Meedoen

Afgelopen donderdag schoof ik aan bij Met het oog op morgen. Het radioprogramma maakt een zomerserie waarin het de stand van het feminismedebat peilt. De redactie bedacht een soort estafettevorm waarin de gast van die avond (ik dus) een vraag formuleert voor de gast van de volgende uitzending. Dat zou Colin van Heezik zijn, de kunstjournalist die onlangs in deze krant liet weten dat hij als man graag wil meedoen met de feministen en daar felle reacties op ontving.

Tja, en daar moest ik nu dus wat mee. Zelf had ik net verteld dat feminisme voor mij eerst en vooral over vrijheid gaat. De vrijheid voor vrouwen om hun eigen leven naar eigen inzicht vorm te geven, los van allerlei verwachtingen over wat een vrouw is of behoort te zijn. ‘Jazeker, ik ben een feminist – maar niemand moet mij vertellen wat een echte feminist is of behoort te zijn. Ook andere feministen niet. Dat wil ik nu juist zelf uitzoeken en vormgeven’, zei ik stoer.

En dan is daar Colin die zegt: ‘ik ben feminist en ik wil meedoen als feminist’. Dat voelt toch wat ongemakkelijk. Hij heeft geen vrouwenlichaam en staat dus niet in een geschiedenis waarin vrouwen beknot en beperkt worden vanwege hun lichaam. Die geschiedenis kan hij zich niet toe-eigenen. Maar wil hij dat eigenlijk wel? En bedoel ik nu te zeggen dat een ‘echte’ feminist in ieder geval een vrouw moet zijn? Dat zou nogal inconsequent zijn: dan bepaal ik dus wat feminisme is, waarmee ik recht tegen mijn eigen geloofsbrieven in ga.

Op dat moment schoot me een bericht van vorige zomer te binnen waar ik destijds erg vrolijk van werd. Het betrof een actie van jonge Iraanse mannen. Uit solidariteit met vrouwen die op straat verplicht een hoofddoek moeten dragen, postten ze onder de hashtag #MenInHijab foto’s van zichzelf met een charmante hoofddoek om. Het zag er snoezig uit. En ik zag er persoonlijk de logica wel van in. Ook mannenhaar kan heel verleidelijk zijn, moellahs! Verbergen, die kuiven – met het oog op de goede zeden.

‘Stel nu’, dacht ik, ‘dat ook ik een hoofddoek om zou slaan uit solidariteit met mijn onderdrukte zusters in islamitische landen. Wat zou ik daarmee doen?’ In de vorige eeuw had ik dit vermoedelijk een geniale strategie gevonden. Nu komt dat idee me vooral aanmatigend voor. Niet omdat ik een hoofddoek eigenlijk wel cool vind; ik vind ze ongemakkelijk en wantrouw waar ze voor staan. Maar omdat ik geen intieme ervaring met hoofddoeken heb. En dat maakt alles uit. Door activistisch een hoofddoek te dragen, eigen ik me een strijd toe die de mijne niet is – en dat bovendien zonder zelf enig risico te lopen. Ik treed een arena binnen die ik niet ken en ga daar betweterig lopen doen. En zodra de grond me te heet onder de voeten wordt, kan ik gewoon wegpiepen. Het zou anders zijn als een intieme vriendin zich bekneld voelde door haar hoofddoek. Dan zou zo’n actie zin kunnen hebben, want dan was er een persoonlijke band en maakten we deel uit van elkaars leefwereld. Maar zo’n vriendin heb ik niet.

Dan die Iraanse mannen. Zij zijn in het dagelijks leven verbonden met de vrouwen die tegen hun zin een hoofddoek moeten dragen. Vermoedelijk nemen ze risico’s door zichtbaar de draak te steken met de voorschriften van de patriarchen, en het lijkt me zonneklaar dat zij hun Iraanse vriendinnen een hart onder de riem steken. Dit maakt #MenInHijab voor mij tot een zinvol feministisch gebaar, gericht op het vergroten van vrijheid voor vrouwen.

Colin kan feminist zijn, ook al heeft hij geen vrouwenlichaam. Maar ik blijk bij nader inzien toch een voorwaarde te stellen aan feministen (m/v). Komen ze risicoloos de aandacht op zichzelf vestigen? Of stappen ze de arena binnen vanuit een intieme en doorleefde verbondenheid met vrouwen in de knel? Als Colin acties verzint die de vrije ruimte van zijn moeder, zus, vriendin, dochter vergroten, zou ik zeggen: yes! Dat Colin zelf ook te winnen heeft bij vrijere genderrollen, lijkt me evident – en bovendien geen enkel probleem. Natuurlijk mogen mannen beter worden van het feminisme. Dat is volgens mij altijd de bedoeling geweest.

Blunderen

‘Macht is het voorrecht om te praten in plaats van te luisteren’, zei Karl Deutsch ooit. Tegenwoordig zie ik dan direct Donald Trump voor me: het prototype van een machtige witte man die niet naar anderen hoeft te luisteren en niet naar zichzelf hoeft te kijken. Dat maakt Trump tegelijk tot een nogal ouderwets personage. Ik ben er althans van overtuigd dat geen enkele eenentwintigste-eeuwer het zich uiteindelijk zal kunnen veroorloven om zijn eigen standpunt normaal en vanzelfsprekend te vinden, louter en alleen omdat het van hem is.

In Trouw van vorige week staat een mooi verhaal over een recent project van kunstenaar en fotograaf Jan Banning, The Sweating Subject. Dat ‘zwetende subject’ is Banning zelf. Hij reisde met zijn camera af naar enkele dorpjes in Ghana en vroeg de plaatselijke stamhoofden om voor hem te poseren. Zelf kroop Banning tussen hen in, zijn tolk drukte op het knopje. Het resultaat: foto’s van trotse, zelfbewuste mensen, die zich duidelijk op hun gemak voelen in elkaars gezelschap – met in hun midden een wit mannetje dat strak en stijf de camera in kijkt.

Banning herhaalt een bekend patroon uit de koloniale fotografie: blanke man trekt de bush in om zwarte mensen te ‘bestuderen’. Maar door één simpele ingreep, door te laten zien dat hij er zelf ook is, als lichaam tussen de lichamen, zet Banning alles op zijn kop. Deze witte man vindt zijn eigen blik niet langer vanzelfsprekend. Deze witte man heeft het voorrecht verloren om te denken dat zijn manier van kijken neutraal is. En brengt vervolgens precies dat in beeld.

The New York Times vond Bannings foto’s prachtig, maar durfde het niet aan om de serie te publiceren, bang als de krant is om beschuldigd te worden van racisme. Dieptreurig vind ik dat. Hier is een man die zichzelf letterlijk te kijk durft te zetten. Durf hem dan ook te laten zien! Als dat tegen iemands zere been is, dan horen we het wel. Dan kunnen we het tenminste ergens over hebben. Je kunt niet van witte mannen verlangen dat ze zichzelf totaal uitvlakken. Je kunt niet van hen eisen dat ze zich verontschuldigen voor hun lichaam. En dat hoeft ook helemaal niet. Je hoeft als witte man alleen maar te snappen dat je niet vanzelf spreekt. Dat ook jij toelichting behoeft.

Ik herinner me een voorval uit de tijd dat ik als student een aantal werkgroepen vrouwenstudies bijwoonde. Een jonge zwarte vrouw nam het woord en verklaarde zich niet helemaal te herkennen in onze maatschappijanalyses, waarin seksisme steevast de machtsverhoudingen bleek te ordenen. Ik schrok; we streden toch samen voor één doel? Als beginnend feminist voelde ik me al kwetsbaar genoeg en ik wilde graag dat de gelederen gesloten bleven. De docent van dienst reageerde door direct allerlei argumenten aan te voeren die moesten aantonen dat sekseverschil toch echt belangrijker, essentiëler, fundamenteler was dan kleurverschil. ‘Waarom vraagt die vrouw niet gewoon naar mijn ervaringen?’, verzuchtte mijn medestudente toen ze naast me neerplofte. Touché, dacht ik. Die opmerking kon ik mezelf ook aantrekken. Voel je niet gelijk aangevallen. Luister nou eerst eens even.

Het publieke debat over racisme is op dit moment totaal overspannen, en vaak vuil en onaangenaam. En toch denk ik: daar moeten we dan maar doorheen. Liever ruziën dan constant op eieren lopen. Je kunt niet verwachten dat mensen zich netjes gedragen als de macht wordt herverdeeld, daarvoor staat er simpelweg teveel op het spel. Bovendien: het is nog niet duidelijk wat het nieuwe netjes is. Alleen in een stabiele samenleving met een heel strikte hiërarchie is het volstrekt duidelijk wat de beleefdheid van je vraagt. In een wereld waarin geen enkel standpunt meer vanzelf spreekt, zullen mensen zich soms onvermijdelijk lomp gedragen. Wij zijn immers nog op zoek naar de nieuwe goede manieren.

In Ghana voelde Banning zich naar eigen zeggen ‘een kluns tussen waardige mannen’. Ik denk dat hij zichzelf daarmee behoorlijk adequaat beschrijft. Op de foto bij het Trouw-artikel zie ik althans een man die zich geen houding weet te geven – en dat pleit voor hem. Een nieuwe houding, dat is precies wat hij aan het uitvinden is. En die zal hij vinden. Juist omdat hij durft te blunderen.

Profiel en werkwijze van de WRR

Wetenschappelijke kennis toegankelijk en relevant maken voor de politiek is een vak apart. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is daar expert in. Wat is het profiel van dit type experts, hoe verandert hun werk, en wat maakt de WRR uitzonderlijk in Nederland en Europa?

Ik vraag het aan mensen van de WRR en aan enkele cruciale ‘kritische vrienden’ van de raad. Op basis van die gesprekken schrijf ik een essay voor de directeur, waarmee hij missie en visie kan concretiseren.

Natuurbeelden

De voorstelling die we hebben van de natuur bepaalt onvermijdelijk (en vaak onbewust) het natuurbeleid. Reden voor het Planbureau voor de Leefomgeving om een dialoog tussen filosofen te organiseren over natuurconcepten en hun betekenis voor het Europese natuurbeleid.

Bruno Latour, Annemarie Mol, Wilhelm Schmid en Roger Scruton gaan met elkaar in debat in Amsterdam. Ik redigeer de (Engelstalige) publicatie met hun essays, schrijf mee aan de in- en uitleiding, en lever intermezzo’s met doorleefde natuurervaringen van enkele Europeanen.