Vergeven

Vorige week bracht deze krant het verhaal van drie soldaten die zijn gepest, mishandeld en verkracht in de kazerne van Schaarsbergen. De commandant Landstrijdkrachten noemt de vernederingen ‘volstrekt ontoelaatbaar’, de nieuwe staatssecretaris van Defensie Barbara Visser vindt ze ‘onacceptabel’. Terecht natuurlijk. Dat moet allemaal gezegd worden. Zoals er ook onderzoek moet volgen, en passende straf. De staat zal vergelding eisen en haar geweldsmonopolie inzetten om duidelijk maken dat bepaalde daden totaal buiten de orde vallen. De daders gaan bloeden, uit onze naam. Daar is geen ontkomen aan.

Ondertussen laat de persoonlijke kant van het verhaal me niet los. Zodra ik me werkelijk probeer voor te stellen wat deze jongens hebben meegemaakt, raak ik half verdoofd in mijn hoofd. Voor buitenstaanders is het bestraffen van de daders wellicht afdoende; de maatschappelijke orde is daarmee in ieder geval hersteld. Voor de mishandelde soldaten ligt dat anders. Niets – geen gebaar van de maatschappij, en ook geen gebaar van de daders – kan echt goedmaken wat hen is aangedaan; zij zijn definitief beroofd van het normale. In hun leven zegeviert het onrecht. Dat is moreel onverdraaglijk, maar wel de realiteit. De enige persoon die deze totale impasse ooit kan doorbreken, is het slachtoffer zelf. En wel door de dader te vergeven.

‘Is wat onvergeeflijk is niet het enige wat vergeven zou moeten worden, het enige wat om vergeving schreeuwt?’, zei Jacques Derrida ooit in een interview. De jonge Duitse filosoof Svenja Flasspöhler haalt Derrida’s uitspraak aan in haar boek Vergeven, en ik vind het een treffend citaat. Inderdaad: dat wat schreeuwt om vergeving is eigenlijk te erg om te vergeven. Daarom schreeuwt het. Het is de schreeuw van de dader, die verdoemd en verstoten blijft ronddolen. Formeel is zijn daad vergolden zodra hij zijn gerechtigde straf heeft uitgezeten. Maar spiritueel gezien is het andere koek. Zolang zijn slachtoffer hem niet vergeeft, blijft hij een gemankeerd mens.

De staat kan vergelden, maar niet vergeven; vergeven is een privékwestie. Toch kan de staat wel de juiste condities scheppen voor vergeving. Een verhaaltje uit het Zuid-Afrika ten tijde van het experiment met de Waarheids- en Verzoeningscommissies maakt duidelijk waar het daarbij om draait. Twee jongens, Tom en Bernard, wonen tegenover elkaar. Op een dag steelt Tom de fiets van Bernard; Bernard moet dagelijks aanzien hoe Tom op zijn fiets naar school gaat. Een jaar later stapt Tom op Bernard af en zegt: ‘Laten we ons verzoenen en het verleden vergeten.’ Bernard reageert: ‘En wat doen we met de fiets?’ Waarop Tom zegt: ‘Ik heb het nu niet over de fiets, ik heb het over verzoening.’

Zolang Tom profijt blijft trekken uit wat hij zich met geweld heeft toegeëigend, is verzoening een extra cadeau voor de dader. Anders gezegd en breder getrokken: een samenleving die pressie uitoefent op slachtoffers om daders te vergeven, vernedert die slachtoffers eigenlijk opnieuw – zeker als zij verder op geen enkele verandering kunnen rekenen. In zo’n situatie is er sprake van structureel onrecht. Dat was de situatie in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. En het lijkt er verdomd veel op dat dit ook aan de hand is in Nederlandse kazernes.

De act van vergeven is een gift; een grootse, helende daad, die bevrijdend is voor de dader en waarschijnlijk ook voor het slachtoffer. Maar zo’n gift kan nooit afgedwongen worden. Het is zelfs ernstig foute boel als dat wel gebeurt; vrijwilligheid is immers de essentie van een gift. Een slachtoffer mag tot in lengte der dagen weigeren om de dader te vergeven zonder dat hem daarmee ook maar enige blaam treft.

‘Mensen kunnen niet vergeven als ze niet kunnen vergelden’, stelde politiek filosoof Hannah Arendt streng. Ik weet niet of Arendt helemaal gelijk heeft; mensen blijken soms tot het onmogelijke in staat. Wel denk ik dat haar uitspraak een lakmoesproef oplevert voor een rechtvaardige samenleving. In een waarlijk rechtvaardige samenleving hoeven slachtoffers het onacceptabele niet te accepteren. Hoe paradoxaal het ook klinkt: juist een samenleving die zorg draagt voor vergelding, opent een weg naar vergeving. Reden te meer voor de top van Defensie om de corporale vernedercultuur die kennelijk heerst in de Nederlandse kazernes nu eindelijk eens te doorbreken. Dat geeft mishandelde militairen de ruimte om te vergeven. Of niet.

Gods puzzel

Veel gevoel heb ik nog niet bij Ingrid van Engelshoven, maar ik ben benieuwd wat deze D66-minister de wetenschap gaat brengen. Als er één terrein is waar liberale kosmopolieten goed gedijen, dan is het wel de wetenschap, zou je denken. Wetenschappers vliegen de hele wereld over om zich op conferenties aan elkaars ideeën te laven. Geef ze een goed hotelbed en een snelle wifi-verbinding, en deze gedreven denkhoofden werken eensgezind aan de grote vragen van de wereld. Allerlei toevallige dingetjes zoals afkomst, geslacht en nationaliteit doen er voor hen niet toe. Hier tellen louter talent, ijver en ambitie; de wetenschappelijke wereld als een D66-paradijs.

Inzetten op universele superteams heeft echter ook een schaduwzijde. Zo stelde de Nederlandse Sociologische Vereniging onlangs dat de sociologie vervreemd is geraakt van de Nederlandse samenleving. Ambitieuze sociologen (en trouwens ook andere sociale wetenschappers en geesteswetenschappers) bestuderen liever geen Nederlandse vraagstukken, want daarmee kun je minder scoren in de internationale arena. En als je daar niet scoort, kun je een baan aan de universiteit tegenwoordig wel vergeten.

Gevolg is dat onze geleerden met hun mond vol tanden staan zodra beleidsmakers bij hen aankloppen met prangende vragen over de Nederlandse samenleving. Wat zou mensen in de wijk zelfredzaam maken? Wat is een redelijke aanpak van geesteszieke misdadigers? Hoe komt het dat Brabant zo bizar veel wietschuren telt? Beleidsmakers moeten er zelf maar een slag naar slaan. Wetenschappers weten het namelijk niet, want het is carrièretechnisch niet slim om je daarin te verdiepen. Het publieke geld dat in de wetenschap wordt gestopt, betaalt zich dus niet uit in een deugdelijke feitenbodem onder het nationale beleid.

Deze perverse situatie is het gevolg van een meet- en beoordelingssysteem dat vooral is toegesneden op de natuur- en levenswetenschappen. Daar heeft een universele aanpak een zekere logica: kernsplitsing of celdeling kun je overal ter wereld met willekeurig welke vakgenoot bestuderen – maakt niet uit voor de uitkomsten. Maar de vragen van juristen, organisatiedeskundigen en geesteswetenschappers zijn onvermijdelijk geworteld in een bepaalde tijd en cultuur. Als je die wortels negeert, begrijp je gelijk het vraagstuk niet meer.

‘God is dood’, schreef Friedrich Nietzsche anderhalve eeuw geleden. De mensen hebben het alleen nog niet tot zich laten doordringen, zó ondermijnend en bedreigend vinden ze die gedachte, stelde hij ook. Als ik wetenschappers hoor praten over hun werk, denk ik vaak aan Nietzsche, want de religieus geladen metaforen vliegen je om de oren – opmerkelijk genoeg vooral in kringen van natuur- en levenswetenschappers. Daar is het beeld van de puzzel populair, waarin wetenschappers hun onderzoek presenteren als een ‘puzzelstukje’ dat aansluit bij de puzzelstukjes die hun collega-wetenschappers overal ter wereld aan het vergaren zijn. De suggestie: als we de puzzel eenmaal gelegd hebben, zien we de werkelijkheid!

Die metafoor leunt op een archaïsche gedachtegang. Ga maar na: dat plaatje wat wetenschappers proberen na te leggen, is naadloos te vertalen in het plan van God. Helaas voor de mensheid is het deksel van de puzzel zoek en liggen de stukjes door de war. Sinds de verstoting uit het paradijs dolen we rond in een omgeving die we niet begrijpen en die ons deels vreemd is. Met het resterende goddelijke vonkje in ons – de ratio – proberen verstandelijk uitzonderlijk begaafde soortgenoten het oorspronkelijke goddelijke plan te reconstrueren uit allerlei indirecte aanwijzingen. Dit beeld past naadloos in de Middeleeuwen, toen God nog volop leefde. Nu is God dood. Dat is alleen nog niet helemaal doorgedrongen tot de puzzelaars onder de wetenschappers.

Ik geloof niet dat de puzzelmetafoor helpt om te begrijpen wat natuur- en levenswetenschappers feitelijk doen. En ik denk dat zij wetenschappers die zich buigen over cultuurgebonden vragen ronduit hindert. Toch voedt die metafoor van een universele puzzel waaraan ‘de wetenschap’ werkt nog steeds de dominante ideeën over kennisvergaring, getuige alleen al het veel te algemene beoordelingssysteem waaraan we al onze wetenschappers onderwerpen.

Hier een lakmoesproef voor D66. Is het de partij van het contextloze, losgezongen kosmopolitisme? Of toch die partij die werkelijk doorleeft wat de dood van God betekent, en dus ook snapt dat je een door-en-door toevallige en vlietende wereld nooit in één statisch beeld zult kunt vangen? Minister Van Engelshoven mag met haar wetenschapsbeleid laten zien waar D66 voor staat.

Blind solidair

U weet: het onbezonnen ontginnen van big data bedreigt onze privacy. Mogelijk heeft u zelfs uw handtekening al gezet om het referendum over de sleepwet af te dwingen. Ik heb dat zojuist gedaan. Maar eigenlijk maak ik me persoonlijk drukker om een ander effect van al dat gezoek naar patronen in bijeengegaarde informatie over groepen mensen: de uitwerking daarvan op onze solidariteit.

Kijk naar wat er gebeurt rondom zorg. Als je vroeger ziek werd, was dat gewoon flink balen, maar je wist: ziekte hoort nu eenmaal bij het menselijk bestaan. Vanuit dat besef hebben we als groep een fonds opgericht. Ieder van ons stopt er geld in en op het moment dat je ziek wordt, haal je uit het fonds wat je nodig hebt. De ene groepsgenoot zal in de praktijk vaker een greep uit de pot doen dan de ander, maar daar zeuren we niet over, want ziek is ziek en het is erg genoeg als dat lot jou treft.

Ziek zijn hoort nog steeds bij het leven. Maar inmiddels hoort een aandoening ook bij een of ander risicoprofiel. Jij bent wellicht het slag mens met een verhoogde kans op diabetes, borstkanker, een sportblessure, een muisarm. Life is a bitch, dus die risico’s zijn niet eerlijk over de groep verdeeld. Zodra je weet wat je profiel is, ligt desondanks onmiddellijk de vraag op tafel wat je eraan doet om die aandoening waar jij extra vatbaar voor bent te voorkomen. Als je echt ziek wordt, ga je de groep immers geld kosten. Opeens zitten we dus niet meer allemaal in hetzelfde schuitje. Hoe meer kennis we vergaren over risicoprofielen, hoe meer de groep uiteenvalt in subcategorieën. En dat doet iets met solidariteit.

Hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer maakte ooit een zinvol onderscheid tussen waarschijnlijkheid en risico. Waarschijnlijkheid gaat over blinde kansen. Je hebt geluk – of pech. Als pechvogel ontwikkel je bijvoorbeeld spierdystrofie, of moet je zien te leven met een of andere ondermijnende allergie. Mensen tonen zich gewoonlijk behoorlijk solidair met een groepsgenoot die door pech wordt getroffen, aldus De Beer. Jij kunt er ook niets aan doen, en jouw lot had evengoed het mijne kunnen zijn, dus betalen we met liefde jouw zorgrekeningen uit de gezamenlijke pot.

Risico’s zijn daarentegen niet blind. Zij geven aan hoeveel kans jij loopt op een bepaalde aandoening – en opeens stroomt de solidariteit heel wat minder gemakkelijk van medemens naar medemens. Heb jij aanleg voor hartproblemen? Vervelend voor je, maar wil je dan wel de roomboter laten staan alsjeblieft? Want als jij niet een beetje je best doet, neemt de kans toe dat jij een beroep moet doen op de gezamenlijke pot. En dan gaat mijn premie omhoog, omdat jij te belazerd bent om te zorgen dat je niet ziek wordt. Zo maakt kennis over risico’s dat we elkaar de maat gaan nemen. Ongemerkt worden we elkaars politieagenten.

Ik weet dat de zorgkosten de pan uit rijzen, en ik vind dat daar iets aan moet gebeuren. Maar op deze manier wil ik eigenlijk helemaal niet denken over gezondheid en ziekte. Ik wil niet hoeven oordelen in hoeverre mijn medemensen hun lijden over zichzelf afroepen, en in hoeverre zij mij daarmee op kosten jagen. Natuurlijk zit dat trekje wel in mij; niets berekenends is mij vreemd. Ik kies bijvoorbeeld zonder schroom voor een autoverzekering waarbij ik minder premie betaal naarmate ik minder ongelukken maak. ‘Die korting heb ik wel verdiend’, denk ik dan. Maar als het op leven, lijden en dood aankomt zou ik liever gewoon blind solidair zijn.

Eigenlijk wil ik dus beschermd worden tegen mijn eigen venijn. Ik verlang naar een zorgstelsel dat mij weghoudt van de menselijke neiging om het eigen gedrag af te zetten tegen dat van anderen. Ik zou willen dat de politiek niet kletst over het eigen risico, maar bedenkt hoe het zorgstelsel solidair kan blijven nu big data in rap tempo steeds specifiekere kennis over risicoprofielen levert. Hoe arrangeer je dan de solidariteit tussen zieke en nog-niet-zieke mensen? Vraag mij niet hoe dat moet. Ik heb slechts een voorspelling: als we niet ingrijpen, zal profielenkennis de groep steeds verder uit elkaar drijven. Solidariteit heeft altijd baat gehad bij een zekere blindheid. Wat doen we nu we zien?

Interessante gedachten

Vlak voor de zomer zei Ian Buruma, de nieuwbakken hoofdredacteur van The New York Review of Books, dat de ‘interessantste gedachten nu op rechts worden gevormd’. Zelf ontleen ik in de praktijk weinig houvast meer aan die hele verdeling in politiek links en rechts; wat dat betreft ben ik mooi ontheemd geraakt. Maar interessante gedachten, ja, daar kun je me voor wakker maken! Ik zie mezelf als iemand voor wie interessante gedachten belangrijk zijn. Dus heb ik de hele zomer ijverig gezocht naar die nieuwe ideeën van rechts.

En bar weinig kunnen vinden. Geen spetterende verdediging van de rechtsstaat, geen lucide betoog over het ondermijnende effect van identiteitspolitiek, geen scherp herijken van wat privacy in onze tijden behelst. Ja, rechts wil het veilig hebben – maar dat is niets nieuws. Heb ik wellicht op de verkeerde plekken gekeken? Waar had ik het eigenlijk moeten zoeken? Buruma gaf geen enkele concrete aanwijzing.

Misschien is rechts zelf ook een beetje aan het dolen. Paul Jansen, hoofdredacteur van De Telegraaf, zei ooit in Vrij Nederland: “Ik ben niet zo rechts, ik heb gewoon een hekel aan hypocrisie. En dat kom ik meer bij links tegen dan bij rechts.” Ik denk dat Jansen hier een rechtse verlegenheid toont met idealen. Voor plat rechts zijn idealen bij voorbaat al hypocriet. Iedereen weet in die kringen dat mensen in de kern uit zijn op hun eigenbelang. Diepzinnige gedachten en mooie vergezichten van een ander begrijp je dan al snel als manieren om eigenbelang te verhullen; in feite manieren om jou te manipuleren zodat jij iets gaat doen wat stiekem in het belang van die ander is. Hypocriet zeg!

Voor plat rechts is eigenbelang onze grootst gemene deler – en daar moet het verder maar bij blijven ook. Van eigenbelang kun je tenminste op aan. Ik denk overigens niet dat Jansen zelf zo plat is. Volgens mij is hij een man in staat tot interessante gedachten. Ik merk ook dat Jansen bij mij een gevoelige snaar raakt in zijn afkeer van linkse hypocrisie. Jammer alleen dat hij het houdt bij zijn hekel en zelf geen rijke gedachte naar voren schuift.

Want Jansen, zeg nou zelf: wat is dat voor een akelige rechtse biotoop waarin het hypocriet is om te verlangen naar een betere wereld? Een beetje mens wil een mooie boog over de samenleving spannen en zichzelf begrijpen als levend onderdeel van datgene wat in dat grotere gebaar wordt omvat. Een beetje mens zoekt het kleinst gemene veelvoud, zeg maar. Die zoektocht veronderstelt dat je jezelf een beetje te buiten gaat. Eigenbelang kennen alle dieren. De wens jezelf te ontstijgen is uniek aan onze soort. Zoals de Britse schrijver G.K. Chesterton zegt: “De beschaving zelf is de meest romantische rebellie.” Verheffende dromen hebben ons onttrokken aan de ruwe strijd om het bestaan en het leven voor iedereen beter gemaakt. Het is dom van plat rechts om dat te vergeten.

Maar ik zei het al, ik ben dolende. Want dromen zijn ook gevaarlijk, en ik bespeur daar bij links weinig gevoeligheid voor. Links hoort niet graag dat hun verlangen iedereen bij de samenleving te betrekken in één grote omarming – hoe goed bedoeld ook – voor sommige mensen een behoorlijk beknellende ervaring kan zijn. Opvattingen van het goede leven kunnen verschillen. Wil jij een groene stad, met insectenhotels, hagen waarin egels nestelen, en sedumdaken? Nou, ik vind een betegelde tuin mooi en herfstbladeren slordig. Mag ik? En, linkse idealist: als je merkt dat ik het niet met je eens ben, ga me dan vooral niet informeren, alsof ik er allemaal nog niet zo goed over heb nagedacht. Dat is – naast irritant – net zo goed dom. Dan doe je alsof feiten en gedachten, mits welbegrepen, automatisch tot dezelfde droom leiden. Wat au fond hetzelfde is als een totalitaire ideologie aanhangen.

Ik mag dan niet precies weten in welke hoek ik Buruma’s interessante gedachten moet zoeken, ik weet wel dat ik weg moet blijven bij plat rechts (te weinig ambitieuze gedachten) en dogmatisch links (te massieve gedachten). In beide gevallen weet je dat er bepaalde ervaringen worden weggelaten en geschrapt omdat ze niet passen bij het ideaal. De werkelijkheid is namelijk overdadig, rommelig, veelstemmig. Houden zo.

Minpuntje

In 1977 voerde de PTT de postcode in. Hartstikke handig, want zo kon je automatisch brieven sorteren – mits de afzender voldoende netjes schreef natuurlijk. In die tijd kon niemand bevroeden dat de PTT veertig jaar later geprivatiseerd zou zijn, dat dit private bedrijf de rode brievenbussen daadkrachtig zou vervangen door oranje exemplaren, en dat er sowieso nauwelijks nog brieven worden gesorteerd omdat we elkaar via de fysieke weg eigenlijk alleen nog maar rouwkaarten sturen. Toch is de postcode onverminderd handig. We sorteren er nu mensen mee.

Het makkelijke van een postcode is dat hij fungeert als linking pin tussen databestanden van allerlei slag. Welke vragenlijst je ook invult, welk product je ook bestelt – vrijwel altijd zul je je postcode vermelden. Postcodes voeden inmiddels vrijwel elk algoritme dat patronen in menselijk gedrag vangt. Geef me je postcode, en ik heb gelijk een heel aardige eerste indruk van je; ik kan redelijk voorspellen wat jou vermoedelijk bevalt en waar je bang voor bent.

Op basis van dergelijke algoritmes bepalen bedrijven of het zin heeft om bij jou reclame te maken voor een doosje exclusieve wijn, dan wel een scooter op afbetaling. Op basis van algoritmes weet GroenLinks in welke straten de partij haar vrijwilligers in verkiezingstijd het beste kan laten aanbellen omdat daar de meeste weifelaars wonen. Algoritmes sturen ook het gedrag van de politie: sinds dit jaar surveilleert de Nederlandse politie extra vaak rond huizenblokken waar volgens de software veel inbraken worden verwacht.

Algoritmes maken het beleid van bedrijven, organisaties en overheden ongetwijfeld efficiënter – en dat is (in ieder geval vanuit hen bezien) een dik pluspunt. Maar onschuldig zijn ze niet. Zo hebben voorspellingen de akelige neiging zichzelf te versterken. Als de politie meer gaat surveilleren in bepaalde wijken, zal zij daar ook eerder boeven betrappen. Die hoge pakcijfers worden natuurlijk teruggeploegd in het datasysteem, waardoor die wijk steeds ‘gevaarlijker’ wordt, en niets logischer lijkt dan om daar nog weer extra agenten te posteren. ‘Een giftige cyclus’, noemt de Amerikaanse wiskundige en blogger Cathy O’Neill dat.

Zelf geeft O’Neill het voorbeeld van Amerikaanse rechters, die volgens haar geneigd zijn om een misdadiger een hogere straf te geven als de kans groot wordt geacht dat de betreffende boef nogmaals in de fout zal gaan. Dit is volgens O’Neill typisch zo’n voorspelling die zichzelf waarmaakt. Immers: hoe langer je in de gevangenis zit, des te groter de kans op criminele vriendjes, en des te moeilijker om -eenmaal vrij- weer werk te vinden. Waardoor je sneller terugvalt in de criminaliteit. En ja hoor: daar heb je weer zo’n langgestrafte die opnieuw een misdrijf pleegt! Die voorspellingen van het recidive-model komen uit! Algoritmes zijn weliswaar blind, maar daarmee nog niet neutraal, constateert O’Neill. Vaak zitten er aannames ingebouwd die bestaande sociale ongelijkheden in stand houden of zelfs versterken. En dat is een serieus minpunt, zou ik met haar zeggen.

Mij zit nog een ander minpunt dwars: algoritmes drukken je terug in wie je al was. Voor een algoritme ben je een optelsom van je geschiedenis. Ze zien je verleden, en niet je potentie. Breken met het bekende is natuurlijk berucht moeilijk; we vallen vaak terug in onze routines. En veranderingen zijn eng. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt. Toch kan je als mens het besluit nemen om welbewust te breken met ál wat je van jezelf vindt en weet, en de zaken voortaan over een andere boeg gooien. Filosoof Hannah Arendt noemde dit ‘nataliteit’; in principe kun je jezelf iedere dag opnieuw geboren laten worden. Dankzij dit vermogen zijn mensen soms in staat om het onverwachte waar te maken. Tegen iedere waarschijnlijkheidsrekening in.

Vanouds wordt filosofie vaak gezien als een oefening in sterven. Maar voor Arendt is filosofie juist een oefening in beginnen. De mens is voor haar het dier dat kan breken met het verleden. Een dier dat ‘dit niet!’ kan zeggen, en zichzelf kan herscheppen. Mensen kunnen losbreken uit hun mal, het grote onbestemde tegemoet. Dat kan gevaarlijk zijn, en mislukt natuurlijk vaak. Maar precies daar zit ook onze hoop, onze waardigheid, onze vrijheid. Die hoop, waardigheid en vrijheid gunnen algoritmes ons niet. Zij benaderen ons steevast als de sukkels die we tot nu toe waren.

Zelfstandig

Ze doen heel geheimzinnig over hun agenda, maar misschien hebben de politici die op dit moment onderhandelen over toekomstig Nederland het nu wel over zzp’ers. Bij die gedachte lopen de rillingen me over de rug. Ik verwacht er niets goeds van.

Al jaren word ik als werkend burger geschaard onder de noemer ‘zelfstandige zonder personeel’. Het ongemak dat uit die term spreekt – je bent kennelijk vooral iets niet, zoals ‘vrouw zonder kind’ of ‘fietser zonder licht’ – toont wat mij betreft de ideeënarmoede over de plek van werk in een mensenleven. Klassiek rechts verdeelt werkenden onder in leiders en volgelingen, klassiek links in machtigen en zwakken. Zzp’ers passen niet lekker in een van beide schema’s, met als gevolg dat één miljoen Nederlanders verweesd rondsopt in de sociaal-economische polder.

De politiek probeert wel mij in een kamp te lokken. De VVD spreekt me aan als ondernemer en vleit me door te zeggen dat ik lef en ambitie heb, en natuurlijk wil genieten van het succes dat ik eigenhandig uit de markt pers. Nou, zo voelt het helemaal niet. Ik ben niet zo iemand die zegt: ‘Het maakt mij niet uit of ik een schoenenfabriek of een IT-bedrijf run, als ik er maar een succes van kan maken!’ Integendeel, ik ben iemand die verknocht is aan de inhoud van haar werk. Mijn werk is wie ik ben. Juist daarom vind ik het idee onverdraaglijk dat een baas zeggenschap zou hebben over wat ik doe – dat voelt als het uit handen geven van mijn autonomie. Ik weet dat er goede bazen bestaan; ik heb ze zelfs van dichtbij meegemaakt. Maar ik ga het risico niet nemen om me formeel onder het gezag te plaatsen van iemand die ik misschien moet gehoorzamen tegen mijn eigen beter weten in. Die radeloze eigenwijsheid is wat me tot een zzp’er maakt. En als dat betekent dat ik me ook enkele ondernemersvaardigheden eigen moet maken – zoals een boekhouding bijhouden, mijn eigen IT-shit oplossen, en mezelf als merk presenteren op een website – dan neem ik dat op de koop toe.

Ik identificeer mezelf dus als zelfstandige, niet als ondernemer. Maar ik herken me ook niet in het beeld dat klassiek links van zzp’ers schetst – sneue ex-werknemers die als rechteloze zelfstandigen nog beter uit te buiten zijn door opportunistische directies. Wie kan er met zo’n zelfbeeld leven? Bovendien doet dit geen enkel recht aan de trots die ik voel bij het werk dat ik doe, noch aan de drijfveer om iets te willen maken dat toont waarvoor ik sta.

Hier stuit ik op oud zeer. Als beginnend freelance journalist meldde ik me bij de vakbond. Het klinkt misschien heel onnozel, maar ik had verwacht dat ik verwelkomd zou worden met woorden in de trant van: ‘Wat leuk dat ook jij voor een leven als journalist hebt gekozen! Kom bij de club, dan gaan we zorgen dat wij niet tegen elkaar uitgespeeld kunnen worden.’ In plaats daarvan kreeg ik een absurde contributie voorgelegd, afgestemd op het inkomen van journalisten die veilig onder een CAO vielen – en liet de bond verder in alles merken eigenlijk niets van freelancers te willen weten. Met een schok realiseerde ik me dat die solidariteit waar de vakbond voor heet te staan zich slechts uitstrekt tot de binnenring van journalisten met een vast contract. En dat het de bond om het beschermen van (gevestigde) belangen ging, niet om het verenigen rond een gilde.

De hele term zzp’er is een vergaarbak, dus ik weet niet hoeveel zelfstandigen hun werk beleven zoals ik. Maar voor mijn type draait werk in essentie noch om succes, noch om goede arbeidsvoorwaarden. Het allerbelangrijkste is om via werk uit te drukken wie je bent. En tsja, als je werk zo nauw verknoopt is met je identiteit, kun je moeilijk toestaan dat iemand anders daar de macht over heeft. Ik weet niet of deze kijk op werk handig of wijs is – soms denk ik dat een meer ontspannen houding beter zou zijn – maar dit is de logica van een zelfstandige. Misschien iets voor de onderhandelaars om mee te nemen: heel veel kwesties raken anno 2017 aan identiteitspolitiek. En dat geldt zeker voor werk.  Erken dat in je beleid.