Griezelig transparant

In het Wassenaarse Museum Voorlinden zijn vijf enorme glazen cilinders van de Amerikaanse kunstenares Roni Horn te zien. De manshoge sculpturen in tere poederkleuren wegen zo’n vijfduizend kilo elk. Daar staan ze, in al hun massieve transparantie. Het lijkt wel alsof ze een spookachtig licht afgeven. Je kunt eromheen lopen en er van bovenaf net op kijken. Maar je krijgt geen vat op ze. Je blik glibbert ervan af.

‘Ik vind die dingen eng’, hoor ik een kind in het museum tegen haar moeder zeggen. En dat kan ik me voorstellen. De sculpturen zijn onontkoombaar, maar ze hebben geen kern. Je ziet één overweldigende klont plasma, zonder te weten wat zich met dit spul voedt. De kunstenares vertelt dat mensen van haar willen weten wat er in die cilinders zit. ‘Niets’, zegt ze dan. En juist dat verontrust de vragers. Horn vindt die reactie interessant. ‘Transparantie is niet zo transparant als je denkt’, concludeert ze.

Zodra er iets misgaat – of het nu een schimmige politieke deal is, een ondoorzichtige factuur, of een schooladvies dat slecht valt – klinkt de boze roep om meer transparantie. Geschrokken managers reageren door de processen die zij beheren nog uitvoeriger te (laten) documenteren. Hun vakmensen zuchten vervolgens onder de enorme administratielast die dit met zich meebrengt. Huisartsen zijn een idioot groot deel van hun tijd kwijt met het bijhouden van dossiers. Docenten worden gek van het feit dat hun beoordelingen soms al door twee collega’s moet worden gecontroleerd. En verzorgenden moeten zo ongeveer per vijf minuten registreren wat ze aan het doen zijn.

Transparantie is een bureaucratische deugd. Ik bedoel dit niet ironisch – het is echt een deugd. Als processen niet toegankelijk worden gemaakt, kan een samenleving ook niet garanderen dat mensen in gelijke situaties gelijk behandeld worden. Dat democratisch grondprincipe mag wat mij betreft wel wat werktijd kosten. Maar daarmee ben je er nog niet. Willen al die dossiers, notulen en Excelsheets betekenisvol zijn, dan moeten die je ook enige grip bieden. Als niet duidelijk is welk doel die administratie dient, maakt informatie je alleen maar murw.

De schrille roep om transparantie begrijpt zichzelf niet goed. Waar we volgens mij naar verlangen, is niet zozeer transparantie, als wel leesbaarheid. Dat woord leen ik uit De nieuwe politiek van Europa, het flitsende boek van politiek filosoof Luuk van Middelaar over het reilen en zeilen van de Europese Unie. Over de Europese bureaucreatie wordt zoals bekend enorm geklaagd en ook hier zou meer transparantie de remedie zijn. Maar Van Middelaar merkt op dat er wat dat betreft eigenlijk niet veel op de Unie aan te merken valt. Procedures zijn uitvoerig geboekstaafd, vergaderingen nauwkeurig genotuleerd, en wie tijd en geld heeft kan het allemaal vinden. Maar dat haalt het onbehagen niet weg. ‘Zicht op een kluwen spelers helpt niet te bepalen wie van hen verantwoordelijk is’, merkt Van Middelaar op. En daar draait het natuurlijk om: wie kan je aanspreken, en waarop, en op basis van welke principes? Je kunt bakken met informatie over je uitgestort krijgen zonder dat dit ook maar enigszins duidelijk wordt. Transparantie en ongrijpbaarheid kunnen heel goed samengaan.

Transparantie is een deugd die niets voorstelt als zij niet gepaard gaat met leiderschapskwaliteiten zoals richting geven, durven zeggen wat relevant is (en vooral ook wat niet), en daarop aanspreekbaar zijn. Waar dat niet gebeurt, waar bestuurders alle details bij je dumpen omdat ze het zelf niet aandurven om te ordenen en te schiften en zo te tonen waar ze voor staan, daar zal de bureaucratie zich doldraaien. Zo’n onleesbare situatie zal leiden tot een luide, maar ongerichte roep om transparantie. Karakterloze bestuurders zullen daarop reageren door steeds meer bureaucratie te organiseren. De informatie die dit oplevert, zetten zij wellicht op de website – ‘Kijk ons eens transparant zijn!’ – maar als daar geen leeswijzer bij komt, krijgen de ontevredenen nog steeds geen grip op wat er gebeurt. Zij zullen hun frustratie vertalen in een nog sterkere roep om transparantie. Enzovoort.

Een maatschappij die de eigen behoefte achter een buzzzword zo verkeerd begrijpt, roept onbedoeld een transparante moloch zonder enige pit of kern in het leven. Een groot griezelig ding dat flink in de weg staat in de publieke ruimte. Dus weet waar je om vraagt.

De grenzen aan solidariteit

Beste Arnon,

Ik gloei nog een beetje na omdat je mij citeerde in je Voetnoot van vorige week zaterdag. In een kort pleidooi had ik een lans gebroken voor broederschap als grondslag voor de democratie. Daarmee streek ik je tegen de krullen in. “We moeten snappen dat we een ‘wij’ zijn”, vatte je mijn standpunt samen. Jij hebt moeite met ‘wij’. “Een ‘wij’ creëert automatisch een zij, dikwijls een vijand”, schreef je.

Jij staat op de absolute topplek in de krant, Arnon. Maar ik heb meer ruimte, en daar ga ik lekker gebruik van maken. In één ding geef ik je meteen gelijk: er is geen ‘wij’ zonder ‘zij’. Het heeft geen enkele zin om een groep te onderscheiden als er niks is waarvan hij te onderscheiden valt. Welnu: ‘wij’, dat zijn ik en mijn broeders. ‘Zij’, dat zijn die andere mensen. De politieke hamvraag is waar ‘wij’ ophoudt en ‘zij’ begint.

‘Alle mensen worden broeders’, juicht het Europese volkslied. De Europese Unie vertelt op haar website waarom het zo goed past bij Europa: “Het verwoordt het ideaal van een wereld waarin alle mensen als broeders leven.” Tja. Dat ideaal stamt uit de roezige jaren aan het einde van de achttiende eeuw, toen de Franse Revolutie in de maak was en de grote Immanuel Kant zijn universele ethiek formuleerde, die oproept om alle mensen, onverkort en los van hun eventuele band met jou, te behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Het is ook de tijd dat Friedrich Schiller zijn Ode an die Freude schreef, die de officiële tekst werd van dat fragment uit de Negende Symfonie. En daarmee dus van ons volkslied.

Ons volkslied? ‘Droom maar door’, denk ik dan. Want welk volkslied moeten de kindertjes ook alweer zingen van Buma? Inderdaad, het Nederlandse – juist om onze (onze?) identiteit helder uit te dragen tegenover al die andere volkeren. Dat ‘ons’ is kennelijk zo vloeibaar als wat.

‘Alle mensen worden broeders’, dichtte Schiller. Maar daar stopt zijn gedicht niet. In de volgende strofe voegt hij een conditie toe: ‘Wo dein sanfter Flügel weilt’, meestal vertaald met: ‘waar jouw zachte vleugel zich welft’. Beetje vreemd beeld wel, maar interessant is die ‘jouw’. Die verwijst naar de vreugde waaraan de ode is gericht. Met andere woorden: waar vreugde is, is verbroedering. En ja, dat zie ik wel voor me. Blije mensen zijn gul, die openen hun armen. Als je blij bent, mag iedereen meedoen. Maar op dit moment zijn veel Europeanen helemaal niet zo blij, en met die broederschap wil het (dus) ook niet erg vlotten.

‘Welke groep moet zich solidair betonen met welke andere groep, tot op welke hoogte, en waarom?’, vroeg de Britse essayist Tony Judt ooit. Voor mij is dat de cruciale politieke vraag. Ieder mens verdient een menswaardige behandeling, dat is het kale minimum. Maar daaruit volgt niet dat je ieder mens evenveel verschuldigd bent. Mensen die bij jouw groep horen, je broeders dus, kunnen meer aanspraak maken op jouw solidariteit dan vreemden.

‘Politics is a function of space’, schreef Judt ook. Een prachtig, intrigerend zinnetje vind ik dat. Politiek is gebonden aan ruimte. Je bent burger in het land waar je officieel woont. Met je landgenoten vorm je een ‘wij’. Dat zijn je broeders, met hen vul je de pot en formuleer je aanspraken op elkaar. Natuurlijk, wat er op de Middellandse Zee gebeurt is mensonwaardig dus daar moet een einde aan komen. Maar ik hoef migranten niet als broeders te zien. We hebben nog geen lief en leed gedeeld. We hebben nog niets samen opgebouwd. We zijn nog niet gebonden aan dezelfde ruimte.

Ik heb broertjes waar ik niet blij mee ben. Die Nederlandse Leeuwen bijvoorbeeld, die vorige week in Rijswijk bij elkaar kwamen. Ze doen stoer, maar ik ken ze: ik voel dat ze gestrest zijn. Ze zijn zeker niet blij genoeg om vreemden aan tafel uit te nodigen. Eigenlijk vind ik ze stikverwend, Arnon, en ik houd ze scherp in de gaten. Maar dwing hen niet om de groep groter te maken dan die is, want dan gaan ze muiten. Misschien zijn ze dat al aan het doen. En dan kunnen we die ode aan de vreugde al helemaal mooi vergeten.

Hartelijke groet, Marjan Slob

Duikelaar

Tien dagen geleden stonden de kranten nog vol van Camiel Eurlings; nu lijkt de ophef over hem alweer passé. Zie hier het gruwelijke lot van een publieke persoon: je doet er even heel erg toe, en dan opeens helemaal niet meer. Amai, blijf daar maar eens geestelijk gezond bij!

Ik wil op deze plek nog even op Eurlings terugkomen. Niet om nog een steen te gooien naar een man die al met bebloede kop is neergezegen. Maar om beter te begrijpen wat er nu eigenlijk is gebeurd. Waarom moest Eurlings precies weg? Wat pikt het volk uiteindelijk niet van een openbaar bestuurder?

De feiten zijn bekend: Eurlings sloeg zijn toenmalige vriendin, draaide daar lang omheen, en toen hij uiteindelijk met de billen bloot ging in NRC Handelsblad bleef de indruk hangen dat hij het vooral heel zielig vond voor zichzelf dat dit hem nu allemaal moest overkomen. Zijn publieke ‘biecht’ leek niet voort te komen uit de gevoelde innerlijke noodzaak om schoon schip te maken, maar uit de wens om zijn hachje te redden. En dat nemen we hem kennelijk enorm kwalijk. Met dat interview pleegde Eurlings zelfmoord als publiek personage, omdat hij zichzelf liet kennen als iemand die niet bijster integer is.

Je kunt je mond vol hebben over integriteit zonder duidelijk te maken wat je daarmee bedoelt. Zo iemand wil ik natuurlijk niet zijn. Maar het valt nog niet mee om te zeggen wat integriteit nu eigenlijk behelst. Etymologisch gezien verwijst het begrip naar gaafheid en heelheid; moreel vertaald zou je dus kunnen zeggen dat een integer mens ‘uit één stuk’ bestaat. Maar sinds Freud weten we dat mensen zo simpel niet zijn. Binnen in ons kakelen vele stemmen.

Zo bezien is Eurlings zelfs een tikkeltje té integer. De interviewer van de NRC, sportverslaggever Henk Stouwdam, noteerde dat de biecht van Eurlings ‘oprecht’ leek en ‘diep van binnen leek te komen’. Dat Stouwdam hier het sentimentele vocabulaire van de sportverslaggever gebruikt, maakt zijn observaties nog niet per se onwaar. Misschien geloofde Eurlings inderdaad oprecht in wat hij vertelde. Het zou me eigenlijk niet verbazen. Wie zichzelf nauwelijks observeert, stuit ook niet op innerlijke tegenstrijdigheden en problemen. En kan dus hartstochtelijk en oprecht geloven in een glad imago van zichzelf en zijn plek in de wereld. Oprechtheid en zelfingenomenheid gaan vaak opvallend goed samen.

Als integriteit in de kern niet draait om eenduidigheid, noch om oprechtheid, om wat dan wel? Peinzend over die vraag zie ik opeens een duikelaartje voor me, zo’n speelgoedclown die na een oplawaai alle kanten uitschiet om uiteindelijk toch altijd weer rechtop te eindigen. Dat is lachen voor kleuters – en misschien ook hun eerste onderricht in publieke moraal. Want goede politici, bestuurders of beslissers moeten een beetje een duikelaar zijn. Zij moeten flexibel meebuigen met wat de wereld brengt. Dat kan eruit zien als zwabberen, maar als zij echt goed zijn, blijven ze uiteindelijk altijd overeind. Niet omdat ze ‘mensen-uit-één-stuk’ zijn, maar omdat hun overtuigingen hen innerlijk gewicht en daarmee stabiliteit geven.

Dat steeds weer terugveren naar een diep ingedaalde morele basishouding is wat je hoopt en verlangt van goede bestuurders. Zij staan immers voor de pittige taak om de toekomst vorm te geven. Zij zullen moeten laveren tussen gebeurtenissen die niemand had voorzien. Innerlijke zwaarte maakt hen dan toch betrouwbaar. Ik denk dat we dat bedoelen met integriteit: de kwaliteit om steeds terug te keren naar je eigen zwaartepunt. Angela Merkel is voor mij zo iemand. En Eurlings? Die is door het volk gewoon te licht bevonden. Het was te onduidelijk waaraan hij nu eigenlijk trouw is.

Eurlings is vervlogen, verleden tijd. Maar de omgeving waarin hij kon gedijen bestaat nog volop. En dat maakt dat het nog steeds zin heeft om het over Eurlings te hebben. Bij de KLM viel hij als topman al snel door de mand. Je kunt zeggen wat je wilt van bedrijven, maar ze hebben meestal heel goed in de smiezen dat een diepgevoelde missie essentieel is voor je integriteit als onderneming. Datzelfde is niet te zeggen van het CDA. Daar vierde Eurlings jarenlang triomfen als de gouden jongen. Waarom is er in die kringen zo klakkeloos achter Eurlings aangelopen? Wat zegt dat eigenlijk over hun integriteit?

Zwarte humor

Bij de oproep in deze krant om je stem uit te brengen op de beste film van het jaar stond een still uit Get Out!, het debuut van schrijver en regisseur Jordan Peele. Ik weet niet of dit een verkapt stemadvies is van de redactie, maar Get Out! is mij inderdaad het meeste bijgebleven. In die film gaat hoofdpersoon Chris voor het eerst de ouders van zijn vriendin te ontmoeten, die ergens in een sjiek huis in de bossen van New England wonen. ‘Weten ze eigenlijk wel dat ik zwart ben?’, vraagt Chris haar. Vriendin vond het niet nodig om haar ouders over zijn huidskleur in te lichten, omdat haar ouders ‘echt heel vrijzinnig’ zijn. Ter plekke verzeilt Chris in allerlei gênante sociale situaties, want zijn huidskleur doet er natuurlijk wel degelijk toe.

Al snel wordt het daar in die bossen zelfs ronduit gevaarlijk voor Chris. Ik zal niet teveel verklappen, maar tegen het einde van de film staat Chris te bibberen te midden van de lijken van zijn belagers. Dan komt er met gillende sirene een politieauto aanscheuren. ‘Oh shit, nu ben ik alsnog de pineut’, zie je Chris denken. Nooit eerder kwam bij mij zo indringend binnen hoe de wereld voelt als je weet dat de politie jou eerst en vooral argwanend beziet.

Get out! speelt op een grappige en slimme manier met raciale vooroordelen; niet alleen die van witte mensen over zwarte mensen, maar ook met die van zwarte mensen over witte. Want de film is ook te zien als een verbeelding van de angst van Chris dat blanken hem zullen leegzuigen. ‘Get out!’ is wat zwarte Amerikanen elkaar schijnen te adviseren als ze in een witte omgeving verzeild raken.

In het werk van de Amerikaanse blogger Samantha Irby stuitte ik op een opvallende parallel. Irby is vrouw, zwart, lesbisch, dik en chronisch ziek. Het klinkt als een foute grap, maar het mooie is dat Irby die kwalificaties met haar présence op spetterende wijze overstijgt. Enfin: Irby verhaalt hoe ze haar (witte) minnares Mavis wil opzoeken in een afgelegen huisje in het bos. Een wit persoon die een zwart persoon overtuigt om op een afgelegen plek een weekendje gezellige ‘witte-mensen-dingen’ te gaan doen: dat is de plot van een horrorfilm, constateert ook Irby. Voordat je als kijker zelfs maar aan je popcorn hebt kunnen beginnen, is die zwarte persoon gewoonlijk al dood, weet ze. Maar ja, de liefde hè. Irby tikt haar bestemming in op haar I-phone, waarop Siri zucht: ‘Bitch, weet je het wel zeker? Er zijn daar in de wijde omtrek geen zwarte mensen te bekennen.’ Vertel me nou maar hoe ik er kom, reageert Irby, waarop Siri nog één keer waarschuwt: ‘Als er in die regio de komende drie dagen ook maar iets zoekraakt, ga jij met je zwarte kont naar de gevangenis.’

Ik leer van Peele en Irby. Ze laten me iets ervaren dat ik vanwege mijn uiterlijk zelf niet zomaar meemaak. En ik wil het meemaken omdat ze hun verhaal goed, grappig, en met zelfspot brengen. Even vond ik dat verdacht van mezelf. Kan ik soms pas ontspannen en me inleven als zwarte mensen grappig zijn? Is dat geen manier om zwarte mensen ongevaarlijk te maken – en daarmee een soort racisme?

Het is maar hoe je humor beziet, dacht ik daarop. Zoals Sylvana Simons zei toen ze afgelopen week radiomaker Giel Beelen roosterde: ‘Humor is geen aflaat’. Niemand kan zich achter een slechte grap verschuilen. Een goede grap daarentegen kan serieuze en pijnlijke kwesties in een ongekend scherp licht zetten. Je krijgt iets ingepeperd. En toch brengt zo’n grap ook ontspanning. Ik denk dat dit is omdat een goede grap ook altijd raakt aan het belachelijke van de menselijke soort. Een goede grap is spits, maar laat tegelijk zien hoe wij allemaal de gevangenen zijn van de botte vuistregels waarmee mensen zich door het leven heen modderen – inclusief de grappenmaker zelf. Vanuit die erkenning is het gemakkelijker luisteren, en inleven. Goede humor is een poort naar medemenselijkheid.

Medemenselijkheid verloopt dus niet alleen via de weg van het lijden, dacht ik toen ook nog. Humor is ook een route. En dat vind ik nou een verkwikkende kerstgedachte.

Thierry Baudet en de laatste mens

Sinds het partijcongres van het Forum voor Democratie vorig weekend heel wat meer belangstellenden trok dan de conferenties van de regeringspartijen, raken de media niet uitgepraat over Thierry Baudet. En wat ergerlijker is: ook mijn eigen gedachten keren steeds naar hem terug. Baudet is dan ook een intrigerende figuur. In een groot interview in NRC Handelsblad refereert hij aan de apocalyptische toestand van de Europese beschaving. Het Avondland heeft dringend een redder nodig – en nou ja, dat moet Baudet dan maar zijn. En volgens Volkskrant-verslaggever Ariejan Korteweg had Baudet tijdens zijn RAI-congres de mond vol van Rilke, Baudelaire en Puccini.

Nietzsche ontbreekt in dit rijtje negentiende-eeuwse mannen, terwijl dit toch eigenlijk de meest voor de hand liggende referentie voor hem is. Nietzsche fulmineerde tegen ‘de laatste mens’, een apathisch wezen zonder veel passie of toewijding dat met zijn weke sentimenten de beschaving dreigt te verstikken. Echte mannen willen wel voorwaarts, maar die verachtelijke laatste mensen hebben helaas de macht van het getal en frustreren daarmee de drieste dadendrang der zieners.

Ik denk dat afkeer van de laatste mens de ware kern is van Baudets succes. En die afkeer snap ik eigenlijk wel. Nederland is een oud en bang land aan het worden – in demografisch en daarmee onvermijdelijk ook in psychologisch opzicht. Angst is de dominante politieke emotie. Het beleid van onze bestuurders is dan ook gericht op pamperen, temmen, veilig maken. Het doel lijkt louter defensief: verval tegengaan. Dit is de mentaliteit van oudere mensen die hun krachten voelen afnemen en eerst en vooral geen risico willen lopen. Die willen genieten in plaats van vernieuwen. Ik vind dat zelf al verstikkend, terwijl ik in tegenstelling tot Baudet allang niet jong meer ben. Het enige wat je als jongeling in dit land toch kan denken is: ‘arghhh!’

Het lijkt misschien ongerijmd dat Baudet in zijn jeugdige geldingsdrang teruggrijpt op vroeger, op een gedroomd tijdperk van romantische dandy’s. Maar dat is een veel te logische tegenwerping, en van logica moet Baudet het niet hebben. Je kunt hem proberen te vangen op zijn woorden – en dat zal je wel lukken – maar dat raakt hem niet, want zijn overtuigingskracht ligt elders.

Volgens Aristoteles is een publiek te overtuigen via ethos (moraal), logos (argumenten) of pathos (emoties). Baudet heeft niet zoveel met moraal; er moet natuurlijk wel wat in de etalage staan, maar zijn idealen zijn feitelijk eerder esthetisch dan ethisch. Zijn argumenten zijn ook niet veel soeps; die zijn vooral suggestief en missen iedere precisie. Baudets aantrekkingskracht ligt op een ander vlak: dat van het pathos. Stijl en toon zijn bij hem vele malen belangrijker dan inhoud. ‘Het gaat niet om wat je zegt’, zegt Baudet onverbloemd in het eerder genoemde interview in NRC Handelsblad. Baudet is de bal die de oude garde dolt. Zijn achterban vindt dat leuk.

En vlak zijn lichamelijkheid niet uit. Baudet blaakt. Hij zit goed in zijn lichaam. Daardoor springt hij in het oog, en dat is een groot voordeel als redenaar. Baudet is veel elektrischer dan Klaver, veel meer ook dan Wilders, die beiden lichamelijk een stuk weker overkomen. In zijn fysieke uitwerking lijkt hij nog het meest op Fortuyn. Elke keer merk ik zelf weer tot mijn eigen onbehagen hoe Baudet mijn blik trekt, haast nog voordat ik hem bewust heb herkend. Om misverstanden te voorkomen: veel eros bespeur ik niet in Baudet. Eros veronderstelt een behoefte, een verlangen uit te reiken naar een ander waardoor er onbeheersbare dingen tussen mensen gaan stromen. Voor een erotische uitstraling komt Baudet veel te zelfvoldaan over. Onder zijn huid is geen plek meer. Daar zit hij lekker zelf al.

Consistent is Baudet vooral in zijn grote afkeer van gevestigde politieke partijen en hun vergadercultuur. Deels is dat vermoedelijk omdat hij zelf meer redenaar dan vergaderaar is. Maar zijn systeemkritiek is raak. Onze politieke cultuur is vermoeid en defensief. Bestuurders praten inderdaad vaak ‘met meel in de mond’, zoals hij in het NRC-interview zegt. Zij denken nog dat politiek draait om woorden. Maar het gaat ook, en misschien wel vooral, om energieën. Baudet is een vurige jonge man in een land vol uitgebluste ouderen. Als er iets aantrekkelijk aan hem is, dan is het dat.

Pikorde

Wasiu Karimu zit in de stadsbus van Lagos. Als de vrouw naast hem opstaat, stoot ze Wasiu aan, waarop hij meteen een vreemd leeg gevoel van binnen krijgt. Wasiu controleert zijn broek, en ja hoor: zijn penis wordt kleiner en kleiner en staat welbeschouwd op het punt van verdwijnen. ‘Die vrouw steelt mijn penis!’, schreeuwt Wasiu. Zodra de vrouw de dreigende blikken van de andere passagiers ziet, geeft ze Wasiu vlug zijn penis terug.

In zijn essay in Harper’s Magazine probeert Frank Bures dieper door te dringen in het fenomeen van de Nigeriaanse penisdieven. Ergens halverwege de jaren zeventig rapporteerden Nigerianen voor het eerst massaal hoe hun penis plotsklaps verschrompelde in hun broek. De epidemie luwde, maar leefde weer op in de jaren negentig toen je in de straten van Lagos schichtige mannen kon waarnemen die hun handen beschermend voor hun kruis hielden. Die voorzorgsmaatregel hielp niet altijd. Soms ging een dief er toch met de penis vandoor, waarop een woedende horde de achtervolging inzette. Tientallen vermeende penisdieven zijn zo gelyncht.

Met #MeToo hebben wij onze eigen epidemie die al een tijdje door het land raast. Net als in Nigeria valt vooral de enorme anxiety op, de angstige nervositeit die zomaar kan omslaan in agressie. Nu in onze contreien eindelijk lijkt door te dringen hoe structureel seksuele intimidatie is, blijkt het hek van de dam; geen man is meer veilig voor aantijgingen van vermeend misbruik van soms decennia her. Wat Wilma de Rek afgelopen week in een mooi opiniestuk deed verzuchten: ‘Je mag het natuurlijk niet zeggen maar zijn de daders in deze #MeToo-dagen niet ook slachtoffers? Niet zozeer omdat hun naam voor eeuwig besmeurd is, maar wel omdat ze net zozeer als de slachtoffers het product zijn van hun tijd en hun omgeving?’

Verbijsterde westerse psychiaters deden de Nigeriaanse penisdiefstallen af als ‘etnische hysterie’ of ‘exotische psychose’, maar dat vindt Bures te gemakkelijk, te denigrerend. Hij ziet het fenomeen als product van de West-Afrikaanse cultuur; deze epidemie komt volgens hem voort uit het sociale weefsel van die specifieke samenleving. ‘Elke cultuur kent zijn eigen logica, zijn eigen aannames, zijn eigen stress’, merkt hij op. Wat mij tot de volgende vraag brengt: wat zou een – zeg – Tibetaanse psychiater waarnemen die zich over het #MeToo debat boog? Vermoedelijk precies wat wij menen te ontwaren in Nigeria: anxiety. En een grote onzekerheid omtrent de status van de penis.

Het is een soort kosmische wet: waar het recht geen beloop krijgt, gaat de horde razen. In het geval van seksuele intimidatie kan het recht moeilijk orde op zaken stellen, omdat onwelkome seksuele avances gewoonlijk in de privésfeer plaatsvinden – zonder pottenkijkers erbij dus. Om goede redenen verlangt ons recht naar getuigen die een aanklacht kunnen bevestigen. Maar die eis heeft eeuwenlang, en structureel, in het nadeel gewerkt van vrouwen en jongens die ervoeren dat de officiële hoeder van de privésfeer, de patriarch, vaak ook je belager is. Ze kregen seks opgedrongen en konden geen kant uit, want ze hadden de macht niet en het recht gaf niet thuis.

Nu overschrijden mensen de heilige grens: ze maken wat ‘privé’ en ‘intiem’ was tot onderwerp van publiek gesprek. En dat gaat met een zeker geweld gepaard, want alleen zo is de bestaande orde te doorbreken. Het recht kan maar weinig verzachting brengen, slecht ingericht op dit soort kwesties als het is. Inmiddels lijkt de machtsbalans omgeslagen: de voorheen machtigen zijn op dit moment kwetsbaar en kunnen zich nauwelijks verweren. Sommige mannen worden nu ongetwijfeld disproportioneel hard en meedogenloos aangepakt – symbolisch gelyncht, zeg maar. Dat is akelig, dat is volstrekt ongemakkelijk. Dat is anxiety. Maar ik wil niet terug naar de oude orde.

Mannelijke geilheid heeft geen status aparte meer. Het is gewoon één factor te midden van vele andere – een factor die niet speciaal afgekat hoeft te worden, maar die op zichzelf ook nergens een excuus voor is. Mannelijke geilheid is prima, maar geeft geen recht op privileges. En het is aan de mannen van nu om daar mee te dealen. Een tip voor de in dit opzicht reddeloze Thierry Baudet: ga in de bus nooit naast een vrouw zitten. Voor je het weet is er niets van je over.