscoop nog aan De Nieuwe Wildernis, een natuurfilm over de Oostvaardersplassen. We zagen ochtendmist optrekken, jonge dieren hun eerste wankele stapjes zetten, paarden feeëriek over de velden draven. We genoten van deze beelden van ‘ongerepte wildernis’ in onze eigen polder. Dat zoiets bestond in Nederland!

Een relatief strenge winter later bleek de schoonheid van natuur waar mensen nu eindelijk eens met hun tengels van afblijven zich ook te kunnen manifesteren als het drama van hongerende, lijdende dieren. De Oostvaardersplassen staan beide zienswijzen toe. Welk beeld domineert hangt af van wat je het meeste aan het hart gaat.

Wat is er eerst: een inzicht (waar dan een gevoel uit volgt) of een gevoel (waar dan een inzicht uit volgt)? Tijdens de hoogtijdagen van het rationalisme dachten veel filosofen dat inzicht in waarden en belangen tot passende gevoelens en handelingen zou leiden. Er is echter ook altijd een stroming geweest die zei dat het precies andersom werkt. Eerst voel je iets – en vervolgens ga je voor jezelf uitzoeken welke redenen je daar eigenlijk voor hebt. De Britse filosoof Simon Blackburn stelt dat dit nu zo’n zeldzaam filosofisch probleem is waarbij één groep het gelijk duidelijk aan zijn zijde heeft – en wel de laatste. Als mens reageer je eerst op de wereld om je heen, en dan volgt (soms) het redeneren.

Toen Staatsbosbeheer in 1996 het beheerplan voor de Oostvaardersplassen opstelde, baseerde de dienst zich op het verlangen om ‘natuurlijke ecologische processen maximaal de ruimte te geven’. Dat is een emotie die ik goed kan navoelen. Ja, laat me leven in een land dat ten minste één gebiedje kent waar de natuur haar gang kan gaan! Waar natuur er gewoon is voor zichzelf en niet functioneel hoeft te zijn voor mij – als wandelaar, recreant, agrariër, of wat dan ook. Ik snak naar gebieden buiten de menselijke invloedssfeer. Wereldwijd verdwijnen dergelijke plekken, en dat besef beknelt en doet pijn. Waar je ook kijkt, zie je jezelf gespiegeld. Een claustrofobische ervaring.

Ook de emoties van de actievoerders kan ik trouwens goed navoelen. Zij zien dieren lijden, en voelen de impuls om die dieren te helpen. Wat kan ik zeggen? Je ziet leed en je wilt het verzachten. Dat lijkt me een juiste reactie, die net zo goed verbondenheid uitdrukt met de natuur.

Waar emoties en waarderingen op elkaar botsen, begint het redeneren. Als ik op het spoor zit van verlangen naar een plek waar mensen bijzaak zijn, verdedig ik het schouwspel van de stervende dieren met het argument: ‘Lijden hoort bij de natuur.’ Als ik me richt op die kwijnende dieren, bijt ik mezelf toe: ‘Jij noemt een gebied met een hek eromheen in een door mensen gemaakte polder natuur?’ Tja, die zit. En toch zegt mijn andere ik even later verdrietig: ‘Moet ik het verlangen naar plekken zonder menselijke bemoeienis dan maar helemaal opgeven? Moet echt de hele aarde betrekking hebben op ons? Zo wil ik niet kijken!’

De Oostvaardersplassen zijn politiek geworden. Politiek is onze manier om conflicterende emoties en hun bijbehorende waarden maatschappelijk vorm te geven. Daarbij maakt het weinig uit of die emoties nu rauw tot uitdrukking komen, zoals bij de uitzinnige actievoerders, of meer gepolijst, zoals bij ideologische ecologen. Ik weiger dit conflict te zien als een botsing tussen emotie en ratio. De experts zijn ook emotioneel. Ze hebben alleen andere emoties, die opborrelen uit andere waarden. Emoties die getuigen van een ander inzicht en een andere beleving. En aangezien experts van die waarden hun werk hebben gemaakt, kunnen zij het inzicht dat in hun beleving besloten zit wat beter met feiten en argumenten bekleden. Dat maakt hun inzicht misschien sterker, maar daarmee nog niet waardevoller.

Ik bedoel maar: de politiek kan zich in het geval van de Oostvaardersplassen niet verlaten op feiten. Ze zal een koers moeten kiezen op grond van waarden.

Chef Ellende

Het lijkt wel alsof de wereld uit een dutje is ontwaakt. Opeens dringt in volle hevigheid door dat technologie kan worden ingezet om ons stilletjes een bepaalde kant op te duwen – en vooral dat dit geen ver-weg-show is, maar het verdienmodel van bedrijven waar we mee opstaan en mee naar bed gaan. Kop van Jut afgelopen week was Mark Zuckerberg, de grote baas van Facebook, die zich moest verantwoorden voor het misbruik dat zijn betalende klanten maken van de persoonsgegevens die hij oogst van zijn niet-betalende klanten. Zuckerberg werd op het matje geroepen bij het Amerikaanse Congres. Zijn reactie: ‘We gaan het uitzoeken’, of: ‘Sorry’.

Voorafgaand aan zijn verhoor had Mark al een charmeoffensief ingezet. ‘We hebben niet genoeg gedaan om misbruik te voorkomen. We zagen niet volledig in wat onze verantwoordelijkheid was. En dat was een grote fout, het was mijn fout.’ Tja, zal Mark hebben gedacht, als je chef bent, ben je ook chef ellende.

Er is de afgelopen weken veel, heel veel gezegd over Facebook. Daarbij ging het vooral over de manier waarop de netwerksite technisch werkt, over hoe het bedrijf razendsnel deel is gaan uitmaken van ons dagelijkse leven, over hoe moeilijk het is om er uit te stappen. Allemaal zinnig, allemaal waar. En toch zit me iets dwars in het verhaal dat we elkaar collectief vertellen rond Facebook. Dat verhaal maakt Mark ironisch genoeg té verantwoordelijk voor de gang van zaken, waardoor het probleem in de discussie beperkt blijft tot zijn fouten als manager. Precies die fictie stelt Mark in staat om weg te komen met dat lamme ‘sorry’. Dat verhaal houdt namelijk de illusie in stand dat hij de baas is over wat Facebook met ons doet. Hij belooft beterschap en meer scherpte, en de toezichthouders zijn weer gerustgesteld.

Zo’n voorstelling van zaken begrijpt volgens mij niet goed wat Facebook is. Facebook is geen technologie die onder het beheer valt van een ‘hyperintelligente’ CEO van 33, genaamd Mark, zoals deze krant hem vorige week nog in een commentaar typeerde. Facebook is een typisch voorbeeld van een hybride: een versmelting van mens en technologie. En een hybride glibbert gewoon door de matrixen van managers heen, intelligent of niet.

De term ‘hybride’ werd vijfentwintig jaar geleden in de techniekfilosofie geïntroduceerd door Bruno Latour. In Wij zijn nooit modern geweest stelt Latour dat de moderne samenleving berust op een ideologisch onderscheid tussen subjecten versus objecten, mensen versus dingen, cultuur versus natuur. Grondslag van deze Constitutionele Orde (Latours frase) is het uitgangspunt dat mensen handelen, en dingen niet. Moderne mensen denken dat zij de baas zijn over de gereedschappen en technologieën waarmee ze de natuur naar hun hand proberen te zetten.

Dit moderne raamwerk was altijd al een fictie, volgens Latour. Technologieën raken verkleefd met manieren van doen, waardoor leefwerelden ontstaan die niet meer zo gemakkelijk verdeeld kunnen worden in natuur óf cultuur. Een boer die zijn dag indeelt rondom – of eigenlijk mét – zijn melkmachine weet dat. Net als de kankerpatiënt die nog even afspreekt met een vriend voordat de volgende chemo gepland staat. Het onderscheid tussen (passieve) technologie en (actieve) gebruiker is een sprookje. Technologieën nestelen zich in je leefwereld. Je maakt keuzes vanuit die technologie, niet over die technologie.

Facebook is typisch een voorbeeld van een hybride. De technologie is menselijk, want het is ons product. En zij is natuurlijk, want ze is niet onze activiteit. Je kunt er voor kiezen om al dan niet te facebooken, maar niemand van ons – ook Mark niet – heeft in de hand wat Facebook met de sociale orde doet. Niemand heeft de effecten van Facebook bedacht. Prima dat Mark aan de tand wordt gevoeld, maar het is een farce om hem aan te spreken vanuit een soort modernistisch sturingsmodel waarin mensen zonder meer de baas zijn over de dingen. Toch was dat de rode draad in het toneelstuk dat CEO en Congresleden afgelopen week opvoerde. Tja, zo komen we nooit tot de kern van het probleem – en dus ook niet tot een zinvolle reactie op een uit de hand lopende technologie.

Mark is liever Chef Ellende dan te erkennen dat hij geen grip heeft op wat Facebook in gang heeft gezet. Vraag je af waarom.

Kosmische harmonie

Hebt u Liang Xiangyi al met haar ogen zien rollen? De financieel journaliste uit Sjanghai kon haar ergernis niet onderdrukken toen een collega een ellenlange, slijmerige, ongetwijfeld voorgekookte vraag stelde tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het Chinese Volkscongres. De staatstelevisie nam het incident per ongeluk op, en het clipje van Liangs theatrale gebaar werd binnen een paar uur een grote hit op internet. Giechelende tienerjongens deden het na. Slimme handelaren lieten snel T-shirts drukken met de beeltenis van Liang. Deze vrolijke spot was de Chinese censoren te bar. Het werd het ‘mediapersoneel’ verboden om nog maar enige aandacht te besteden aan de ‘hype’. Inmiddels is het clipje in China niet meer te bekijken. Het lot van Liang is onduidelijk.

Eerder deze maand veranderde het Volkscongres de grondwet, waardoor president Xi Jinping kan aanblijven zolang het hem goeddunkt. Vanaf nu leeft China politiek gezien in een eindeloos moment. Dat sluit aan bij een onderstroom in het Chinese denken die westerlingen gemakkelijk missen, leerde ik van sinoloog Stefan Landsberger, die ik ooit sprak voor het Rathenau Instituut. Wij westerlingen denken dat welvaart op een of andere manier samenhangt met democratie. China denkt dat welvaart samenhangt met orde. En niet zomaar met een of andere historisch gegroeide orde, nee: met de kosmische orde.

“China is een autocratisch land”, zei Landsberger. “De bestuursstijl is bevoogdend en paternalistisch.” Hij zag een directe link met het confucianisme. Confucius, een Chinese wijsgeer uit de vijfde eeuw voor Christus, zei dat ‘er maar één zon aan de hemel staat’. Met andere woorden: het Middenrijk kan maar één leider kennen. De kosmische wet zorgt ervoor dat de meest deugdzame leider vanzelf komt bovendrijven, en het volk zal spontaan geneigd zijn om diens goede voorbeeld te volgen. Harmonie alom.

Deze gedachtegang impliceert dat een leider eigenlijk geen andere opvattingen naast de zijne kan dulden, legde Landsberger uit. Als iemand de impuls voelt om in debat te gaan met de leider, kan dat alleen maar betekenen dat de leider niet volledig deugdzaam is geweest. Bij volledige harmonie zou simpelweg niemand de neiging hebben om kritiek te uiten. Zodra burgers andere gedachten hebben dan de leider, is hij zijn mandaat van de kosmos kennelijk kwijt, en is hij dus niet langer de belichaming van de eeuwige orde. Op praktisch niveau betekent dit dat dissidente impulsen – hoe speels of terloops ook, zoals het gebaar van de financieel journaliste – de kop moeten worden ingedrukt. Niet eens zozeer om inhoudelijke redenen. Eerder omdat het blote bestaan van een alternatieve kijk het morele gezag van de leider aantast.

Zelf ben ik bepaald geen China-kenner, maar die mentale wereld is me wel enigszins vertrouwd. Als tiener ben ik namelijk volop in de I Tjing gedoken, een drieduizend jaar oud Chinees orakelboek dat jouw kleine leventje plaatst in, jawel, de kosmische orde. Door wat dan ook te doen (bijvoorbeeld muntjes gooien) druk je onvermijdelijk je plaats in die orde uit. En op grond van jouw positie in die orde kan het boek zeggen hoe jouw situatie zich zal ontwikkelen volgens, alweer, de kosmische wetten. Die echo uit de kosmos vond ik indertijd fijn, want ik voelde me vaak nogal verloren. Wel viel op dat de kosmische orde heel hiërarchisch was ingericht. Vader had het ‘natuurlijke’ gezag over vrouw en kinderen, en alleen als iedereen zich netjes schikte in zijn rol zou er vrede zijn. Het aloude patriarchale verhaal dus, bekrachtigd door ‘de kosmos’. Vreemd toch dat de kosmos altijd vrouwen onder de duim wil houden.

En dan nu de clou: Confucius was dol op de I Tjing; hij droeg de tekst altijd bij zich op bamboebladen. En president Xi is naar verluid dol op het confucianisme; hij maakt er opvallend veel werk van in zijn toespraken. Dat oneindige presidentschap past maar al te goed in de confucianistische logica.

Persoonlijk krijg ik het Spaans benauwd van politici die zich beroepen op een kosmische (of goddelijke, of natuurlijke) orde. Ik bepaal graag zelf wat ik als harmonie ervaar. Mijn heil zoek ik inmiddels niet meer bij de I Tjing, maar bij de Franse filosoof Claude Lefort. Voor Lefort was de fundamentele politieke tegenstelling die tussen democratie en totalitarisme. En dan is het simpel: mensen vastzetten in een onveranderlijke orde is totalitair.