De grenzen aan solidariteit

Beste Arnon,

Ik gloei nog een beetje na omdat je mij citeerde in je Voetnoot van vorige week zaterdag. In een kort pleidooi had ik een lans gebroken voor broederschap als grondslag voor de democratie. Daarmee streek ik je tegen de krullen in. “We moeten snappen dat we een ‘wij’ zijn”, vatte je mijn standpunt samen. Jij hebt moeite met ‘wij’. “Een ‘wij’ creëert automatisch een zij, dikwijls een vijand”, schreef je.

Jij staat op de absolute topplek in de krant, Arnon. Maar ik heb meer ruimte, en daar ga ik lekker gebruik van maken. In één ding geef ik je meteen gelijk: er is geen ‘wij’ zonder ‘zij’. Het heeft geen enkele zin om een groep te onderscheiden als er niks is waarvan hij te onderscheiden valt. Welnu: ‘wij’, dat zijn ik en mijn broeders. ‘Zij’, dat zijn die andere mensen. De politieke hamvraag is waar ‘wij’ ophoudt en ‘zij’ begint.

‘Alle mensen worden broeders’, juicht het Europese volkslied. De Europese Unie vertelt op haar website waarom het zo goed past bij Europa: “Het verwoordt het ideaal van een wereld waarin alle mensen als broeders leven.” Tja. Dat ideaal stamt uit de roezige jaren aan het einde van de achttiende eeuw, toen de Franse Revolutie in de maak was en de grote Immanuel Kant zijn universele ethiek formuleerde, die oproept om alle mensen, onverkort en los van hun eventuele band met jou, te behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Het is ook de tijd dat Friedrich Schiller zijn Ode an die Freude schreef, die de officiële tekst werd van dat fragment uit de Negende Symfonie. En daarmee dus van ons volkslied.

Ons volkslied? ‘Droom maar door’, denk ik dan. Want welk volkslied moeten de kindertjes ook alweer zingen van Buma? Inderdaad, het Nederlandse – juist om onze (onze?) identiteit helder uit te dragen tegenover al die andere volkeren. Dat ‘ons’ is kennelijk zo vloeibaar als wat.

‘Alle mensen worden broeders’, dichtte Schiller. Maar daar stopt zijn gedicht niet. In de volgende strofe voegt hij een conditie toe: ‘Wo dein sanfter Flügel weilt’, meestal vertaald met: ‘waar jouw zachte vleugel zich welft’. Beetje vreemd beeld wel, maar interessant is die ‘jouw’. Die verwijst naar de vreugde waaraan de ode is gericht. Met andere woorden: waar vreugde is, is verbroedering. En ja, dat zie ik wel voor me. Blije mensen zijn gul, die openen hun armen. Als je blij bent, mag iedereen meedoen. Maar op dit moment zijn veel Europeanen helemaal niet zo blij, en met die broederschap wil het (dus) ook niet erg vlotten.

‘Welke groep moet zich solidair betonen met welke andere groep, tot op welke hoogte, en waarom?’, vroeg de Britse essayist Tony Judt ooit. Voor mij is dat de cruciale politieke vraag. Ieder mens verdient een menswaardige behandeling, dat is het kale minimum. Maar daaruit volgt niet dat je ieder mens evenveel verschuldigd bent. Mensen die bij jouw groep horen, je broeders dus, kunnen meer aanspraak maken op jouw solidariteit dan vreemden.

‘Politics is a function of space’, schreef Judt ook. Een prachtig, intrigerend zinnetje vind ik dat. Politiek is gebonden aan ruimte. Je bent burger in het land waar je officieel woont. Met je landgenoten vorm je een ‘wij’. Dat zijn je broeders, met hen vul je de pot en formuleer je aanspraken op elkaar. Natuurlijk, wat er op de Middellandse Zee gebeurt is mensonwaardig dus daar moet een einde aan komen. Maar ik hoef migranten niet als broeders te zien. We hebben nog geen lief en leed gedeeld. We hebben nog niets samen opgebouwd. We zijn nog niet gebonden aan dezelfde ruimte.

Ik heb broertjes waar ik niet blij mee ben. Die Nederlandse Leeuwen bijvoorbeeld, die vorige week in Rijswijk bij elkaar kwamen. Ze doen stoer, maar ik ken ze: ik voel dat ze gestrest zijn. Ze zijn zeker niet blij genoeg om vreemden aan tafel uit te nodigen. Eigenlijk vind ik ze stikverwend, Arnon, en ik houd ze scherp in de gaten. Maar dwing hen niet om de groep groter te maken dan die is, want dan gaan ze muiten. Misschien zijn ze dat al aan het doen. En dan kunnen we die ode aan de vreugde al helemaal mooi vergeten.

Hartelijke groet, Marjan Slob

Duikelaar

Tien dagen geleden stonden de kranten nog vol van Camiel Eurlings; nu lijkt de ophef over hem alweer passé. Zie hier het gruwelijke lot van een publieke persoon: je doet er even heel erg toe, en dan opeens helemaal niet meer. Amai, blijf daar maar eens geestelijk gezond bij!

Ik wil op deze plek nog even op Eurlings terugkomen. Niet om nog een steen te gooien naar een man die al met bebloede kop is neergezegen. Maar om beter te begrijpen wat er nu eigenlijk is gebeurd. Waarom moest Eurlings precies weg? Wat pikt het volk uiteindelijk niet van een openbaar bestuurder?

De feiten zijn bekend: Eurlings sloeg zijn toenmalige vriendin, draaide daar lang omheen, en toen hij uiteindelijk met de billen bloot ging in NRC Handelsblad bleef de indruk hangen dat hij het vooral heel zielig vond voor zichzelf dat dit hem nu allemaal moest overkomen. Zijn publieke ‘biecht’ leek niet voort te komen uit de gevoelde innerlijke noodzaak om schoon schip te maken, maar uit de wens om zijn hachje te redden. En dat nemen we hem kennelijk enorm kwalijk. Met dat interview pleegde Eurlings zelfmoord als publiek personage, omdat hij zichzelf liet kennen als iemand die niet bijster integer is.

Je kunt je mond vol hebben over integriteit zonder duidelijk te maken wat je daarmee bedoelt. Zo iemand wil ik natuurlijk niet zijn. Maar het valt nog niet mee om te zeggen wat integriteit nu eigenlijk behelst. Etymologisch gezien verwijst het begrip naar gaafheid en heelheid; moreel vertaald zou je dus kunnen zeggen dat een integer mens ‘uit één stuk’ bestaat. Maar sinds Freud weten we dat mensen zo simpel niet zijn. Binnen in ons kakelen vele stemmen.

Zo bezien is Eurlings zelfs een tikkeltje té integer. De interviewer van de NRC, sportverslaggever Henk Stouwdam, noteerde dat de biecht van Eurlings ‘oprecht’ leek en ‘diep van binnen leek te komen’. Dat Stouwdam hier het sentimentele vocabulaire van de sportverslaggever gebruikt, maakt zijn observaties nog niet per se onwaar. Misschien geloofde Eurlings inderdaad oprecht in wat hij vertelde. Het zou me eigenlijk niet verbazen. Wie zichzelf nauwelijks observeert, stuit ook niet op innerlijke tegenstrijdigheden en problemen. En kan dus hartstochtelijk en oprecht geloven in een glad imago van zichzelf en zijn plek in de wereld. Oprechtheid en zelfingenomenheid gaan vaak opvallend goed samen.

Als integriteit in de kern niet draait om eenduidigheid, noch om oprechtheid, om wat dan wel? Peinzend over die vraag zie ik opeens een duikelaartje voor me, zo’n speelgoedclown die na een oplawaai alle kanten uitschiet om uiteindelijk toch altijd weer rechtop te eindigen. Dat is lachen voor kleuters – en misschien ook hun eerste onderricht in publieke moraal. Want goede politici, bestuurders of beslissers moeten een beetje een duikelaar zijn. Zij moeten flexibel meebuigen met wat de wereld brengt. Dat kan eruit zien als zwabberen, maar als zij echt goed zijn, blijven ze uiteindelijk altijd overeind. Niet omdat ze ‘mensen-uit-één-stuk’ zijn, maar omdat hun overtuigingen hen innerlijk gewicht en daarmee stabiliteit geven.

Dat steeds weer terugveren naar een diep ingedaalde morele basishouding is wat je hoopt en verlangt van goede bestuurders. Zij staan immers voor de pittige taak om de toekomst vorm te geven. Zij zullen moeten laveren tussen gebeurtenissen die niemand had voorzien. Innerlijke zwaarte maakt hen dan toch betrouwbaar. Ik denk dat we dat bedoelen met integriteit: de kwaliteit om steeds terug te keren naar je eigen zwaartepunt. Angela Merkel is voor mij zo iemand. En Eurlings? Die is door het volk gewoon te licht bevonden. Het was te onduidelijk waaraan hij nu eigenlijk trouw is.

Eurlings is vervlogen, verleden tijd. Maar de omgeving waarin hij kon gedijen bestaat nog volop. En dat maakt dat het nog steeds zin heeft om het over Eurlings te hebben. Bij de KLM viel hij als topman al snel door de mand. Je kunt zeggen wat je wilt van bedrijven, maar ze hebben meestal heel goed in de smiezen dat een diepgevoelde missie essentieel is voor je integriteit als onderneming. Datzelfde is niet te zeggen van het CDA. Daar vierde Eurlings jarenlang triomfen als de gouden jongen. Waarom is er in die kringen zo klakkeloos achter Eurlings aangelopen? Wat zegt dat eigenlijk over hun integriteit?

Blind solidair

U weet: het onbezonnen ontginnen van big data bedreigt onze privacy. Mogelijk heeft u zelfs uw handtekening al gezet om het referendum over de sleepwet af te dwingen. Ik heb dat zojuist gedaan. Maar eigenlijk maak ik me persoonlijk drukker om een ander effect van al dat gezoek naar patronen in bijeengegaarde informatie over groepen mensen: de uitwerking daarvan op onze solidariteit.

Kijk naar wat er gebeurt rondom zorg. Als je vroeger ziek werd, was dat gewoon flink balen, maar je wist: ziekte hoort nu eenmaal bij het menselijk bestaan. Vanuit dat besef hebben we als groep een fonds opgericht. Ieder van ons stopt er geld in en op het moment dat je ziek wordt, haal je uit het fonds wat je nodig hebt. De ene groepsgenoot zal in de praktijk vaker een greep uit de pot doen dan de ander, maar daar zeuren we niet over, want ziek is ziek en het is erg genoeg als dat lot jou treft.

Ziek zijn hoort nog steeds bij het leven. Maar inmiddels hoort een aandoening ook bij een of ander risicoprofiel. Jij bent wellicht het slag mens met een verhoogde kans op diabetes, borstkanker, een sportblessure, een muisarm. Life is a bitch, dus die risico’s zijn niet eerlijk over de groep verdeeld. Zodra je weet wat je profiel is, ligt desondanks onmiddellijk de vraag op tafel wat je eraan doet om die aandoening waar jij extra vatbaar voor bent te voorkomen. Als je echt ziek wordt, ga je de groep immers geld kosten. Opeens zitten we dus niet meer allemaal in hetzelfde schuitje. Hoe meer kennis we vergaren over risicoprofielen, hoe meer de groep uiteenvalt in subcategorieën. En dat doet iets met solidariteit.

Hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer maakte ooit een zinvol onderscheid tussen waarschijnlijkheid en risico. Waarschijnlijkheid gaat over blinde kansen. Je hebt geluk – of pech. Als pechvogel ontwikkel je bijvoorbeeld spierdystrofie, of moet je zien te leven met een of andere ondermijnende allergie. Mensen tonen zich gewoonlijk behoorlijk solidair met een groepsgenoot die door pech wordt getroffen, aldus De Beer. Jij kunt er ook niets aan doen, en jouw lot had evengoed het mijne kunnen zijn, dus betalen we met liefde jouw zorgrekeningen uit de gezamenlijke pot.

Risico’s zijn daarentegen niet blind. Zij geven aan hoeveel kans jij loopt op een bepaalde aandoening – en opeens stroomt de solidariteit heel wat minder gemakkelijk van medemens naar medemens. Heb jij aanleg voor hartproblemen? Vervelend voor je, maar wil je dan wel de roomboter laten staan alsjeblieft? Want als jij niet een beetje je best doet, neemt de kans toe dat jij een beroep moet doen op de gezamenlijke pot. En dan gaat mijn premie omhoog, omdat jij te belazerd bent om te zorgen dat je niet ziek wordt. Zo maakt kennis over risico’s dat we elkaar de maat gaan nemen. Ongemerkt worden we elkaars politieagenten.

Ik weet dat de zorgkosten de pan uit rijzen, en ik vind dat daar iets aan moet gebeuren. Maar op deze manier wil ik eigenlijk helemaal niet denken over gezondheid en ziekte. Ik wil niet hoeven oordelen in hoeverre mijn medemensen hun lijden over zichzelf afroepen, en in hoeverre zij mij daarmee op kosten jagen. Natuurlijk zit dat trekje wel in mij; niets berekenends is mij vreemd. Ik kies bijvoorbeeld zonder schroom voor een autoverzekering waarbij ik minder premie betaal naarmate ik minder ongelukken maak. ‘Die korting heb ik wel verdiend’, denk ik dan. Maar als het op leven, lijden en dood aankomt zou ik liever gewoon blind solidair zijn.

Eigenlijk wil ik dus beschermd worden tegen mijn eigen venijn. Ik verlang naar een zorgstelsel dat mij weghoudt van de menselijke neiging om het eigen gedrag af te zetten tegen dat van anderen. Ik zou willen dat de politiek niet kletst over het eigen risico, maar bedenkt hoe het zorgstelsel solidair kan blijven nu big data in rap tempo steeds specifiekere kennis over risicoprofielen levert. Hoe arrangeer je dan de solidariteit tussen zieke en nog-niet-zieke mensen? Vraag mij niet hoe dat moet. Ik heb slechts een voorspelling: als we niet ingrijpen, zal profielenkennis de groep steeds verder uit elkaar drijven. Solidariteit heeft altijd baat gehad bij een zekere blindheid. Wat doen we nu we zien?

Minpuntje

In 1977 voerde de PTT de postcode in. Hartstikke handig, want zo kon je automatisch brieven sorteren – mits de afzender voldoende netjes schreef natuurlijk. In die tijd kon niemand bevroeden dat de PTT veertig jaar later geprivatiseerd zou zijn, dat dit private bedrijf de rode brievenbussen daadkrachtig zou vervangen door oranje exemplaren, en dat er sowieso nauwelijks nog brieven worden gesorteerd omdat we elkaar via de fysieke weg eigenlijk alleen nog maar rouwkaarten sturen. Toch is de postcode onverminderd handig. We sorteren er nu mensen mee.

Het makkelijke van een postcode is dat hij fungeert als linking pin tussen databestanden van allerlei slag. Welke vragenlijst je ook invult, welk product je ook bestelt – vrijwel altijd zul je je postcode vermelden. Postcodes voeden inmiddels vrijwel elk algoritme dat patronen in menselijk gedrag vangt. Geef me je postcode, en ik heb gelijk een heel aardige eerste indruk van je; ik kan redelijk voorspellen wat jou vermoedelijk bevalt en waar je bang voor bent.

Op basis van dergelijke algoritmes bepalen bedrijven of het zin heeft om bij jou reclame te maken voor een doosje exclusieve wijn, dan wel een scooter op afbetaling. Op basis van algoritmes weet GroenLinks in welke straten de partij haar vrijwilligers in verkiezingstijd het beste kan laten aanbellen omdat daar de meeste weifelaars wonen. Algoritmes sturen ook het gedrag van de politie: sinds dit jaar surveilleert de Nederlandse politie extra vaak rond huizenblokken waar volgens de software veel inbraken worden verwacht.

Algoritmes maken het beleid van bedrijven, organisaties en overheden ongetwijfeld efficiënter – en dat is (in ieder geval vanuit hen bezien) een dik pluspunt. Maar onschuldig zijn ze niet. Zo hebben voorspellingen de akelige neiging zichzelf te versterken. Als de politie meer gaat surveilleren in bepaalde wijken, zal zij daar ook eerder boeven betrappen. Die hoge pakcijfers worden natuurlijk teruggeploegd in het datasysteem, waardoor die wijk steeds ‘gevaarlijker’ wordt, en niets logischer lijkt dan om daar nog weer extra agenten te posteren. ‘Een giftige cyclus’, noemt de Amerikaanse wiskundige en blogger Cathy O’Neill dat.

Zelf geeft O’Neill het voorbeeld van Amerikaanse rechters, die volgens haar geneigd zijn om een misdadiger een hogere straf te geven als de kans groot wordt geacht dat de betreffende boef nogmaals in de fout zal gaan. Dit is volgens O’Neill typisch zo’n voorspelling die zichzelf waarmaakt. Immers: hoe langer je in de gevangenis zit, des te groter de kans op criminele vriendjes, en des te moeilijker om -eenmaal vrij- weer werk te vinden. Waardoor je sneller terugvalt in de criminaliteit. En ja hoor: daar heb je weer zo’n langgestrafte die opnieuw een misdrijf pleegt! Die voorspellingen van het recidive-model komen uit! Algoritmes zijn weliswaar blind, maar daarmee nog niet neutraal, constateert O’Neill. Vaak zitten er aannames ingebouwd die bestaande sociale ongelijkheden in stand houden of zelfs versterken. En dat is een serieus minpunt, zou ik met haar zeggen.

Mij zit nog een ander minpunt dwars: algoritmes drukken je terug in wie je al was. Voor een algoritme ben je een optelsom van je geschiedenis. Ze zien je verleden, en niet je potentie. Breken met het bekende is natuurlijk berucht moeilijk; we vallen vaak terug in onze routines. En veranderingen zijn eng. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt. Toch kan je als mens het besluit nemen om welbewust te breken met ál wat je van jezelf vindt en weet, en de zaken voortaan over een andere boeg gooien. Filosoof Hannah Arendt noemde dit ‘nataliteit’; in principe kun je jezelf iedere dag opnieuw geboren laten worden. Dankzij dit vermogen zijn mensen soms in staat om het onverwachte waar te maken. Tegen iedere waarschijnlijkheidsrekening in.

Vanouds wordt filosofie vaak gezien als een oefening in sterven. Maar voor Arendt is filosofie juist een oefening in beginnen. De mens is voor haar het dier dat kan breken met het verleden. Een dier dat ‘dit niet!’ kan zeggen, en zichzelf kan herscheppen. Mensen kunnen losbreken uit hun mal, het grote onbestemde tegemoet. Dat kan gevaarlijk zijn, en mislukt natuurlijk vaak. Maar precies daar zit ook onze hoop, onze waardigheid, onze vrijheid. Die hoop, waardigheid en vrijheid gunnen algoritmes ons niet. Zij benaderen ons steevast als de sukkels die we tot nu toe waren.

Principes

Misschien lijd ik aan wijsheid achteraf, maar na meer dan honderd dagen moeizaam informeren wordt het voor mij steeds mysterieuzer waarom Edith Schippers eigenlijk als eerste thema de omgang met migranten op tafel legde. Ze zette daarmee de schijnwerper vol op een kwestie die tot de ideologische identiteit behoort van GroenLinks, de nieuweling te midden van oude bekenden. Nog even los van de inhoud: zo’n nieuwkomer kan dan toch niet anders dan gaan staan voor zijn principes? Een beetje onderhandelaar probeert een win-win-gevoel te creëren, zou je zeggen. Maar het eerste wat Schippers deed, was de meest kwetsbare partij richting gezichtsverlies sturen.

Tja, en nu zitten we met de gebakken peren. Voorlopig komen we niet meer van principes af, voorspel ik. Om tot dat begeerde meerderheidskabinet te komen, zijn D66 en de ChristenUnie gedwongen om de degens te kruisen over het voltooid-leven-thema, op straffe van gezichtsverlies bij hun achterban. Beide partijen hebben teveel geïnvesteerd in de grote idealen die daarbij in het geding zouden zijn om daar nu rekkelijk over te gaan doen.

Eerlijk gezegd heb ik het wel gehad met dat principiële gedoe. Niet dat ik principes onbelangrijk of oninteressant vind, maar deze komen ijl en abstract op mij over. Want over welke onderwerpen hebben we het hier? Over migranten en voltooid leven. Geen kleine kwesties, maar nauwelijks kwesties die zich lenen voor regeringsbeleid. GroenLinks moest zich stuk vechten op een vraagstuk waar Nederland bijna niets over te zeggen heeft. En wat de voltooid-leven-discussie betreft: kiest u maar. Bent u voor autonomie of voor een zorgzame samenleving? D66 en de ChristenUnie moeten elkaar over deze schijntegenstelling in de haren vliegen.

Het probleem is dat principes worden uitgevochten op basis van extreme voorbeelden. Casussen worden niet belicht omdat ze de realiteit het beste vertegenwoordigen, maar omdat de lievelingsprincipes er zo lekker op toepasbaar zijn. Pleidooien over heroïsche politieke vluchtelingen worden gepareerd met verhalen over uitgekookte economische migranten. Heldere bejaarden die besluiten dat het genoeg is geweest, worden uitgespeeld tegen subassertieve ouderen die wegkwijnen in een verpleeghuis. Dit soort discussies leidt nergens toe omdat de patstelling al is ingebouwd. Het erge is dat mensen ondertussen tot abstracties worden gemaakt.

Voor echte doorbraken kun je beter kijken naar praktijken die in het wild aan het ontstaan zijn. Zo meldde deze krant onlangs dat burgemeester Heijmans uit Weert (‘SuperJos’) de landelijke regels trotseert en liever per migrant kijkt wat de beste aanpak is. Natuurlijk hoop je dat SuperJos zich daarbij ophoudt binnen de kaders van de wet. Maar je gunt hem ook dat die kaders niet te nauw zijn, en de regels niet te gedetailleerd. Zodat hij als verantwoordelijke tenminste iets kan doen met wat hij aantreft. Dat was in feite ook de portee van het advies van de commissie-Schnabel over voltooid leven. Volgens die commissie is een verdere explicitering van de euthanasiewet onverstandig. Vrij vertaald: loop praktijkmensen niet voor de voeten met jouw principes, maar laat hen de ruimte om naar bevind van zaken te handelen.

Hier een dagdroom: stel dat Schippers op dag één van de onderhandelingen de vergroening van de economie had aangesneden. Dat is nog eens een win-win-dossier! Hier zijn schuttersputjes nog niet gegraven en hadden ondernemers en milieuactivisten elkaar spannend en zinvol kunnen aanvullen. Een historische doorbraak lag in het verschiet – en nog wel op een cruciaal en fundamenteel onderwerp! In de roes daarna zouden de ijzeren principethema’s vermoedelijk opeens oude politiek hebben geleken. Leuke bijkomstigheid: groene economie is ongeveer het enige thema dat die zelfgenoegzame Buma uit de comfortzone zou hebben gedwongen.

Helaas, de realiteit is dat de formatie hapert vanwege non-discussies over starre principes. Hoe heeft juist de pragmatische VVD het zo ver kunnen laten komen? Ik denk dat dit, ironisch genoeg, komt doordat de VVD zo weinig gevoel heeft voor principes. De partij weet niet wat het is om aan hoogteziekte te lijden. Rutte schijnt echt verbijsterd te zijn geweest over de bezwaren van GroenLinks tegen de migratiedeal. ‘Zo’n klein dingetje, hier hadden we binnen tien minuten uit moeten zijn’, verzuchtte Rutte volgens NRC Handelsblad. Niet dus. Lekker dan.