Uitzonderlijk

Precies een week geleden voltooide Maarten van der Weijden zijn queeste: hij zwom de Elfstedentocht, aangemoedigd door tienduizenden mensen. De NOS hield een liveblog bij, de huisdichter van deze krant bracht een hymne. Onze premier twitterde over ‘de waanzinnige prestatie’ en typte: ‘Heel Nederland zwemt met jou mee!’, waarop hij een emoticon van een zwemmer liet volgen. Ik hoorde er met deze premier weer eens niet bij. Ik zwom die dag ergens anders.

Het lukte me niet om op te gaan in dit feestje. Zal wel iets te maken hebben met wat Toine Heijmans schreef in zijn column over de ‘heilige’ Maarten: “Het is geen zwemmen wat hij doet, het is lijden en hij lijdt voor ons”. Ook sportjournalist Willem Vissers voelt een soort aversie. Hij verdenkt Maarten ervan ‘een aandacht zoekende uitslover’ te zijn. En toen Maarten vorig jaar, na die poging waarbij hij voortijdig en met wanstaltig gerimpelde voeten uit het water werd gevist, zelf nog dacht dat hij dit nóóit weer zou doen, wist Heijmans al dat dit onwaarschijnlijk was. “Natuurlijk kon je toen al op je vingers natellen dat hij weer te water zou gaan.” Hij presenteert Maarten als een soort verslaafde. En voegt daar een intrigerend zinnetje aan toe: “We hebben blijkbaar mensen nodig die verbinden en iets bijzonders doen.”

Inderdaad. Laten we het eens over ons hebben, in plaats van over Maarten. Waarom verbindt het ons als we een soortgenoot iets bijzonders zien doet? En vooral: waarom moet die soortgenoot dan bij voorkeur lijden? Of zelfs zijn leven op het spel zetten?

Die vraag kan ik mezelf ook stellen. Maarten kreeg me weliswaar niet in zijn greep, maar ik heb wel ademloos gekeken naar Free Solo, de documentaire over klimmer Alex Honnold die eerder dit jaar uitkwam. Alex wil in zijn eentje ‘El Capitan’ bedwingen, de granieten rotswand in Yosemite National Park die bijna 900 meter loodrecht de lucht in steekt – zonder touwen. Gekkenwerk, want je hebt alleen piepkleine richeltjes om op te staan en om aan te hangen. Een foutje en je valt dood.

Alex bereidt zich gedegen voor. Hij traint zijn lenigheid, de kracht in zijn handen. Hij klimt de route zo vaak dat hij elke stap kan dromen. Hij kent de twee of drie echt moeilijke plekken – bijvoorbeeld die waar je je linkerbeen ver om een uitstekende richel heen moet slaan om bij een bepaald friemeltje in de rots te komen, terwijl je dus honderden meters aan je vingers boven de grond hangt. Bloedstollend.

Hier word ik wel het drama ingezogen. Ik duizel van de hoogte, bewonder het atletisch vermogen van Alex, huiver, leef mee met zijn nieuwe vriendin die snikt: ‘Ik kan niet begrijpen dat hij dit wil’, en zie de sluimerende competitie met Alex’ moeder die sereen glimlacht en zegt: ‘Zo voelt hij zich het meest levend. Hoe kun je dat van iemand afpakken?’ Ik jubel als Alex de top bereikt, en snap ergens wel waarom de New Yorker pompeus verkondigt: ‘Er kan een nieuwe passage worden toegevoegd aan de annalen van de menselijke verrichtingen’.

Maar het meest intrigeert me het filmteam. In hoeverre drijven ze Alex op met hun plan voor de documentaire? Durft hij nog wel terug te krabbelen? De makers snappen hun invloed. ‘Straks zien we hoe hij uit het frame valt’, peinzen ze zorgelijk. Op het moment dat Alex aan die allermoeilijkste passage begint, draait de cameraman zijn hoofd weg van zijn enorme telelens. ‘Ik kan niet geloven dat jullie hier echt naar kijken’, zegt hij. Nou, reken maar. Wij willen dit zien: een man met een obsessie die idiote risico’s neemt. Dat is het goede verhaal, het zuigende verhaal van onze tijd. Wij willen de heroïek van de uitzonderlijke eenling die zich opoffert voor een ideaal.

Een ideaal? Lang zwemmen, hoog klimmen? Ehh, vraag vooral niet verder. Het ideaal functioneert als de MacGuffin in een Hitchcock-thriller: het is het vage ding dat de plot in werking zet, meer niet. Waar het om gaat is dat wij willen trillen. Wij willen de extreme gedrevenheid zien van Maarten en Alex – en wij drijven hen op met onze morbide bewondering. We brengen hen naar het randje. Wij willen vergeten dat niet alles wat uitzonderlijk is, daarmee ook bewondering verdient.

Verlammend verhaal

‘De wet is lomp’, reageerde een bevriende juriste onaangedaan toen ik klaagde over de onrechtvaardige manier waarop een bepaalde regel voor mij uitpakt. Ze bedoelde dat een wet alleen werkt als hij ferm en in algemene termen gesteld wordt. De prijs is dat wetten dus geen oog hebben voor de bizarre, schimmige en onvoorziene situaties waarin individuen verzeild kunnen raken.

Het zal niemand zijn ontgaan dat er een heel lompe wet in de maak is. Eind vorige maand vertelde minister Grapperhaus dat hij sleutelt aan een wetsvoorstel dat opgedrongen seks strafbaar maakt, ook als de belaagde persoon niet expliciet ‘nee’ zegt. Zo kan de staat aanranders aanpakken die zich vergrijpen aan slachtoffers die van angst verlammen. Hoe nobel de bedoelingen van de wet ook zijn, zo’n juridische kader zal het opwindende plezier van het aftasten van erotische grenzen smoren, vrezen velen.

De vraag is welke scenario’s je impliciet in je achterhoofd hebt als je verzeild raakt in een seksueel geladen situatie. Wat je dan denkt te kunnen verwachten. Toevallig nam ik pas Het zijn en het niet ter hand, Sartres filosofische hoofdwerk uit 1943. Hele generaties inmiddels machtige babyboomers zijn opgegroeid met het idee dat Sartre het toppunt van cool is. In de jaren zestig en zeventig was je echt rebels, echt vrijgevochten, het tegendeel van een burgermannetje, als je je schaarde achter Sartre. Maar ook Sartre was een kind van zijn tijd. Zo illustreert hij zijn filosofische kernbegrip ‘te kwader trouw’ aan de hand van het gedrag van een meisje dat naar een eerste afspraakje gaat. “Ze kent heel goed de bedoelingen van de man die met haar praat”, stelt Sartre. “Maar ze wil de urgentie ervan niet voelen.”

Dan neemt haar date haar hand in zijne. Wat nu? Moet ze haar hand laten liggen, en dus instemmen met de flirt, of terugtrekken, en daarmee de ‘vage harmonie’ verstoren die de ontmoeting volgens Sartre ‘zo aantrekkelijk’ voor haar maakt? “Wat er dan gebeurt weten we allemaal: de jonge vrouw laat haar hand liggen, maar merkt niet dat ze die niet terugtrekt”, schrijft Sartre. “(..) de hand rust willoos in de warme handen van haar gesprekspartner: instemmend nog afwijzend – een ding.”

De hand beleeft een klein freeze-momentje. En hoe analyseert Sartre dat? “We zullen zeggen dat die vrouw te kwader trouw is”, zegt hij gezellig. In zijn ogen staat het meisje niet voor haar eigen gevoelens. Ze wil genieten van de begeerte van die man zonder er verantwoordelijkheid voor te dragen. En dit is dus het ‘inzicht’ waarmee een hele generatie zichzelf zeer vooruitstrevend achtende mannen is opgegroeid. Je ziet de omroepbazen, reclamedirecteuren en grijzende ceo’s die een jong ding voor zich zien al denken: ‘Even doorzetten nu. Vrouwen duiken nu eenmaal voor hun eigen lust.’

Het zou heel gemakkelijk zijn om die mannen-met-hun-Sartre met een vies gezicht weg te zetten, ware het niet dat er hele generaties vrouwen zijn opgegroeid met romantische pulp die dit patroon exact spiegelt – al is de toonzetting heel wat minder hoogdravend. Hier een paar zinnen uit de openingsalinea van Eenzaam hart, een willekeurig boekje uit de Bouquetreeks die ik zelf als meisje verslond. “Wie was hij, vroeg Sian zich af, terwijl ze heimelijk keek naar de man die zojuist was aangekomen. (..) Hij leek op een roofdier dat lui naar een kudde lag te kijken.” Op de volgende bladzijde heft de vreemdeling zijn hand, “(..) en één afschuwelijk moment dacht Sian dat hij haar zou slaan. Ze kon zich niet bewegen. (..) Terwijl hij haar tegen de boomstam gevangen hield, werd zij geconfronteerd met zijn gespierde lichaam.”

Nog een freeze-momentje. En het problematische is dat dit hier wel degelijk geërotiseerd wordt. Sian geeft onduidelijke signalen af, ze weet zelf nog niet wat ze wil, en deze krachtige, sterke, sensuele man zal haar de weg wijzen naar haar ware lusten. Dat is de plot van romantische pulp, keer op keer op keer.

Dit zijn dan de mannenverhalen en de vrouwenverhalen die hele generaties hebben meegekregen om een erotische ontmoeting te duiden. Het hoeft niet te bevreemden dat de resulterende erotische praktijk niet altijd even vrolijk is. Zulke verhalen moeten we misschien maar op een lompe manier de pas afsnijden. Bijvoorbeeld via een wet.

Schakeldier naar een vreemde wereld

Ik snap het wel, die consternatie over robots, maar ik word er ook een beetje moe van. Opeens moeten we ons kennelijk ethische vragen gaan stellen over hoe we intelligente machines behandelen, omdat het moeilijk zou zijn om precies te zeggen waarin ze van ons verschillen. De Britse schrijver Ian McEwan, die na publicatie van zijn nieuwe roman Machines zoals ik overal zijn zegje doet over robots, vindt dat ‘iets’ met bewustzijn ook aanspraak kan maken op mensenrechten. Voor robots is het daarvoor nog te vroeg, oordeelt de romancier. Het ontbreekt hun nog aan twee belangrijke menselijke eigenschappen: empathie en wraakgevoelens.

En dieren dan?’, denk ik. Bepaalde dieren slagen met gemak voor de kwalificatietest van McEwan: ze zijn onmiskenbaar intelligent en bovendien gevoelig genoeg om medelijden en wrok te kunnen tonen. Dat geldt voor mensapen, maar ook voor olifanten en wolven en voor wie weet welke diersoorten nog meer. Ik ervaar de heisa over een fatsoenlijke omgang met robots als een stofwolk die wordt opgetrokken om een andere, veel minder vrijblijvende en veel relevantere morele vraag aan het zicht te onttrekken: waarom denken we Dieren zoals wij te kunnen behandelen zoals we doen?

Van jongs af aan zijn we omringd door nepdieren in rare kleuren. We leggen beren en bunny’s bij baby’s in bed. Peutervoorleesboeken projecteren prille emoties bijna altijd op dieren. Donald Duck laat de kindertjes wennen aan de dwaasheid van het bestaan. Echte knuffeldieren halen we ook in huis. Maar ook al kloppen hun hartjes en ook al moeten ze worden verzorgd, ze zijn eerst en vooral een projectiescherm voor onze behoeften en fantasieën. Levend speelgoed, volkomen ingelijfd in de menselijke orde.

Vroeger gingen we anders met de dieren om, stelt John Berger, de Britse schrijver en kunstkenner die zo prachtig heeft geschreven over de teloorgang van het dorpsleven in de Franse Alpen. In een laat essay, Opening a gate, beschrijft hij de vleeshaken aan het plafond in zijn schrijfkamer aldaar. Het slachten van dieren was nooit ver weg, de worsten droogden aan de lucht. Stukken vlees van dieren wiens adem je ‘s nachts naast je had gehoord. Je was intiem met dieren, maar zonder hen als een verlengstuk van jezelf te zien. Dankzij dieren wist je juist dat jouw orde niet de enige was. Dieren lieten je merken dat sommige verschijnselen in de wereld niet bestemd zijn voor jouw zintuigen.

Honden kunnen die poort naar een andere belevingswereld voor ons openen, aldus nog steeds Berger. ‘Hun ogen, wiens boodschap ons vaak verwart omdat die dringend is en stom, zijn afgestemd op zowel de menselijke orde als op andere zichtbare ordes.’ Honden willen niet alleen iets van ons, maar ook iets met ons. Zij zijn het schakeldier.

Ik meen te begrijpen wat Berger bedoelt, want ik heb een hondje. En hoewel mijn Fien bijna niets wilds meer heeft, verleidt zij mij dagelijks om te kijken naar het niet-menselijke in het stadspark waar ik met haar wandel. Zij staat stil bij dingen waar ik geen weet van heb. En steeds weer vergeeft ze me mijn absurde onverschilligheid. Ze blijft me uitnodigen om het andere te ervaren.

Wat dieren betreft zijn we flink in de war. We hebben moeite om ze goed in focus te krijgen. De manier waarop we onze huisdieren vertroetelen en verkindsen wijst op teveel gelijkschakeling; we zien niet onder ogen hoe vreemd deze dieren ons ook zijn. En van onze productiedieren zien we juist niet graag hoezeer ze op ons lijken. De bulk van de grote dieren op aarde is inmiddels getemd en geteeld en woont in stallen en schuren; slaafdieren die wachten op de slacht. En de nog resterende grote wilde dieren van de wereld eten wij in rap tempo op, zo viel onlangs te lezen in deze krant.

Onze miskenning van dieren maakt dat we de meest prangende ethische vragen niet stellen over wat wij hen laten ervaren. En daarmee gaat ook voor ons iets belangrijks verloren. Gedachteloos maken we hun orde kapot. Waar wij het vroeger samen met de dieren moesten zien te rooien in een vreemde wereld, moeten de dieren nu overleven in onze wereld. Mijn hondje kan mij nauwelijks meer uitnodigen om het andere te zien. Ik vind dat onuitsprekelijk droevig.

Waarheidspijn

‘Nee hè!’, dacht ik toen ik afgelopen week de krantenkop las over het rapport van de Adviescommissie-Van Rijn. Die kop luidde: ‘Meer geld naar technische universiteiten ten koste van algemene universiteiten’. Fijn voor de technische universiteiten, maar dat betekent dus nog minder middelen voor de algemene. Van vrienden hoor ik hoe hoog de werkdruk daar is, hoe afgepeigerd ze zijn, hoe het management gokt op hun arbeidsethos. Want wetenschappers doen hun geliefde onderzoek toch wel, of ze er nu voor betaald krijgen of niet, en zijn veelal te fatsoenlijk om hun studenten af te poeieren met de minimale begeleiding die ze hun kunnen geven in de uren die daarvoor staan. En dan moeten die algemene universiteiten ook nog geld gaan overhevelen naar de technische universiteiten? Dat is adding insult to injury.

De injury is dat dit kabinet liever wetenschappelijk personeel afknijpt dan kennisverwerving en -verbreiding ruimhartiger te begroten. Die injury treft alle ambtenaren in de wetenschap, ook die van technische universiteiten. De insult valt echter vooral geesteswetenschappers ten deel. Historici, filosofen, literatuurwetenschappers, cultuurvorsers en rechtsgeleerden worden niet alleen uitgemolken op de universiteiten, maar ook weggehoond door volkse politici die hen maar praatjesmakers vinden, terwijl elitair rechts hen neerzet als postmoderne ondermijners van de Westerse Waarheid. Ondertussen onderkennen beleidsmakers kennelijk wel de ‘maatschappelijke schreeuw’ om technisch personeel, maar zien ze niet dat de samenleving ook snakt naar de vaardigheden van geesteswetenschappers.

Ik hoor in de maatschappij namelijk nog meer dan die schreeuw om technisch personeel. Ik hoor ook gejank en gekerm dat ik duid als uiting van waarheidspijn. Kreten van rouw om de teloorgang van een gemeenschappelijk kennisfundament. Zeker, vroeger hing de interpretatie van feiten ook al af van je standpunt, maar dat bleef een soort geheim van de elite. Inmiddels is bevolkingsbreed doorgedrongen dat de waarheid niet bestaat. En nu weten we collectief niet meer wat we moeten geloven. Hoe moet je al die verschillende gezichtspunten waarderen, wat kun je nog voor waar aannemen?

Vraag het geesteswetenschappers, zou ik zeggen. Hun kennis is niet universeel, zoals die van bèta’s, maar soms wil je juist begrijpen waarom een bepaalde groep mensen denkt, voelt en handelt zoals ze doet. Waarom antivaxers het Rijksvaccinatieprogramma niet vertrouwen maar wel blind varen op ‘alternatieve’ kennisbronnen bijvoorbeeld, of waarom Baudet kan flirten met Rusland zonder dat dit zijn achterban afschrikt. Ik vind dit mysterieuze zaken, en je hebt geaarde, lokale kennis nodig om daar een goede verklaring voor te vinden. Nog urgenter zijn de duidingsvaardigheden van geesteswetenschappers. Zij weten hoe ze betekenis moeten vinden in een zee van feitjes en meninkjes. Zij hebben een gescherpt oog voor de werking van de verhalen die mensen zichzelf vertellen in een poging grip te krijgen op hun bestaan. Juist daar zijn ze in getraind.

Jouw verhaal over wat er in de wereld werkelijk toe doet, hoeft het mijne niet te zijn. In een democratie zullen – moeten – meerdere van zulke verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Uit het kale feit dat jij een ander verhaal hebt dan ik, kun je niet concluderen dat één van ons twee ongelijk moet hebben. Maar – en nu nuchter blijven denken – er volgt net zo min uit dat wij allebei gelijk hebben. Noch dat in een pluralistische wereld alles ‘slechts een verhaal’ is. Logisch gesproken zijn alle drie die gevolgtrekkingen onzin. De waarheid doet er nog net zo sterk toe als in de tijd vóór de waarheidspijn. Het enige wat je nu gedwongen bent onder te ogen zien, is dat jouw waarheidszoekende verhaal niet per se de waarheid is. Dat een verhaal-met-waarheidsclaim altijd nadere toelichting vergt.

Het werkelijke vraagstuk is wat het in feite altijd al was: raakt dit verhaal aan de waarheid en zo ja, hoe dan en hoe weet je dat? In zekere zin is dit een onmogelijk vraagstuk; de waarheid blijft altijd in het verschiet. Maar al onderzoekende leer je wel degelijk iets belangrijks, iets cruciaals. Namelijk welk verhalen zwak zijn, of zelfs duidelijk onwaar of onzinnig. En dat lijkt me kennis met een enorm praktisch en maatschappelijk nut.

Geesteswetenschappers hebben het gereedschap in huis om verhalen in een pluralistische leefwereld op hun waarde te beoordelen. Hoor hoe de samenleving daar om smeekt. Beledig geesteswetenschappers dus niet. Gebruik hen.

Stuntelen

‘Ik stuntel dus ik ben’, was dit jaar het motto van de Maand van de Filosofie – en wat een heerlijk onderwerp om over te peinzen! Stuntelen is weliswaar al een tijdje hot, maar dan in de ‘kijk mij nu eens gek doen’-variant van de wittewijnbrigade. Dat soort Bridget-Jones-achtig stuntelen verklaart zichzelf bij voorbaat ongevaarlijk: in het beste geval amusant, in ieder geval oninteressant. Serieus stuntelen daarentegen betreft het in de bek kijken van onze eigen onvolkomen, tastende natuur. Serieus stuntelen is het leven – jouw leven – durven zien als een probeersel, om dan te midden van alle overduidelijke tekortkomingen in en om je heen toch je bijdrage te leveren en je geluk te vinden. Het is het onvermijdelijke falen aanvaarden zonder de handdoek in de ring te gooien. Het is volwassen zijn.

Wat zou ik graag zien dat onze democratie volwassen werd. En dan bedoel ik niet dat we ons nu eindelijk eens netjes gaan gedragen volgens de spelregels van de representatieve democratie, zoals veel beroepspolitici stiekem hopen. Nee, ik bedoel dat we onder ogen zien dat een perfecte democratie nooit en te nimmer zal bestaan – niet eens kán bestaan. Als we zouden kunnen aanvaarden dat we in feite maar wat aanklungelen in het licht van een democratisch ideaal, dan zouden we ons misschien wat minder vastbijten in woede over het feit dat de huidige democratie onvolmaakt is. Wat zo is. En wat dus altijd zo zal zijn. Niet alleen omdat elke tijd zijn ijdele, benepen, corrupte politici kent. Maar vooral omdat zelfs de meest bevlogen en integere politici – de besten onder ons – ook maar wat proberen.

Volwassenheid hangt voor mij samen met basale aannames over de aard van de wereld. Plaats je onze oorsprong in de oersoep, of in een machtige entiteit die de boel onder controle heeft? Oersoepdenkers zien het hele leven als hoger geklungel. Ons bestaan danken we aan toevallige combinaties en mutaties die in de loop van heel veel tijd uitgroeiden tot ons: een levensvorm met gedachten, emoties en intenties. Het is nog een hele klus om dat proces te begrijpen, maar duidelijk is wel dat wij mensen nergens naar toe bewegen. Er is geen beoogde orde die we moeten bereiken. We zijn er, dat is alles.

Hoe anders ervaar je de wereld als je gelooft dat jouw bestaan een uitvloeisel is van een of ander plan van hogerhand! Als er dan iets niet lekker loopt in je leven, hoef je het niet te wijten aan toeval, of geklungel van jezelf en je sukkelige evenknieën, maar kun je de schuld geven aan een ontaard of oneerlijk ontwerp. Zo’n in wezen infantiele kijk op de wereld voedt verongelijkte gevoelens. Je acht je tekortgedaan door iets of iemand. Om te beginnen door papa of mama natuurlijk. En als je niet gaandeweg leert leven met het menselijk tekort, blijf je teleurstellingen volgens dezelfde logica wijten aan ‘de politiek’, de diepe staat, of een heel gemene gedegenereerde engel. Complotdenkers kunnen simpelweg geen afscheid nemen van het idee van almacht. Ze hebben psychologisch behoefte aan de fantasie van een meesterhand. Ze willen zich beroofd voelen van een of andere volmaakte toestand die hun deel had moeten zijn. Het idee van een boosdoener vinden ze kennelijk beter te verdragen dan het idee van radicale openheid.

Ergens in de achttiende eeuw werd de moderne democratie in de steigers gezet. Een clubje mannen dat zich met geen mogelijkheid een voorstelling had kunnen (of willen) maken van de meervoudigheid en meerstemmigheid van onze huidige wereld, bedacht dat ‘het volk’ voortaan zichzelf zou gaan regeren. Dat clubje formuleerde enkele organisatieprincipes, zoals een strikte scheiding tussen rechters en regeerders, het cyclisch openbreken van de macht via verkiezingen, de stelregel dat deskundige ambtenaren zich onderschikken aan de politieke baas van het moment. Verdomd goede principes – en tegelijkertijd ook maar bedenksels waar we sinds die tijd mee verder klungelen. Het hele idee van democratie draagt zijn praktische tekortkomingen van meet af aan in zich, en van die tekortkomingen kun je als burger flink last hebben. Maar zie alsjeblieft ook hoe al dat geklungel in het licht staat van idealen zoals redelijkheid, gelijkheid en een open dialoog. En wat voor een prestatie het eigenlijk is dat dergelijk geklungel zomaar uit de oersoep is voortgekomen.

Boze witte mannen serieus nemen

Je hebt het maar te doen met het lichaam en karakter waarmee je geboren bent. Kwestie van geluk (of pech). Maar dat wil niet zeggen dat je jezelf verder als een voldongen feit kunt beschouwen. Er is altijd ruimte om jezelf bij te sturen – en dat behoort een mens ook te proberen, vond Aristoteles al. De hedendaagse Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt noemt dat een kwestie van jezelf serieus nemen.

Frankfurt ziet mensen als een soort systeem waarin gevoelens, opvattingen en handelingen elkaar over en weer beïnvloeden. Ingewikkeld verhaal, maar het punt is: wat je voelt, en wat je overkomt, staat niet los van je overtuigingen. En overtuigingen kunnen niet deugen. Een fatsoenlijk mens stelt die dan bij, waardoor gevoelens en gedrag vanzelf gaan meebewegen. Voorbeeld: een fietser snijdt jou af, het bloed stijgt naar je hoofd, je vloekt – totdat je je realiseert dat die fietser in feite voorrang had. Jouw overtuiging deugde niet, en met dat inzicht verandert je gevoel. Die woede van zojuist wordt een beetje belachelijk. Mensen die dan alsnog in hun woede blijven hangen, kijken niet helder naar zichzelf. Ze nemen zichzelf in feite niet serieus, aldus Frankfurt.

Mij hoor je niet zeggen dat het gemakkelijk is om jezelf serieus te nemen. Vaak genoeg denk ik dat het leven onze diersoort schromelijk overvraagt. Daar zit je dan met je diepe en hevige gevoelens. Ze overspoelen je, en je kunt ze niet eens vertrouwen. Want jouw gevoelens kunnen gebaseerd zijn op een vergissing, zoals in het geval van die fietser. En zelfs als de feiten kloppen, wil dat nog niet zeggen dat het daarmee samenhangende gevoel deugt. Misschien houd je er wel foute overtuigingen op na. Overtuigingen waaraan je moet werken als je jezelf serieus wilt nemen.

Bijna vijf jaar geleden schoot ‘involuntary celibate’ Elliot Rodger zes mensen dood in Californië, woedend als hij was dat vrouwen hem seks weigerden. Ik denk niet dat Elliot zich vergiste: hij had vast goed gezien dat geen vrouw seks met hem wilde. Invoelbaar is ook dat hij daar flink van baalde. Het probleem schuilt in de overtuiging die Elliot er kennelijk op nahield, namelijk dat zijn diepgevoelde verlangen naar seks met vrouwen hem ook recht geeft op seks met vrouwen. Boos zijn op vrouwen die geen seks met je willen is niet alleen enorm kinderachtig maar ook overduidelijk fout. Ik bedoel maar: als Elliot iets demonstreerde met zijn daad, dan is het wel dat gevoelens je nog geen vrijbrief verschaffen. De opvattingen die met die gevoelens samenhangen, moeten ook deugen. Een beetje vent kijkt daarom niet alleen naar de wereld om zich heen, maar ook naar zichzelf.

Politici als Buma, Dijkhoff en Marijnissen bekommeren zich momenteel enorm om boze witte mannen, maar over dat vereiste zelfonderzoek hoor ik ze weinig. Witte mannen kunnen boos zijn wat ze willen – op vrouwen, op de elite, zeg het maar – hun woede is daarmee nog geen vrijbrief. Ook boze witte mannen horen rekening te houden met de mogelijkheid dat hun kijk op de wereld niet deugt. Kwestie van jezelf serieus nemen.

Zelf ben ik niet zo boos. Ik ben eerder bang. Bang voor politici die deemoedig buigen voor de woede van briesende witte mannen, en die woede en passant kapen voor hun eigen agenda. Dergelijke politici lijken puur te reageren op kracht en volume. Ze willen bloeien op bullebakken. Ze lijken te vergeten dat het hun eerste taak is om de maatschappij juist te beschermen tegen bullebakken.

Natuurlijk moeten politici de woede van witte mannen serieus onderzoeken, maar laat dat alsjeblieft niet betekenen dat ze laf en klakkeloos buigen voor grote bekken. Laat dat betekenen dat politici vragen naar de redenen voor die woede. Persoonlijk denk ik dat politici dan veel goede redenen te horen zullen krijgen. Maar sommige redenen zullen stoelen op onwaarheden of op een kleinzielige moraal. Durf dat dan ook te zeggen. Als je geen onderscheid maakt tussen goede en slechte redenen voor boosheid, dan behandel je alle boze witte mannen in feite als infantiele schreeuwers – terwijl slechts sommigen van hen dat zijn. Die laatste groep weerwoord geven is het meest eerlijke, het meest egalitaire, het meest democratische, wat je kunt doen. Dat is boze witte mannen serieus nemen.

Onsterfelijk

“Mensen zeggen altijd als er iemand is doodgegaan die ze goed kennen ‘het was zo onwerkelijk’. Maar in feite is het omgekeerd: het is juist ontzettend werkelijk. De rest is allemaal onwerkelijk.” Aan het woord is kunstenaar Jeroen Eisinga, die bij De Wereld Draait Door zijn nieuwste kunstwerk komt toelichten: een film van een uur waarin schapen in de sneeuw staan te turen naar een dode soortgenoot. Matthijs van Nieuwkerk heeft zojuist gevraagd of je mag zeggen dat dit kunstwerk over de dood gaat, en ja, dat mag van Eisinga. “We leven in een imaginaire wereld vol meningen”, zegt hij. “De dood is eigenlijk het laatste ding dat zich verzet tegen die inkapseling in het imaginaire.” Daarmee is zijn nieuwe film ‘een plak van de werkelijkheid’, zegt de kunstenaar ook nog.

Tafelheer Van Dis draait wat in zijn stoel. Hij weet niet of hij het helemaal begrijpt, ‘maar dat geeft niet’, zegt hij. En nee, dat geeft ook niet. De rust, de volstrekte eigenheid, van Eisinga komen toch wel over. Je voelt het. Even contact met een plakje werkelijkheid.

Dit nieuwe werk is te zien op de tentoonstelling ‘Expeditie Eisinga’ in de Electriciteitsfabriek in Den Haag. Daar wordt ook Sehnsucht geprojecteerd, een korte film uit 2002 die ooit een sluier voor mijn werkelijkheid wegtrok. Ook Sehnsucht gaat over de dood, althans, voor mij. De setting is grafisch spectaculair: op een zwart-witte tegelvloer ligt rustig een zebra te ademen. Gaandeweg bekruipt je een onbehaaglijk gevoel. Iets klopt hier niet. Die buik gaat wel op en neer, maar is het door ademhaling? Dan daagt het je dat je kijkt naar een versneld afgedraaid ontbindingsproces: de zebra schudt heen en weer door de bacteriën die hun gang gaan in zijn ingewanden. Even is er pure afschuw. Totdat je beseft: ik kijk naar leven – alleen niet naar het leven van de zebra. Dit is de dood in het leven, dit is leven in dood. En dit gaat over mij.

Doodgaan is het einde van mijn individualiteit. Natuurlijk vrees ik dat einde, omdat het mij en mijn voorstellingsvermogen te buiten gaat. Eisinga laat je oefenen met het idee van je eigen dood, en met de ruimte die dat maakt voor ander leven. Voor vernieuwing. Doodgaan is niet leuk, het is eng. Maar het is ook zoals het hoort. Het is goed zo.

Transhumanisten denken daar heel anders over. Zij fantaseren over onsterfelijkheid – liefst die van henzelf. Een slimme versmelting van mens en techniek moet dat ideaal dichterbij brengen. Lichamelijke processen zijn in feite algoritmen nietwaar! En die kun je dus (inclusief ‘jouw’ datasets) formaliseren en naar andere hardware overbrengen als de oude hardware – jouw in de versukkeling geraakte lichaam – niet meer te repareren is. in Silicon Valley betonen nogal wat superrijke hyperindividualisten zich gecharmeerd van dit idee. Zij behoren tot de doelgroep van Calico, een biotechbedrijf dat Google in 2013 oprichtte om technische oplossingen te vinden voor menselijke sterfelijkheid.

Kunstwerken als die van Eisinga stellen je in staat om zijdelings aan je eigen dood te wennen. En hoe meer ik dat doe, hoe meer ik besef dat doodgaan misschien angstig is, maar dat onsterfelijkheid pas echt een ramp zou zijn. Praktisch en politiek gesproken, want wie zouden er onsterfelijk worden? De mensen die het kunnen betalen. Dat lijkt me slecht nieuws, want zo komen we nooit meer af van die types die al het bezit en de macht van de wereld vergaren. Dan pakken zij niet alleen de leefruimte af van armere mensen, maar ook de leeftijd.

Ook spiritueel gesproken zou onsterfelijkheid funest zijn. Simone de Beauvoir maakt dat mooi invoelbaar in haar roman Alle mensen zijn sterfelijk uit 1946. Daarin drinkt een Italiaanse vorst een onsterfelijkheidselixer en komt hij er geleidelijk achter wat een vloek dat is. Zijn (sterfelijke) geliefde bijt hem toe dat niets wat hij doet haar ontroert, omdat er voor hem toch niets op het spel staat. Hij heeft eindeloos veel andere mogelijkheden, waardoor hij in feite nooit kiest. Dat maakt zijn daden betekenisloos.

Ofwel: als je de dood niet onder ogen ziet, leef je pas echt in een virtuele wereld. Geen plakje werkelijkheid meer te bekennen. Maar misschien is dat wel precies wat ze willen, daar in Silicon Valley.

Zie mijn woede

In de hal van het Gare du Nord zit een frisse jonge man achter een tafeltje. Naast het tafeltje een banier dat rept van een ‘nationaal debat’. Erop wat papieren, die ik in mijn haast om Parijs in te komen niet inkijk. Er gebeurt verder niets rond de tafel: er staan geen mensen, er is geen beweging. Hier komt dat nationale debat in ieder geval niet van de grond.

President Macron proclameerde een grand débat national als reactie op briesende menigten gekleed in gele hesjes die zich nu al maanden in Frankrijk roeren. Mijn man ziet zijn actie als een slimme tactiek. ‘Je zegt: “Mensen, we hebben geen oorlog, we hebben een debat.” Zo demonteer je de granaat. Momentum voorbij, president kan blijven zitten’, zegt hij. Ik zie wat hij bedoelt. Tegelijkertijd denk ik: wat moet Macron dan? Wat zit er anders op dan praten (en luisteren)? Hoe moet je anders reageren op al die woede?

Onder filosofen heeft woede een slechte pers. Het enige dat er misschien goed aan is, is dat woede aangeeft dat je waarden hebt, zei Aristoteles al. Je wordt immers kwaad als iets dat jij waardeert schade ondervindt. Aristoteles benoemde nog twee condities om van woede te kunnen spreken: je moet geloven dat die schade iemand te verwijten valt, én je moet verlangen naar een soort compensatie of vergelding. En daar, zodra het gaat over vergelding, beginnen de meeste filosofen met hun hoofd te schudden. Niet wijs! Beter is het om adem te halen, je ogen op de toekomst te richten, en te komen met constructieve voorstellen die recht doen aan jouw gekrenkte waarden.

Verstandige woorden van de zelfbenoemde denkelite. Maar het maken – en verwoorden – van constructieve voorstellen veronderstelt een inspanning waarvan ik me soms afvraag of de moderne boze burger die kan leveren. Het vraagt dat je je woede omzet in een taal die je niet ervaart als de jouwe, de taal van ‘hullie daar in Parijs’ (of Den Haag). Je staat hoe dan ook bij voorbaat al op achterstand, omdat de bestuurlijke elite veel geoefender is in het werken met woorden dan jij. Wat de frustratie en woede alleen maar verdiept.

Zo althans analyseert de jonge Franse intellectueel Édouard Louis de woede van de gele hesjes. ‘De upper class veroordeelt woede, maar dat is wel heel gemakkelijk. Ze heeft er geen behoefte aan omdat ze macht heeft’, zei hij in Filosofie Magazine van vorige maand. Zelf werd Louis overigens gillend gek in het bekrompen Noord-Franse arbeidersmilieu waar hij als homoseksuele jongen opgroeide. Zodra het kon, vluchtte hij naar Parijs. Maar nu snapt hij zijn milieu, en neemt hij het ridderlijk voor ze op.

Ik denk dat er veel waarheid schuilt in deze kritiek op de politieke overleg-elite. Maar ik vind het ook wat laf om ten overstaan van woede gelijk door de knieën te gaan. Dan wordt de filosoof in mij toch weer wakker. Woede is een teken dat er waarden gekrenkt zijn, en daarom verdient ze onderzoek. Maar als het blijft bij lekker woedend blijven, schiet het allemaal niet op. Onze democratie draait nu eenmaal op woorden. Zo bereik je elkaar in een gemeenschap van halve vreemden.

Goed gebruik van woorden vereist inspanning. De politieke elite heeft onmiskenbaar een voorsprong als het op het hanteren van woorden aankomt, en in die voorsprong schuilt ontegenzeggelijk iets onrechtvaardigs. Maar om toe te treden tot de elite, hebben zelfs zij zich moeten inspannen. Ook zij hebben moeten leren om hun woorden te verdiepen en te verbeteren. Dat valt evenmin te ontkennen.

De gele hesjes lijken die inspanning om te zoeken naar de juiste woorden niet te leveren. Integendeel, ze zijn militant anti-politiek, zoals James McAuley zegt in de New York Review of Books. Ze willen niet in debat. Hun opstand is eerst en vooral een performance. Ze willen gezien worden – vandaar ook dat symbool van het gele hesje.

Soms is zo’n performance nodig. Kennelijk voelde Macron de smeulende woede eerder niet aan, en dat valt hem te verwijten. Maar ik zie niet wat hij als politiek leider nu anders kan dan zeggen: ‘Et alors? Wat zou je willen afbreken? En vooral: wat zou je weer willen opbouwen? Praat met me!’ Als je niet praat, is verongelijktheid je lot.

De wolf die terugkomt

Wolvin GW998f heeft het wolvenplan in werking gesteld. Door langer dan een half jaar op de Veluwe rond te lopen, is ze per definitie veranderd van een passant in een bewoner waartegen boeren geacht worden hun schaapjes te beschermen. Er schijnt inmiddels ook een mannelijke wolf om haar heen te snuffelen, dus wie weet jaagt er straks voor het eerst in honderdvijftig jaar weer een roedel wolven over de Nederlandse velden.

Beleidsmakers, wetenschappers en lobbygroepen vragen zich bezorgd af wat ons te wachten staat nu we de wolf weer in ons midden toelaten. Want hoewel de nu ronddolende wolven nog geen mens kwaad hebben gedaan, zit de angst voor de wolf er diep in. De wolf is ons wilde dier. Valt zo’n beest wel te beheersen? Anderzijds: moet echt alles in Nederland dan tam zijn? Persoonlijk vind ik dat een verstikkende gedachte.

In Europese sprookjes en mythen staat de wolf vaak voor het geweld in onszelf. Woeste Vikingkrijgers die naar het slagveld trokken, waren gehuld in een wolfsvel, ‘vaak met de kop er nog aan’, zoals Dik van der Meulen schrijft in zijn mooie wolvenboek De kinderen van de nacht. Deze krijgers werden ‘ulfhednar’ genoemd, wat wolfsmantel betekent. Sommigen zeggen dat de wolfsmantel er was om bedeesdere medesoldaten te waarschuwen: dit is het type krijger dat in een roes van geweld het verschil niet meer ziet tussen vriend en vijand, en jou dus zomaar kan aanvallen.

Homo homini lupus, ‘de mens is de mens een wolf’, wist ook Thomas Hobbes. De gewelddadige menselijke inborst maakt de samenleving gevaarlijk. Zonder beteugeling leeft iedereen in angst. De enige oplossing, zo redeneerde Hobbes in de vroege zeventiende eeuw, is dat mannen het uitoefenen van geweld overlaten aan de soeverein, die daar het monopolie op krijgt.

Met name voor jonge mannen blijkt dat een moeilijke opgave. Soms leerden zij grip op zichzelf te krijgen dankzij een soort inwijdingsritueel waarbij ze een tijd ronddoolden in de Europese wouden, gehuld in de pels van een gevilde wolf. Het adagium: zie jezelf onder ogen en kom terug als je je impulsen onder controle hebt. Sommigen kregen dat nooit helemaal voor elkaar en veranderen op gezette tijden weer in een wolf. De mythe van de weerwolf zou hier op geënt kunnen zijn.

De weerwolf heeft naast zijn woede ook zijn lust niet goed in bedwang. Zo verhaalt een Nederlandse sage van een knecht ‘op de achterste boerenhoeve’, die eigenlijk een weerwolf is. De knecht loopt met een meisje op en krijgt de drang om weerwolf te worden. Snel stuurt hij haar weg. Hij geeft het meisje nog wel een zakdoek mee, met de instructie die naar een grote hond te gooien, mocht ze aangevallen worden. En jawel, daar springt een groot woest beest uit de bosjes! Het meisje gooit de zakdoek in zijn snuit en rent naar huis. Daar zit de knecht al, met restjes zakdoek tussen zijn tanden.

Een vrouw in de late Middeleeuwen weet wat ze moet doen als haar man weerwolf wordt. Ze laat hem buiten uitrazen. Als hij weer bij haar aanklopt, reageert ze niet. Want als ze de deur wel opendoet, ziet ze haar man in wolvengedaante, vreet hij haar op, en verdwijnt hij voorgoed in de bossen. Bij de tweede keer kloppen moet ze ook nog niet opendoen; haar man heeft dan nog steeds een wolvenkop. Pas bij de derde keer is hij weer in zijn gewone doen en kan ze hem binnenlaten.

Europa valt gemakkelijk terug op een retoriek waarin mannen in wilde beesten veranderen. Eenmaal beest moeten ze vooral wegblijven (of sneuvelen). Het grote probleem is: wat doe je als ze terugkeren en weer man willen worden? Krijg je ze echt ingevoegd in de orde, of zullen ze gaan weerwolven? Het is precies dit probleem wat de regering heeft met terugkerende IS-strijders. Evenals voor de gewone wolven zijn er al plannen opgesteld en beheersteams ingericht. Maar die nemen de angst niet weg.

De wolvenenergie van jonge mannen krijg je (gelukkig) nooit helemaal ingetoomd. Logisch dat ze angst inboezemen. Wat doe je eraan? Fransiscus van Assisi, die heilige die met de dieren sprak, had een aanpak ik het navolgen waard vind. Tegen de wolf zei hij: ‘Broeder, ik ken uw honger’.

De waarheid en de koe

Het lastige van kennis is dat je er niet onnozel bij kunt blijven. Deels is dit een waarheid als een koe: wetenschap heft per definitie onnozelheid op. Maar er zit ook een ethische kant aan de uitspraak: je kunt het als mens niet maken om je ogen te sluiten voor wat je weet. Doe je dat wel, dan ga je moreel failliet.

Dat failliet dreigt in onze omgang met landbouwhuisdieren. Zolang je dieren oprecht kan zien als een soort machientjes die God heeft ontworpen om jou voedsel, bont en trekkracht te leveren, heb je geen moreel probleem. De zoveelste stalbrand is dan gewoon een vervelend – want duur – bedrijfsongeval. Maar op het moment dat je de evolutietheorie tot je door laat dringen, weet je dat productiedieren een lichaam hebben dat zeer vergelijkbaar is met het onze. We sluiten deze dieren op, buiten ze uit, slachten ze af – en met de kennis van nu staat vrijwel vast dat de dieren daaronder lijden. Wat je daar verder ook voor praktische consequenties aan verbindt, die kennis leidt tot een enorm moreel probleem.

Nog zo’n weetje met morele implicaties: onze leefwijze verandert het klimaat. En diezelfde productiedieren zijn daarbij een cruciale schakel. Gras omzetten in melk en vlees is een heel gedoe waarvoor een koe vier stevige magen nodig heeft en waarbij het beest een hoop methaangas produceert. Opgeteld leveren de scheten en boeren van het Nederlandse vee op dit moment meer broeikasgassen dan de tien megaton die de totale Nederlandse bedrijvigheid volgens de klimaatdoelen in 2050 zou mogen uitstoten. Dus: alleen als het ons lukt om volkomen klimaatneutraal te leven en werken, kunnen onze productiedieren op dezelfde schaal blijven gisten. Je kunt het wegzetten als klimaatdrammen, maar als je dit eenmaal weet, zul je toch echt moeten concluderen dat onze praktijken rond productiedieren onhoudbaar zijn.

De vraag is: op welke veranderingen koers je? Ga je jezelf aanpakken, of de productiedieren? Dat laatste is natuurlijk het meest gerieflijk voor ons. En dus zijn mensen in de sector naarstig op zoek naar koeien die minder scheten laten. Fokken ze zeugen die zo dociel zijn dat ze ook in een piepklein hok lief blijven voor hun biggetjes. Fantaseren ze over het kweken van blinde kippen, want een blinde kip zal haar buurvrouw niet pikken. En overwegen ze om het gen dat sommige koeien hoornloos ter wereld laat komen in het genoom van onze productiekoeien te monteren, zodat boeren hun hoorns niet meer hoeven weg te branden. Kortom: ze buigen de dieren om voor ons comfort. En in al deze voorbeelden zullen de dieren niet meer lijden dan nu, waarschijnlijk zelfs minder. Best slim eigenlijk!

Behalve dat ‘minder slecht’ wat anders is dan ‘goed’. Ik eet vlees en zuivel, en zit daar moreel niet mee in mijn maag. Maar naarmate ik meer weet over de manier waarop wij productiedieren houden, en wat dit betekent voor onze leefomgeving, groeit mijn schaamte bij de huidige praktijk alleen maar. Dit kan gewoon niet. Dit moet anders.

Dat betekent allereerst iets voor boeren. Boeren zijn niet kwaadaardig, maar het standaardverhaal van boeren die werken met dieren – dat ze hun best doen, maar knel zitten – is behoorlijk beroerd. Zodra een agrarisch ondernemer zich voornamelijk als slachtoffer van de omstandigheden gaat zien, heeft hij zijn eigen lot als ondernemer in feite bezegeld.

Ondertussen wordt van mij, als consument van vlees of dierlijke producten, wél ondernemerschap gevraagd, want ik krijg de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven. Ik koop dit, dus ik wil dit. Zeker, ik eet vlees en heb dus iets te verantwoorden. Maar ik kan inmiddels die kreet ‘de macht van de boodschappentas’ niet meer horen. Moet ik, wanneer ik aan de randen van mijn werkdag boodschappen doe – gehaast, bestookt door reclame, en met beperkte portemonnee – de verstandige keuzes maken die de partijen binnen het landbouwsysteem zelf uit de weg gaan? Mooi niet. Die aap mogen de professionals van dat systeem – boeren, maar zeker ook levensmiddelenbedrijven, supermarkten, adviseurs, de Rabobank – zelf op hun schouder houden. Het is tenslotte hun beroep.

De huidige omgang met productiedieren is onhoudbaar. Een modern mens hoort dat te durven weten. Wat daar praktisch uit volgt, moet je vooral zelf bedenken. Maar pak jezelf aan. Niet de dieren.