Minpuntje

In 1977 voerde de PTT de postcode in. Hartstikke handig, want zo kon je automatisch brieven sorteren – mits de afzender voldoende netjes schreef natuurlijk. In die tijd kon niemand bevroeden dat de PTT veertig jaar later geprivatiseerd zou zijn, dat dit private bedrijf de rode brievenbussen daadkrachtig zou vervangen door oranje exemplaren, en dat er sowieso nauwelijks nog brieven worden gesorteerd omdat we elkaar via de fysieke weg eigenlijk alleen nog maar rouwkaarten sturen. Toch is de postcode onverminderd handig. We sorteren er nu mensen mee.

Het makkelijke van een postcode is dat hij fungeert als linking pin tussen databestanden van allerlei slag. Welke vragenlijst je ook invult, welk product je ook bestelt – vrijwel altijd zul je je postcode vermelden. Postcodes voeden inmiddels vrijwel elk algoritme dat patronen in menselijk gedrag vangt. Geef me je postcode, en ik heb gelijk een heel aardige eerste indruk van je; ik kan redelijk voorspellen wat jou vermoedelijk bevalt en waar je bang voor bent.

Op basis van dergelijke algoritmes bepalen bedrijven of het zin heeft om bij jou reclame te maken voor een doosje exclusieve wijn, dan wel een scooter op afbetaling. Op basis van algoritmes weet GroenLinks in welke straten de partij haar vrijwilligers in verkiezingstijd het beste kan laten aanbellen omdat daar de meeste weifelaars wonen. Algoritmes sturen ook het gedrag van de politie: sinds dit jaar surveilleert de Nederlandse politie extra vaak rond huizenblokken waar volgens de software veel inbraken worden verwacht.

Algoritmes maken het beleid van bedrijven, organisaties en overheden ongetwijfeld efficiënter – en dat is (in ieder geval vanuit hen bezien) een dik pluspunt. Maar onschuldig zijn ze niet. Zo hebben voorspellingen de akelige neiging zichzelf te versterken. Als de politie meer gaat surveilleren in bepaalde wijken, zal zij daar ook eerder boeven betrappen. Die hoge pakcijfers worden natuurlijk teruggeploegd in het datasysteem, waardoor die wijk steeds ‘gevaarlijker’ wordt, en niets logischer lijkt dan om daar nog weer extra agenten te posteren. ‘Een giftige cyclus’, noemt de Amerikaanse wiskundige en blogger Cathy O’Neill dat.

Zelf geeft O’Neill het voorbeeld van Amerikaanse rechters, die volgens haar geneigd zijn om een misdadiger een hogere straf te geven als de kans groot wordt geacht dat de betreffende boef nogmaals in de fout zal gaan. Dit is volgens O’Neill typisch zo’n voorspelling die zichzelf waarmaakt. Immers: hoe langer je in de gevangenis zit, des te groter de kans op criminele vriendjes, en des te moeilijker om -eenmaal vrij- weer werk te vinden. Waardoor je sneller terugvalt in de criminaliteit. En ja hoor: daar heb je weer zo’n langgestrafte die opnieuw een misdrijf pleegt! Die voorspellingen van het recidive-model komen uit! Algoritmes zijn weliswaar blind, maar daarmee nog niet neutraal, constateert O’Neill. Vaak zitten er aannames ingebouwd die bestaande sociale ongelijkheden in stand houden of zelfs versterken. En dat is een serieus minpunt, zou ik met haar zeggen.

Mij zit nog een ander minpunt dwars: algoritmes drukken je terug in wie je al was. Voor een algoritme ben je een optelsom van je geschiedenis. Ze zien je verleden, en niet je potentie. Breken met het bekende is natuurlijk berucht moeilijk; we vallen vaak terug in onze routines. En veranderingen zijn eng. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt. Toch kan je als mens het besluit nemen om welbewust te breken met ál wat je van jezelf vindt en weet, en de zaken voortaan over een andere boeg gooien. Filosoof Hannah Arendt noemde dit ‘nataliteit’; in principe kun je jezelf iedere dag opnieuw geboren laten worden. Dankzij dit vermogen zijn mensen soms in staat om het onverwachte waar te maken. Tegen iedere waarschijnlijkheidsrekening in.

Vanouds wordt filosofie vaak gezien als een oefening in sterven. Maar voor Arendt is filosofie juist een oefening in beginnen. De mens is voor haar het dier dat kan breken met het verleden. Een dier dat ‘dit niet!’ kan zeggen, en zichzelf kan herscheppen. Mensen kunnen losbreken uit hun mal, het grote onbestemde tegemoet. Dat kan gevaarlijk zijn, en mislukt natuurlijk vaak. Maar precies daar zit ook onze hoop, onze waardigheid, onze vrijheid. Die hoop, waardigheid en vrijheid gunnen algoritmes ons niet. Zij benaderen ons steevast als de sukkels die we tot nu toe waren.

Zelfstandig

Ze doen heel geheimzinnig over hun agenda, maar misschien hebben de politici die op dit moment onderhandelen over toekomstig Nederland het nu wel over zzp’ers. Bij die gedachte lopen de rillingen me over de rug. Ik verwacht er niets goeds van.

Al jaren word ik als werkend burger geschaard onder de noemer ‘zelfstandige zonder personeel’. Het ongemak dat uit die term spreekt – je bent kennelijk vooral iets niet, zoals ‘vrouw zonder kind’ of ‘fietser zonder licht’ – toont wat mij betreft de ideeënarmoede over de plek van werk in een mensenleven. Klassiek rechts verdeelt werkenden onder in leiders en volgelingen, klassiek links in machtigen en zwakken. Zzp’ers passen niet lekker in een van beide schema’s, met als gevolg dat één miljoen Nederlanders verweesd rondsopt in de sociaal-economische polder.

De politiek probeert wel mij in een kamp te lokken. De VVD spreekt me aan als ondernemer en vleit me door te zeggen dat ik lef en ambitie heb, en natuurlijk wil genieten van het succes dat ik eigenhandig uit de markt pers. Nou, zo voelt het helemaal niet. Ik ben niet zo iemand die zegt: ‘Het maakt mij niet uit of ik een schoenenfabriek of een IT-bedrijf run, als ik er maar een succes van kan maken!’ Integendeel, ik ben iemand die verknocht is aan de inhoud van haar werk. Mijn werk is wie ik ben. Juist daarom vind ik het idee onverdraaglijk dat een baas zeggenschap zou hebben over wat ik doe – dat voelt als het uit handen geven van mijn autonomie. Ik weet dat er goede bazen bestaan; ik heb ze zelfs van dichtbij meegemaakt. Maar ik ga het risico niet nemen om me formeel onder het gezag te plaatsen van iemand die ik misschien moet gehoorzamen tegen mijn eigen beter weten in. Die radeloze eigenwijsheid is wat me tot een zzp’er maakt. En als dat betekent dat ik me ook enkele ondernemersvaardigheden eigen moet maken – zoals een boekhouding bijhouden, mijn eigen IT-shit oplossen, en mezelf als merk presenteren op een website – dan neem ik dat op de koop toe.

Ik identificeer mezelf dus als zelfstandige, niet als ondernemer. Maar ik herken me ook niet in het beeld dat klassiek links van zzp’ers schetst – sneue ex-werknemers die als rechteloze zelfstandigen nog beter uit te buiten zijn door opportunistische directies. Wie kan er met zo’n zelfbeeld leven? Bovendien doet dit geen enkel recht aan de trots die ik voel bij het werk dat ik doe, noch aan de drijfveer om iets te willen maken dat toont waarvoor ik sta.

Hier stuit ik op oud zeer. Als beginnend freelance journalist meldde ik me bij de vakbond. Het klinkt misschien heel onnozel, maar ik had verwacht dat ik verwelkomd zou worden met woorden in de trant van: ‘Wat leuk dat ook jij voor een leven als journalist hebt gekozen! Kom bij de club, dan gaan we zorgen dat wij niet tegen elkaar uitgespeeld kunnen worden.’ In plaats daarvan kreeg ik een absurde contributie voorgelegd, afgestemd op het inkomen van journalisten die veilig onder een CAO vielen – en liet de bond verder in alles merken eigenlijk niets van freelancers te willen weten. Met een schok realiseerde ik me dat die solidariteit waar de vakbond voor heet te staan zich slechts uitstrekt tot de binnenring van journalisten met een vast contract. En dat het de bond om het beschermen van (gevestigde) belangen ging, niet om het verenigen rond een gilde.

De hele term zzp’er is een vergaarbak, dus ik weet niet hoeveel zelfstandigen hun werk beleven zoals ik. Maar voor mijn type draait werk in essentie noch om succes, noch om goede arbeidsvoorwaarden. Het allerbelangrijkste is om via werk uit te drukken wie je bent. En tsja, als je werk zo nauw verknoopt is met je identiteit, kun je moeilijk toestaan dat iemand anders daar de macht over heeft. Ik weet niet of deze kijk op werk handig of wijs is – soms denk ik dat een meer ontspannen houding beter zou zijn – maar dit is de logica van een zelfstandige. Misschien iets voor de onderhandelaars om mee te nemen: heel veel kwesties raken anno 2017 aan identiteitspolitiek. En dat geldt zeker voor werk.  Erken dat in je beleid.

Ponypark

‘Ga je mee’, zei mijn kordate vriendin H. ‘We kunnen nog wel wat handen gebruiken.’ En zo stond ik ’s morgens bij het asielzoekerscentrum aan de rand van de stad, waar twee tourbussen zich vulden met vluchtelingen. Men was wel toe aan een verzetje. Op naar Ponypark Slagharen!

‘Let jij een beetje op Salma’, vroeg H. terwijl ze de passagiers telde. Ze wees naar een hoogzwangere vrouw. ‘Ze is pittig en spreekt goed Engels, maar ze is ook doodmoe. Haar man is hier nog niet dus zij zorgt in haar eentje voor de kinderen.’ Naast Salma stonden twee zwijgende jongens, in de buggy een beweeglijk meisje. We knikten naar elkaar. In de bus moest de stemming er nog in komen. Jungle Boek werd vertoond. Mannen achter in de bus oefenden hun Nederlands door de reclames op de bedrijfspanden langs de snelweg op te lezen.

De bussen draaiden het terrein van Slagharen op en wij stroomden naar buiten. ‘Om half één krijg je wat te eten in de Music Hall, om vier uur hier weer verzamelen’, zei H. ‘Veel plezier!’ En daar gingen we, over Main Street, met aan weerszijden horeca en winkeltjes vol prullaria. Al snel hadden we in de gaten dat we ons maar beter konden opsplitsen. Salma’s kinderen vielen in verschillende lengtecategorieën; de oudste jongen mocht in alle attracties maar zijn broertje was daarvoor te klein, en het zou fijn zijn als de oudste zich nu eens niet hoefde te voegen. Zoef, weg was hij. Salma legde de hand van haar jongste zoon in de mijne, zei op besliste toon iets tegen het ventje, en trok met haar dochter richting de pony’s, die deze zomer hun laatste rondjes sjokken aan de rand van het park.

Wat te doen? Ik wees op de kabelbaan die langzaam over Main Street trok. De jongen knikte en we sloten aan in de rij. ‘Wat kan die jongen goed wachten’, dacht ik bij mezelf. De westerse kinderen waren luidruchtig en druk, hij stond stil aan mijn zijde. Boven in de gondel, zijn hand nog steeds in de mijne, was ik in mijn element. Vanaf een zekere hoogte de dingen beschouwen, me niet hoeven engageren, een beetje wegdromen – heerlijk. Ik voelde me verbonden met mijn zwijgende protegé.

Dat veranderde toen we in een woestere attractie belandden. De jongen leefde op en stond alweer in de rij voor een tweede keer. Nu was ik het die volgde. Ik keek om me heen naar mijn medemensen en voelde me een buitenstaander. ‘Zo ziet sensatiezucht er uit’, dacht ik cultuurkritisch. ‘Lijdzaam in de rij wachten op het moment dat externe krachten je lichaam een kick bezorgen.’ Mijn geknies boeide verder natuurlijk niemand, en mijn jongetje nog het minste.

Om half één schoven we aan tafel in de Music Hall. H. verdeelde bakjes met friet en ideologisch neutrale kaassoufflés. Verhalen en tips werden uitgewisseld. ‘Hebben jullie ook zo’n soort park in Syrië?’, vroeg ik Salma. Ja, iets dergelijks hadden ze daar wel. En daarna ging het weer naar de attracties. We werden nat bij een watergevecht, waarna de jongen wegstoof naar de kartbaan. Ik zou hem oppikken, wat nog even lastig was omdat hij zijn natte trui had uitgetrokken waardoor ik hem niet zomaar herkende. Hij mij gelukkig wel.

In de bus terug – neuzen geteld, plaatsen verdeeld – werd Ice Age gedraaid. Chips ging rond en raakte vertrapt in het gangpad. Een enorme dolfijnenballon deinde zachtjes aan het touwtje waarmee hij was vastgebonden aan de stoelleuning. Een vermoeid kind jengelde, een vader probeerde het te sussen. Het was allemaal buitengewoon gewoon. Wat had ik verwacht? Drama? Getraumatiseerde mensen die gingen bibberen zodra ze een knal hoorden of een waterpistool zagen? Een heldenrol voor mij als gids? Salma had mijn wijze raad niet nodig. Een beetje praktische hulp en ze redt zich prima. Zeker, ze is moe. Misschien heeft ze nachtmerries, maar die gaat ze mij na een dagje pretpark niet bij wijze van beloning aan mijn neus hangen. Ze zei gewoon: ‘bedankt.’

President Trump: wij hebben Slagharen, weet u nog. Ik ben daar net voor het eerst van mijn leven geweest, en het was heel leerzaam. Ik merkte dat vreemdelingen overal zijn waar je zelf bent.

Meedoen

Afgelopen donderdag schoof ik aan bij Met het oog op morgen. Het radioprogramma maakt een zomerserie waarin het de stand van het feminismedebat peilt. De redactie bedacht een soort estafettevorm waarin de gast van die avond (ik dus) een vraag formuleert voor de gast van de volgende uitzending. Dat zou Colin van Heezik zijn, de kunstjournalist die onlangs in deze krant liet weten dat hij als man graag wil meedoen met de feministen en daar felle reacties op ontving.

Tja, en daar moest ik nu dus wat mee. Zelf had ik net verteld dat feminisme voor mij eerst en vooral over vrijheid gaat. De vrijheid voor vrouwen om hun eigen leven naar eigen inzicht vorm te geven, los van allerlei verwachtingen over wat een vrouw is of behoort te zijn. ‘Jazeker, ik ben een feminist – maar niemand moet mij vertellen wat een echte feminist is of behoort te zijn. Ook andere feministen niet. Dat wil ik nu juist zelf uitzoeken en vormgeven’, zei ik stoer.

En dan is daar Colin die zegt: ‘ik ben feminist en ik wil meedoen als feminist’. Dat voelt toch wat ongemakkelijk. Hij heeft geen vrouwenlichaam en staat dus niet in een geschiedenis waarin vrouwen beknot en beperkt worden vanwege hun lichaam. Die geschiedenis kan hij zich niet toe-eigenen. Maar wil hij dat eigenlijk wel? En bedoel ik nu te zeggen dat een ‘echte’ feminist in ieder geval een vrouw moet zijn? Dat zou nogal inconsequent zijn: dan bepaal ik dus wat feminisme is, waarmee ik recht tegen mijn eigen geloofsbrieven in ga.

Op dat moment schoot me een bericht van vorige zomer te binnen waar ik destijds erg vrolijk van werd. Het betrof een actie van jonge Iraanse mannen. Uit solidariteit met vrouwen die op straat verplicht een hoofddoek moeten dragen, postten ze onder de hashtag #MenInHijab foto’s van zichzelf met een charmante hoofddoek om. Het zag er snoezig uit. En ik zag er persoonlijk de logica wel van in. Ook mannenhaar kan heel verleidelijk zijn, moellahs! Verbergen, die kuiven – met het oog op de goede zeden.

‘Stel nu’, dacht ik, ‘dat ook ik een hoofddoek om zou slaan uit solidariteit met mijn onderdrukte zusters in islamitische landen. Wat zou ik daarmee doen?’ In de vorige eeuw had ik dit vermoedelijk een geniale strategie gevonden. Nu komt dat idee me vooral aanmatigend voor. Niet omdat ik een hoofddoek eigenlijk wel cool vind; ik vind ze ongemakkelijk en wantrouw waar ze voor staan. Maar omdat ik geen intieme ervaring met hoofddoeken heb. En dat maakt alles uit. Door activistisch een hoofddoek te dragen, eigen ik me een strijd toe die de mijne niet is – en dat bovendien zonder zelf enig risico te lopen. Ik treed een arena binnen die ik niet ken en ga daar betweterig lopen doen. En zodra de grond me te heet onder de voeten wordt, kan ik gewoon wegpiepen. Het zou anders zijn als een intieme vriendin zich bekneld voelde door haar hoofddoek. Dan zou zo’n actie zin kunnen hebben, want dan was er een persoonlijke band en maakten we deel uit van elkaars leefwereld. Maar zo’n vriendin heb ik niet.

Dan die Iraanse mannen. Zij zijn in het dagelijks leven verbonden met de vrouwen die tegen hun zin een hoofddoek moeten dragen. Vermoedelijk nemen ze risico’s door zichtbaar de draak te steken met de voorschriften van de patriarchen, en het lijkt me zonneklaar dat zij hun Iraanse vriendinnen een hart onder de riem steken. Dit maakt #MenInHijab voor mij tot een zinvol feministisch gebaar, gericht op het vergroten van vrijheid voor vrouwen.

Colin kan feminist zijn, ook al heeft hij geen vrouwenlichaam. Maar ik blijk bij nader inzien toch een voorwaarde te stellen aan feministen (m/v). Komen ze risicoloos de aandacht op zichzelf vestigen? Of stappen ze de arena binnen vanuit een intieme en doorleefde verbondenheid met vrouwen in de knel? Als Colin acties verzint die de vrije ruimte van zijn moeder, zus, vriendin, dochter vergroten, zou ik zeggen: yes! Dat Colin zelf ook te winnen heeft bij vrijere genderrollen, lijkt me evident – en bovendien geen enkel probleem. Natuurlijk mogen mannen beter worden van het feminisme. Dat is volgens mij altijd de bedoeling geweest.

Principes

Misschien lijd ik aan wijsheid achteraf, maar na meer dan honderd dagen moeizaam informeren wordt het voor mij steeds mysterieuzer waarom Edith Schippers eigenlijk als eerste thema de omgang met migranten op tafel legde. Ze zette daarmee de schijnwerper vol op een kwestie die tot de ideologische identiteit behoort van GroenLinks, de nieuweling te midden van oude bekenden. Nog even los van de inhoud: zo’n nieuwkomer kan dan toch niet anders dan gaan staan voor zijn principes? Een beetje onderhandelaar probeert een win-win-gevoel te creëren, zou je zeggen. Maar het eerste wat Schippers deed, was de meest kwetsbare partij richting gezichtsverlies sturen.

Tja, en nu zitten we met de gebakken peren. Voorlopig komen we niet meer van principes af, voorspel ik. Om tot dat begeerde meerderheidskabinet te komen, zijn D66 en de ChristenUnie gedwongen om de degens te kruisen over het voltooid-leven-thema, op straffe van gezichtsverlies bij hun achterban. Beide partijen hebben teveel geïnvesteerd in de grote idealen die daarbij in het geding zouden zijn om daar nu rekkelijk over te gaan doen.

Eerlijk gezegd heb ik het wel gehad met dat principiële gedoe. Niet dat ik principes onbelangrijk of oninteressant vind, maar deze komen ijl en abstract op mij over. Want over welke onderwerpen hebben we het hier? Over migranten en voltooid leven. Geen kleine kwesties, maar nauwelijks kwesties die zich lenen voor regeringsbeleid. GroenLinks moest zich stuk vechten op een vraagstuk waar Nederland bijna niets over te zeggen heeft. En wat de voltooid-leven-discussie betreft: kiest u maar. Bent u voor autonomie of voor een zorgzame samenleving? D66 en de ChristenUnie moeten elkaar over deze schijntegenstelling in de haren vliegen.

Het probleem is dat principes worden uitgevochten op basis van extreme voorbeelden. Casussen worden niet belicht omdat ze de realiteit het beste vertegenwoordigen, maar omdat de lievelingsprincipes er zo lekker op toepasbaar zijn. Pleidooien over heroïsche politieke vluchtelingen worden gepareerd met verhalen over uitgekookte economische migranten. Heldere bejaarden die besluiten dat het genoeg is geweest, worden uitgespeeld tegen subassertieve ouderen die wegkwijnen in een verpleeghuis. Dit soort discussies leidt nergens toe omdat de patstelling al is ingebouwd. Het erge is dat mensen ondertussen tot abstracties worden gemaakt.

Voor echte doorbraken kun je beter kijken naar praktijken die in het wild aan het ontstaan zijn. Zo meldde deze krant onlangs dat burgemeester Heijmans uit Weert (‘SuperJos’) de landelijke regels trotseert en liever per migrant kijkt wat de beste aanpak is. Natuurlijk hoop je dat SuperJos zich daarbij ophoudt binnen de kaders van de wet. Maar je gunt hem ook dat die kaders niet te nauw zijn, en de regels niet te gedetailleerd. Zodat hij als verantwoordelijke tenminste iets kan doen met wat hij aantreft. Dat was in feite ook de portee van het advies van de commissie-Schnabel over voltooid leven. Volgens die commissie is een verdere explicitering van de euthanasiewet onverstandig. Vrij vertaald: loop praktijkmensen niet voor de voeten met jouw principes, maar laat hen de ruimte om naar bevind van zaken te handelen.

Hier een dagdroom: stel dat Schippers op dag één van de onderhandelingen de vergroening van de economie had aangesneden. Dat is nog eens een win-win-dossier! Hier zijn schuttersputjes nog niet gegraven en hadden ondernemers en milieuactivisten elkaar spannend en zinvol kunnen aanvullen. Een historische doorbraak lag in het verschiet – en nog wel op een cruciaal en fundamenteel onderwerp! In de roes daarna zouden de ijzeren principethema’s vermoedelijk opeens oude politiek hebben geleken. Leuke bijkomstigheid: groene economie is ongeveer het enige thema dat die zelfgenoegzame Buma uit de comfortzone zou hebben gedwongen.

Helaas, de realiteit is dat de formatie hapert vanwege non-discussies over starre principes. Hoe heeft juist de pragmatische VVD het zo ver kunnen laten komen? Ik denk dat dit, ironisch genoeg, komt doordat de VVD zo weinig gevoel heeft voor principes. De partij weet niet wat het is om aan hoogteziekte te lijden. Rutte schijnt echt verbijsterd te zijn geweest over de bezwaren van GroenLinks tegen de migratiedeal. ‘Zo’n klein dingetje, hier hadden we binnen tien minuten uit moeten zijn’, verzuchtte Rutte volgens NRC Handelsblad. Niet dus. Lekker dan.

Persoonlijk worden

Vroeger had je het roddelblad Intiem. Dat tijdschrift, vergelijkbaar met het huidige Privé, bracht verhalen over BN’ers, buitenlandse sterren, koningen en prinsessen. Ze bleken verliefd te worden, kinderen te krijgen, te trouwen, aan overspel te doen, af en toe ziek, verdrietig of gelukkig te zijn. In feite kreeg je kreeg op keer te lezen hoe gewoon deze bijzondere mensen eigenlijk zijn. Ja, de koning gaat ook naar de wc!

De namen van die tijdschriften zijn goed gekozen, want Intiem is dat wat zich afspeelt in de Privésfeer. Daar eet, vrij, slaap en droom je, daar trakteer je jouw intimi op jouw ongefilterde, banale, chagrijnige of uitbundige zelf. Niets bijzonders.

Zodra je het publieke domein betreedt, verlaat je die intieme ruimte en stel je je bloot aan de blik van onbekende anderen. Dat is een vreemde beweging. Je weet dat je daar wat aanricht, je weet ook dat je beoordeeld wordt, en bent dus niet onbevangen in wat je van jezelf laat zien. Je toont jezelf, maar niet in je rauwe vorm. Ik zie dat niet als toedekken. Het is eerder een proces van selecteren en stileren. En dan maar hopen dat je overkomt.

Dat gaat niet altijd goed. In mijn laatste column schreef ik over Ivanka en Melania Trump, en hoe ze mij aan stijve barbies deden denken. Ik heb nog nooit zoveel reacties op een column gehad. De GeenStijl-clan kreeg er lucht van en vindt inmiddels iets van mij: ik ben ziekelijk jaloers, zuur, lelijk, dikkig, en (oh nee!) een feminist. ‘Het is niet persoonlijk bedoeld’, zei ik sussend tegen mezelf. ‘Deze mensen slaan aan op hun steekwoorden. Het gaat hen niet om jou, ze willen onderling bonden.’ Die reacties zijn in hun vlooiende herhaling van steeds dezelfde frasen inderdaad eerder gericht op elkaar dan op mij. Maar ondertussen. De tweets zijn misschien niet persoonlijk; ze gaan nauwelijks in op wat ik vind en waar ik voor sta. Maar ze zijn wel intiem, gericht op wat ik ben. En ze raken me wel degelijk – niet eens zozeer vanwege de inhoud, maar puur vanwege die bedoeling.

‘Stijl is de afstand van de schrijver tot zijn gevoel’, zei Arnon Grunberg ooit. Ik vind dat een prachtige uitspraak, die wijder reikt dan schrijven alleen. Ja, zo is het: stijl veronderstelt dat je even niet direct met jezelf samenvalt. Het gaat er niet om je gevoel te ontkennen, maar om er goed naar te kijken zodat je beter kunt duiden wat je nu eigenlijk raakt. Vervolgens kun je dat gevoel van jou lekker privé houden, of zoeken hoe je het tot expressie wil brengen. En precies in die zoektocht word je persoonlijk. Gevoelens hebben we allemaal; in feite hebben we ook goeddeels dezelfde gevoelens, zo valt te leren uit de roddelbladen. Juist daarom zijn gevoelens, hoe intiem en gebonden aan je lichaam ze ook zijn, niet persoonlijk. Nog niet. Persoonlijk worden ze pas door de manier waarop juist jij ze naar buiten brengt. Door hoe jij jezelf vormgeeft. Pas in de openbaarheid toont zich je persoonlijke stijl.

GeenStijl wil uitdrukkelijk geen stijl hebben. Stijl vindt men daar maar gekunsteld gedoe. De mores is om direct, fris van de lever en ongeremd te zeggen wat je denkt en voelt. Het achterliggende idee lijkt te zijn dat er iets interessants verloren gaat of onderdrukt wordt door even te kijken naar wat je gevoel nou eigenlijk voorstelt. Alsof jezelf bewerken en stileren een vorm is van zelfcensuur. Maar dat is een romantische misvatting. Het is juist nogal onpersoonlijk en daarmee oninteressant om onbemiddeld te tonen wat er in je leeft. Poepen doen we allemaal. Je wordt pas interessant door wat je doet met je shit.

Zo eist GeenStijl een rol op in het publieke domein zonder de moeite te doen die hoort bij openbaarheid. Dat is de moeite van het schiften, van het stileren, van de zelfreflectie – kortom, van het waarlijk persoonlijk worden. Vandaar natuurlijk die vele rare aliassen waar gelieerde twitteraars zich van bedienen: die mensen willen zich wel manifesteren, maar niet persoonlijk aangesproken worden. GeenStijl gaat daarmee niet over expressie. De site trekt mensen aan die vanuit hun privéwereldje pijlen schieten richting de openbaarheid zonder zichzelf te laten zien. Inderdaad behoorlijk stijlloos.