Comfortkans

Eens in de zoveel tijd vraag ik me af waar politiek nu eigenlijk om draait. Hier het antwoord van Peter Sloterdijk: politiek is de strijd om de vraag welke groep zich met collectieve middelen comfort weet te verschaffen. In zijn dikke bubbelboek Sferen presenteert Sloterdijk politiek althans als een geformaliseerde strijd om ‘de herverdeling van comfortkansen’. Wie kan gemeenschapsgeld, beleid en wetten inzetten om zich te beschutten tegen ongewenste invloeden van buitenaf? Wie weet zijn leefwereld tot een gerieflijk bedje te maken? En voor wie is de leefwereld een gure plek?

Zo abstract gesteld trekt aan mijn geestesoog gelijk een parade van daklozen, vluchtelingen, verwarde hoogbejaarden en moderne dagloonwerkers voorbij: groepen dus die vol in de wind staan en de macht niet weten te vergaren om hun leven wat comfortabeler te maken. Ik zie met andere woorden een klont ellende, word moe en verdrietig en weet het eigenlijk niet meer. De volgende fase is dat ik mezelf wantrouw. Inderdaad, ik zie een klont – en geen personen met individuele contouren. Wat weet ik nu eigenlijk van de feitelijke levens van deze mensen? Bar weinig, maar ik heb mijn oordeel alweer klaar. Meevoelen zonder de moeite te nemen mensen daadwerkelijk beter te leren kennen: dat is een sentimentele vorm van politiek.

Ik parkeer deze constatering even door mezelf eraan te herinneren dat ik hier geen politiek wil bedrijven, maar het idee wil onderzoeken dat politiek een strijd om comfortkansen is. En om dat serieus te doen, kan ik me maar beter richten op een leefwereld die ik echt ken. Welnu, ik woon in Utrecht, een knusse stad vol hoogopgeleide mensen. Maar ook hier – juist hier! – strijden groepen onderling stevig om comfortkansen.

Zo zag ik afgelopen week een internetpetitie langskomen van actiegroep Utrecht Fossielvrij, die zich via een open brief tot de gemeente richt. Wat allereerst opvalt is de keurige toonzetting. ‘Wij reizen graag met de trein, pakken graag de fiets, en als het even kan gaan we te voet. Precies zoals het hoort’, opent de brief. Subtekst: gemeente, u heeft hier te maken met zelfverklaarde modelburgers. Vervolgens krijgt de gemeente heel slim een compliment. ‘We zijn dan ook heel blij met het nieuwe station, en ook met de prachtige Moreelsebrug (extra plusje voor de boompjes!).’ Maar Utrecht Fossielvrij mist ‘iets essentieels’: zijtrappen die van deze Moreelsebrug naar de perrons voeren. Om bij de trein te komen, moeten zij nog steeds Hoog Catharijne in. Een gemiste comfortkans!

Dan volgt de aanklacht: het aanleggen van de geplande trappen waarmee je het winkelgebied zou kunnen omzeilen, wordt volgens de actiegroep tegengehouden door ‘een agressieve lobby’ van het Franse vastgoedbedrijf Klépierre, eigenaar van Hoog Catharijne. Klépierre wil zoveel mogelijk mensen via het winkelcentrum leiden. De gemeente biedt weinig weerwerk, afhankelijk als ze is van de investeringen van het bedrijf om de gigantische verbouwing van het stationsgebied te bekostigen. De brief sluit af met een oproep: ‘Plaats de belangen van je eigen inwoners boven die van een lobby van een winkelcentrum!’

Gemeente, vastgoedbedrijf en treinreizigers hebben botsende ideeën over een (voor hen) comfortabele inrichting van de stad, zou Sloterdijk zeggen. En hier kan ik direct verkennen waar ik zelf sta. Dus wandel ik op een frisse lentedag over de Moreelsebrug. Zand stuift op uit een bouwput. Steile trappen en een fietslift maken dat de brug zich snel boven de grond kan verheffen. En kijk, daar staan de boompjes, voorzichtig in het blad. De brug is best mooi, maar ook vreemd losgezongen van het grote station vijftig meter verderop. Ik zie treinen, maar kom er niet bij. En dat terwijl het spoor uiterst functioneel voor mij is: dankzij de trein kan ik mij snel door het land te bewegen. Dit ontwerp verhindert me inderdaad om direct te handelen naar mijn belang; eerst moet en zal ik me door het winkelende publiek heen wurmen.

Machtsverhoudingen blijken niet alleen uit verkiezingsuitslagen, maar ook uit de ordening van je leefomgeving. De inrichting van een stad materialiseert belangen en stolt comfortkansen. Ik voel het hier aan den lijve. Voor wie is deze stad eigenlijk ontworpen? Wie moet ruimtelijk inschikken voor wie? Ik meng me heel modern in deze politieke strijd – heel comfortabel ook. Ik teken de petitie.

Handy Dandy Machine

In oude Mickey Mouse cartoons wil de wereld vaak niet zo meewerken. Bedden storten onverwacht in, fietsen verliezen pardoes een wiel, bakpoeder blijkt cement, ijspegels kunnen je elk moment spiesen. Deze vroege cartoons drukken in al hun overdrijving uit wat het is om als kind de wereld te leren kennen, zegt de Amerikaanse denker Matthew Crawford in The World Beyond your Head. Daar ben je dan, in de wereld geworpen, en je moet met vallen en opstaan maar merken hoe de natuurwetten inwerken op je lichaam.

Vergelijk dat eens met het hedendaagse Disney-programma Mickey Mouse Clubhouse, vraagt Crawford. De stripfiguren zijn dezelfde, maar de manier waarop de wereld wordt gepresenteerd is totaal anders. Afleveringen draaien niet om het dealen met frustratie, zoals de vroege slapstickcartoons, maar om het oplossen van een probleem. In het clubhuis zit bijvoorbeeld Goofy, en o jee: één van zijn opwindsoldaatjes is aan de andere kant van de rivier terechtgekomen! Maar als je ‘Oh Tootles!’ zegt, verschijnt de Handy Dandy machine, een soort computer die vier voorwerpen aanbiedt. De kunst is om het juiste gereedschap te kiezen: in dit geval het bootje waarmee je kunt overvaren. Elke aflevering kent vier problemen die elk zijn op te lossen met één van de vier voorwerpen. Geen probleem is onoverkomelijk, er is nooit werkelijk weerstand vanuit de wereld, en je lichaam doet er al helemaal niet toe. Kleuter, klik op de oplossing.

Crawford verbindt aan dit gegeven een mooie beschouwing over de manier waarop hedendaagse kinderen worden weggehouden van rauwe materiële ervaringen en leren vertrouwen op een voorgekookt keuzemenu – en en passant de suggestie meekrijgen dat technologie altijd werkt en elk probleem oplost. Vroeg of laat kom je er natuurlijk achter dat dit een leugen is. Technologie werkt niet altijd. En vooral: lichamelijkheid is geen bijkomstigheid. Het is misschien verleidelijk om je lichaam te zien als hardware voor je hoofd, als de toevallige behuizing waarin jouw programma’s draaien. Maar de realiteit is anders. Zolang je een lichaam hebt, ben je gedoemd om deel te nemen aan de fysieke wereld. Zolang je een lichaam hebt, zal er altijd iets zijn dat je kan schelen. Er zullen ook altijd frustraties zijn, dingen die je niet voor het kiezen hebt.

Deze week zag ik de prachtige roadmovie American Honey van Andrea Arnold. De jongeren die Arnold portretteert hebben als kind misschien wel gekeken naar Mickey Mouse Clubhouse. Maar ze kunnen ‘Oh Tootles!’ zeggen wat ze willen, een menu met vier oplossingen ligt voor hen niet in het verschiet. Deze jongeren zijn dolende vagebonden zonder huis en vooruitzichten, die tijdschriftabonnementen proberen te slijten. Na de vele afwijzingen die een gewone werkdag brengt, komen ze samen op een of ander parkeerterrein. Hiphop knalt uit de autospeakers en ze dansen op de beat. Het enige wat zij hebben is fysieke bravoure, hun blakende lichaam.

American Honey is geen documentaire. Toch voelt de film heel echt. Er zijn in Amerika ook daadwerkelijk groepen jongeren die overleven door tijdschriftabonnementen te verkopen. ‘Dat doe je door in te loggen op de dromen van potentiële klanten’, zegt topverkoper Jake tegen nieuweling Star. ‘Schat heel snel in waarnaar mensen verlangen – en lever daar dan het juiste tijdschrift bij.’ Presenteer een tijdschrift dus als een soort Handy Dandy machine om andermans droom te realiseren.

Maar Star, met haar afgebladderde nagellak en zachte karakter, verdraagt het niet dat Jake zich voegt naar de dromen van anderen. ‘Waar droom je zelf van?’, vraagt ze. Die vraag was haar zelf ook gesteld, voor het eerst van haar leven, door een trucker aan wie ze een abonnement wilde slijten. ‘Op een dag zou ik wel een eigen trailer willen hebben’, verzuchtte ze toen. Als kijker acht je de kans klein dat zelfs deze bescheiden Amerikaanse droom door Star gerealiseerd kan worden.

Deze jongeren kennen geen samenleving. Voor hen is alles een markt. Ze leven in een wereld zonder connecties, hebben geen stabiele relatie met elkaar, er is zelfs nauwelijks verband tussen hun ene gedachte en de andere. Alles is los. En dat heet dan vrijheid. Maar aan hun lichamelijkheid valt niet te ontsnappen. En lichamen willen uiteindelijk een plekje hebben. Lichamen snakken naar een samenleving om in te wortelen.

Hyena’s

Verbaasd constateren politieke analisten na elk verkiezingsdebat dat de kiezer maar blijft zweven. Die debatten zetten kennelijk weinig zoden aan de dijk. Hoe zou dat nou toch komen? Hier een simpele suggestie: omdat de debatten teveel over tutonderwerpen gaan. Moet ik nu echt opveren van een uitvoeringsvraag als de precieze hoogte van de eigen bijdrage in de zorg? Of van wat partijen denken over het zingen van het Wilhelmus?

Terwijl onze politici over het volkslied aan het twisten waren, deden grote bedrijven een overnamebod op Unilever (enkele weken geleden) en AkzoNobel (enkele dagen geleden). Zowel Unilever als AkzoNobel hebben het bod afgeslagen, maar voelen zich nu wel gedwongen om zich te beraden op hun strategie. AkzoNobel had juist intern orde op zaken gesteld en de koers verlegd naar een meer duurzame langetermijnplanning. En onder leiding van Paul Polman poogt Unilever al tien jaar zijn omzet te verdubbelen en tegelijk zijn ecologische voetafdruk te halveren. Polman streeft naar duurzame aandelen die ook op langere termijn hun geld waard blijven. En al giechel ik persoonlijk om die rare ‘wereldgerechten’ van Knorr en heb ik na een bord Unox-soep de hele avond dorst, dat neemt mijn bewondering niet weg voor een man die weigert kwartaalcijfers te publiceren omdat hij die ‘veel te hijgerig’ vindt.

Achter het bod op Unilever zaten Braziliaanse miljardairs die uit zijn op snelle winst. Nu de aandeelhouders van Unilever weten dat deze types geld ruiken, gaan met name de Angelsaksisch georiënteerden onder hen morren. Kennelijk besteedt Unilever teveel geld aan duurzame investeringen en keert het bedrijf te weinig uit aan hen! Polman zal deze ‘teleurgestelde’ aandeelhouders snel duidelijk moeten maken dat hij hun boodschap heeft gehoord, vertelde economisch publicist Jeroen Smit aan deze krant. Polman moet ‘waarde creëren’ voor de aandeelhouders.

Als ik dat lees wordt het blanco in mijn hoofd. Waarin zijn deze aandeelhouders nu zo vreselijk teleurgesteld? En is Polman juist niet volop bezig met het creëren van waarde? Wat is dat eigenlijk voor een wereld waarin dergelijke zelfzuchtige aandeelhouders een werkelijk innovatieve en visionaire bestuursvoorzitter kunnen dwarsbomen?

Ik denk dat ik een denkfoutje zie. Al sinds de kleuterschool krijgen we ingepeperd dat inzet en talent geldelijk beloond zullen worden. Omdat geld verdienen samenhangt met talent, is de suggestie al snel dat iemand die geld heeft dus ook wel kwaliteiten zal hebben. Maar dat volgt logisch niet. Het enige wat je bij voorbaat weet van aandeelhouders is dat ze geld hebben. Dat garandeert geen ideeën, geen hart, geen talent. Dus waarom, oh waarom geven wij aandeelhouders blind de macht om bedrijven kapot te maken die werkelijk verschil willen en kunnen maken?

Ook aandeelhouders heb je in soorten en maten, en bedrijven als Unilever en AkzoNobel zullen het moeten hebben van beleggers die willen wachten op duurzame rendementen. De belangrijkste ideologische strijd van onze tijd wordt gevoerd tussen rijken met eigenbelang en rijken met welbegrepen eigenbelang. Onze politieke leiders staan er ondertussen schaapachtig bij te kijken. VVD-minister Henk Kamp vindt het bod op AkzoNobel niet ‘in het Nederlandse belang’. Pieter Omtzigt van het CDA roept dat ‘vitale Nederlandse bedrijven wettelijk beschermd’ moet worden. Dat inzicht komt niet alleen een beetje laat, het is wat mij betreft ook het verkeerde inzicht. Deze strijd draait niet om economisch nationalisme. Cruciaal is de mentaliteit van de aandeelhouders, niet hun nationaliteit. Alsof ik investeerders moet vertrouwen omdat ze alle coupletten van het Wilhelmus uit het hoofd blijken te kunnen zingen. Andersom: ik zou het toejuichen als een buitenlands bedrijf een Nederlands bedrijf wil overnemen omdat het grote kansen ziet dat bedrijf grondig te verduurzamen.

PvdA-minister Jeroen Dijsselbloem schoot weliswaar niet in de Wilhelmusstand, maar raadde Unilever aan om zich te beschermen tegen ‘de hyena’s die je bedrijf proberen kapot te maken’. “Durf je kortetermijnaandeelhouders te weerstaan. Durf tegen hen te zeggen: ik ga niet dat langetermijnperspectief loslaten”, aldus Dijsselbloem.

Durf zelf eens wat!, zou ik onze politici willen toeschreeuwen. Pak die financiële hyena’s nu eens echt aan, zodat goedwillende bedrijven die voor een doorbraak kunnen zorgen minder kwetsbaar zijn! Als de verkiezingsdebatten daarover zouden gaan, zou ik ophouden met zweven en opgelucht landen op het hoofd van de politicus met het sterkste voorstel. Om daar dan woensdag mijn poepje op te doen.

Omelet

Een ding is zeker: als de Britse topkok Gordon Ramsay de keuken binnenstuift, zal voortaan alles anders zijn. Het RTL-programma Oorlog in De Keuken! laat zien hoe hij vloekend en tierend de boel opschudt in een of ander noodlijdend restaurant. Niets deugt er. De chef-kok warmt instantvoedsel op, in de voorraadkast liggen groenten te rotten, de ober vertoont grote zweetplekken bij de oksels en de onmachtige bedrijfsleider loopt alleen maar in de weg. Het resultaat is er naar. ‘Dit ziet eruit als een bak hondenvoer!’, walgt Ramsay. ‘It’s a fucking disgrace!’

Gordons machomanagementstijl schudt ons allemaal wakker. Goed dat hij die blaaskaak van een kok eindelijk de waarheid durft te zeggen, mooi dat hij die ene stille hulp naar voren schuift die wél hart heeft voor de zaak, fijn dat er een nieuwe menukaart komt gebaseerd op verse, lokale ingrediënten. Zijn ingrepen breken vertrouwde routines af, en ja, dat doet pijn. Maar wees nou eerlijk, het was gewoon te bar. Zo kon het gewoon niet langer.

Veel landgenoten lijken de overheid te beschouwen als een hopeloos mislukt restaurant. De fout zit volgens hen dermate diep in het systeem dat een aanpassing hier of daar niet meer gaat helpen. Er is een grondige reset nodig. De bestaande orde zal moeten worden afgebroken voordat de echte democratie weer kan opbloeien. Dat vindt althans Greetje Ploeger uit Groningen, afgelopen weekend door deze krant naar voren geschoven als Boze Witte Vrouw. De bom moet barsten, zegt Greetje. Hoe die nieuwe orde er uit moet zien, is een vraag die ze er nu even niet bij kan hebben, zo propvol zit ze van één sentiment: dit in ieder geval niet!

Ik denk dat het moment is gepasseerd om Greetje minzaam opzij te zetten. Ik merk zelfs dat ik enigszins met haar begin mee te voelen. Er zitten serieuze weeffouten in het ontwerp van ons democratisch systeem; in de praktijk komt er bijvoorbeeld maar weinig terecht van dat afspiegelende karakter dat ons kiesstelsel zou moeten kenmerken. En de donkere zijde van de meritocratie wordt me ook steeds duidelijker. Je zou maar eens je hele leven moeten slikken dat jij slechter af bent dan je landgenoten omdat je niet zo slim bent of minder talent hebt. Is het niet enorm gemakzuchtig van beter bedeelden om te verwachten dat jij daar blijmoedig bij blijft? Dus ja, inmiddels denk ik dat ons systeem enkele fundamentele tekortkomingen telt. Maar het aanpakken van basale uitgangspunten zal onvermijdelijk radicale gevolgen hebben. Oeps! Dat is het recept voor een revolutie!

In de westerse wereld zijn politici opgestaan die à la Gordon Ramsay zeggen dat zij de keuken wel eens even komen uitmesten. In het vloeken en tieren steken ze Gordon naar de kroon. Ze weten ook precies wat er niet deugt: daar in de keuken zijn ze alleen maar met elkaar bezig, met als gevolg walgelijke, verkeerde gerechten en ontevreden klanten, it’s a fucking disgrace! Maar waar Ramsay kan bogen op een succesvolle restaurantketen en een Michelinster is het de vraag of die luidruchtige politici überhaupt kunnen koken.

You can’t make an omelette without breaking eggs, zei de grote revolutioniar Mao graag. Zeker. Maar eieren breken is het probleem niet. Er vervolgens een omeletje van maken is een stuk moeilijker; Parijse toprestaurants selecteren naar verluidt aspirant-koks door hen een omelet te laten bereiden. Chefkok Ramsay kan je natuurlijk prima vertellen hoe dat moet. Kluts twee of drie eieren los met wat zout en peper. Pak een pan die de hitte goed geleidt en zet het vuur niet te hoog. Laat een klontje boter smelten en giet de geklutste eieren in de pan. En dan komt het: je moet de pan in het rond bewegen en steeds op het juiste moment een rukje met je pols geven. Wanneer precies en in welke mate, tja, dat kan zelfs Ramsay niet goed uitleggen. Dat vergt toewijding, gevoel, en vooral veel oefening. Of jij het in je hebt, blijkt pas als de omelet glad en goudkleurig uit de pan glijdt.

Op een youtubefilmpje zie ik hoe Ramsay ergens op een Engels marktplein enkele passanten omeletten laat bakken. ‘Het ziet er uit als kots!’, oordeelt hij in zijn eigen fijnzinnige stijl. Daarnaast liggen de eierschalen.

Gekleurde wetenschap

Je kon er op wachten: na de kunstensector en de rechterlijke macht is de wetenschap aan de beurt om een politieke kleur toebedeeld te krijgen. Wetenschap moet gaan bewijzen dat zij meer is dan een linkse hobby! Met je getergde zenuwen zou je de actie van Pieter Duisenberg en Karin Straus althans zo kunnen duiden. Vorige week lieten deze VVD-Kamerleden een motie in stemming brengen die minister Bussemaker oproept om te onderzoeken of de Nederlandse wetenschap leidt aan ‘zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap’.

Na een diepe buikademhaling blijkt die motie zo bizar of paranoïde nog niet. Er is inderdaad iets aan de hand. Nederlandse gegevens ontbreken, maar in de Verenigde Staten zijn wetenschappers aanzienlijk vaker Democraat dan Republikein. ‘Nou en?’, zou je nog kunnen denken. ‘Waarheid heeft geen kleur, dus zolang wetenschappers de waarheid aan het licht brengen, doet het er niet toe hoe ze in het leven staan.’ Maar Duisenberg en Straus bezien wetenschap een tikkeltje verfijnder. Zij geloven dat de levensovertuiging van een wetenschapper van invloed is op de wetenschappelijke resultaten die hij of zij boekt.

En daar hebben ze gelijk in. Op zoek naar de oorzaken van jeugdcriminaliteit zullen sociologen aandacht schenken aan de leefomgeving waarin de boefjes opgroeiden, terwijl psychiaters eerder zullen wijzen op hersenbeschadigingen of genetische factoren. Een ecoloog zal andere onderzoeksvragen aan de orde stellen over genetische modificatie dan een microbioloog. Deze wetenschappers hebben een andere manier om de wereld te ontsluiten. Het zijn andere type mensen, met een andere gevoeligheid.

En het waren al andere persoonlijkheden voordat zij überhaupt hun studiekeuze maakten, denkt de Amerikaanse beleidswetenschapper Daniel Sarewitz. “Als je het eenmaal ziet, is het logisch”, zei Sarewitz ooit tijdens een interview dat ik met hem hield. “Op de middelbare school snap je prima waarom die ene klasgenoot letteren gaat studeren en juist Richard econoom wil worden. In de wetenschap vind je gewoon de verschillen van het schoolplein terug.” Dus zeker, je kijk op het leven bepaalt mede het type vragen dat je stelt. En ja, je onderzoeksvraag stuurt je vervolgens onherroepelijk in de richting van een bepaald type resultaat. Hoe zou het anders moeten? Wat is er eigenlijk mis mee dat een socioloog gespitst is op maatschappelijke patronen, dat een jurist vooral bedenkt hoe dingen fout kunnen gaan, en dat een econoom ons eerst en vooral beschouwt als wezens met belangen?

De werkelijkheid is dermate rijk en complex dat je er heel verschillende soorten wetenschappelijke projecten op los kunt laten, die elk maar een aspectje van de werkelijkheid bestrijken, zei Sarewitz toen ook. Met als gevolg dat wetenschappelijke resultaten niet op elkaar aan hoeven te sluiten. Sterker: ze kunnen elkaar zelfs tegenspreken. En dat dus zonder dat wetenschappers slecht werken leveren. Zo groot en overdadig is de werkelijkheid die we bemensen.

Ondertussen werd in Den Haag de motie Duisenberg-Straus nog aangenomen ook. Minister Bussemaker staat nu dus voor de vraag hoe ze hier uitvoering aan gaat geven. Moet zij, om de diversiteit te bevorderen, rechtse adolescenten tegen heug en meug naar de faculteit sociale wetenschappen sturen? Moet zij voortaan een numerus fixus instellen bij economie, om te voorkomen dat de studie (zoals nu het geval is) bovenmatig veel jongeren trekt met een individualistische inslag? Dat lijkt me kansloos beleid, en bovendien niet nodig. De gewenste diversiteit in wetenschappelijke perspectieven is er al, alleen zul je die eerder tussen dan binnen wetenschappelijke disciplines vinden.

De motie rept echter ook van zorgen over zelfcensuur. Duisenberg haalt een onderzoeker aan die er binnen zijn vakgebied uit lag omdat hij een afwijkende, ‘rechtse’ onderzoeksvraag stelde. Dergelijke (zelf-)censuur is inderdaad kwalijk. Het is alleen de vraag hoe je dit voorval interpreteert. Als de druk van het schoolplein: ‘Jij zegt foute dingen dus nu hoor je er niet meer bij?’ Of als het gevolg van een wetenschapsbeleid dat onderzoekers scherp afrekent op publicaties in gevestigde tijdschriften? Zeker als beginnende wetenschapper kun je eigenlijk geen tijd stoppen in een spannend tegendraads idee waarvan je nog niet weet wat het gaat opleveren. Het vigerende wetenschapsbeleid stuurt wetenschappers richting gebaande paden en het spelen op safe. En ja, dat is een vorm van zelfcensuur. Alleen: dikke kans dat Duisenberg dit een te sociologische interpretatie vindt.

Help, ik verdrink

‘Geef iedereen nou toch een basisinkomen’, bepleitte de Londense hoogleraar economie Guy Standing onlangs op het World Economic Forum in Davos. Veel bijval kreeg Standing niet van de aanwezige wereldleiders. Maar als het basisinkomen zelfs tot Davos is doorgedrongen, dan weet je dat zo’n idee een blijvertje is.

Het is ook een fascinerend gedachte-experiment: stel nu dat je geld krijgt zonder dat er een ruil in het spel is. Je hoeft voor dat geld dus niet te werken, niet te solliciteren, niet de plaatselijke bloembak te begieten. Je hoeft niet eens dankbaar te zijn; je krijgt dat geld, gewoon omdat je bestaat. Wat dan? Sommigen vrezen dat mensen acuut lui worden en vooral vieze karweitjes zullen mijden. Anderen verwachten dat gratis geld juist veel creativiteit en werklust los gaat maken. Beide mogelijkheden zijn goed voorstelbaar, dus verder argumenteren gaat niet helpen. In zo’n geval kun je beter de werkelijkheid laten antwoorden door een experiment op te zetten en te kijken wat er gebeurt.

Dat is precies wat de gemeente Terneuzen wilde doen. Twintig inwoners die langdurig in de bijstand zitten, zouden voortaan een gift krijgen in plaats van een uitkering. Een bescheiden en behoorlijk veilig experiment, zou je zeggen. Het ministerie van Sociale Zaken floot Terneuzen vorige week echter direct terug. Geld geven zonder voorwaarden te stellen, daar doen we in Nederland principieel niet aan. Geld behoor je te verdienen – economisch én moreel gesproken. Dat idee zit diep, ook bij mij. De vraag is: tot wat voor mensen maakt dat ons?

Tijdens een wandeling op een regenachtige winteravond hoor ik een noodkreet: ‘Help, ik verdrink!’ Ik zie een dikke man onhandig watertrappelen in de singel. Kopje onder gaat hij niet. Een medewerker van de plaatselijke horeca belt met 112, dus dat is geregeld. ‘Het is best gevaarlijk om nu in het water te springen’, overweeg ik. ‘Hij kan me wel naar beneden trekken.’ Aan de oever van de singel roept een jonge vrouw de man inmiddels bemoedigende woorden toe. ‘Zwem, je kunt het!’ Langzaam maakt hij een paar slagen richting oever.

Als de man bijna de oever bereikt, doe ook ik mijn mond open. ‘Kun je op de bodem staan?’, vraag ik. ‘Neehee’, kermt hij. Ik geloof hem niet; ik ken die plek. De man flapt zijn armen op de oever, schuift zijn bovenlijf ertussen en blijft liggen, benen nog in het water. Samen met een andere passant trek ik de drenkeling aan zijn riem verder de oever op. Ondertussen is de brandweer gearriveerd en neemt de commandant de regie over. De drenkeling wordt per brancard afgevoerd.

Ik blijf in verwarring achter, vol grote gevoelens die ik maar moeilijk kan verenigen. Eén daarvan is scherpe ergernis. ‘Volgende week ligt hij weer in de singel, want zo krijgt hij aandacht’, denk ik. Vlakbij staat een ggz-instelling en in ons buurtje dolen wel meer mensen rond die een beetje pafferig zijn van de medicijnen. Het andere gevoel is bewondering voor mijn medemensen. Die aardige omstanders natuurlijk, maar zeker ook de brandweercommandant die geen onvertogen woord sprak tegen de drenkeling, maar hielp zonder oordeel en zonder onderscheid des persoons. Zo mooi kan een openbare dienst dus zijn. Mijn derde gevoel is schaamte – en waar die andere twee zijn weggezakt, is dit gevoel alleen maar gegroeid. Ik denk dat ik goed heb gezien dat die man niet in levensgevaar verkeerde. Maar desondanks was hij in nood; niemand ligt voor zijn lol op een winteravond in de singel. Waar was mijn compassie?

Mijn harde reactie zal vast meerdere redenen hebben, maar laat ik het hier eens zoeken in mijn maatschappelijke situatie. Ik ben als kleine zelfstandige het nieuwe normaal. Feitelijk gaat het me goed. Maar ik merk dat ik zorg niet langer vanzelfsprekend vind. Niet om zomaar te krijgen, en kennelijk ook niet om zomaar te geven. Eerlijk gezegd voel ik me vaak vogelvrij in een gure en kale habitat. En dat doet wat met mijn gemoed.

Het idee van een basisinkomen wordt vaak in economische taal bediscussieerd. Logisch. Maar mij interesseert de psychologische kant. Hoe zou ik hebben gereageerd als ik ten diepste zeker zou zijn van mijn bestaan, omdat het mij zonder meer werd gegund? Ik denk dat een basisinkomen ons collectief aardiger zou maken.