Levensmoe

Zo’n tienduizend niet zieke Nederlanders boven de 55 zouden liever dood zijn. Dat constateert de commissie onder leiding van ethica Els van Wijngaarden, die een dikke week geleden haar rapport naar buiten bracht. Op verzoek van de regering probeerde zij scherp te krijgen wat nu eigenlijk de omvang is van het probleem waar de ‘Voltooid-leven’-wet van Pia Dijkstra (D66) een oplossing voor wil zijn. Veel klaarheid brengt de studie niet, behalve dan dat de term ‘voltooid leven’ ietwat “te rooskleurig en verdoezelend” is voor de gevoelens die de commissie feitelijk onder senioren aantrof. Als die al een doodswens hadden, was die “complex en veranderlijk”.

Wat mij betreft is het rapport al een succes als het maakt dat we van dat gedrochtelijke begrip ‘voltooid leven’ af komen. Woorden doen er toe. Dijkstra praat graag over ‘eigen regie op een waardig levenseinde’, maar ik vind dat een akelige voorstelling van zaken. Alsof je leven een soort show is waarvan jij als regisseur autonoom kunt besluiten dat die nu maar het beste kan stoppen. Sterker nog: dat doorgaan jouw ‘levenswerk’ zou verpesten.

Niet dat een mens zichzelf van mij niet dood mag wensen. Hoe verdrietig ook, soms gun je iemand een einde aan lijden. Principeridders die verkondigen dat het leven altijd ‘goed’ is (want heilig of iets dergelijks) walsen over de concrete ervaringen van mensen met een doodswens heen. Het hele begrip ‘een goed leven’ heeft hoe dan ook alleen iets te betekenen als je erkent dat een mensenleven ook minder goed kan verlopen.

Sommige mensen willen dood, en als je die wens taboe verklaart op grond van je eigen ideologie, dan luister je niet goed. Dijkstra’s ‘Voltooid-leven’-wet vervalt echter in het andere ideologische uiterste. Haar plan komt er op neer dat je als autonome burger zelf moet kunnen beslissen wanneer je wilt sterven, én dat de staat jou daarbij moet gaan faciliteren door de weg naar zelfmoordpillen en stervenshulp vrij te maken. Het eerste deel van het plan is in feite loos. Zelfmoord is niet illegaal, dus toestemming van de staat is niet aan de orde. In wezen draait het wetsvoorstel dus om recht op (staats)hulp bij een doodswens. Maar waarom zou je die hulp zien als iets dat je kunt afdwingen?

Sinds enige tijd maak ik deel uit van een oefengroepje ‘geweldloze communicatie’. In weerwil van de poezelige term is dat een behoorlijk confronterende onderneming. We plukken voorvallen van stroeve communicatie uit ons eigen leven en spelen die ter plekke na, waarbij het de bedoeling is om te ondervinden wat je zelf kunt doen om zo’n gesprek beter te laten verlopen. De methode kent een paar basisregels. Zo is het allereerst zaak om helder te krijgen welke basisbehoefte er voor jou in het geding is. Die behoefte giet je dan in de vorm van een verzoek, waarbij je accepteert dat een ander desgewenst ‘nee’ kan zeggen. Een verzoek dat geen afwijzing verdraagt, is een verkapte eis.

Gelegd langs deze meetlat is het huidige debat over voltooid leven verre van ideaal, ja zelfs behoorlijk gewelddadig. Om te beginnen: welke behoeftes zitten er eigenlijk onder dat ‘verzoek’ om dood te mogen? Het is de verdienste van de commissie-Van Wijngaarden dat ze heeft doorgevraagd, en dat resulteert in een vaag beeld: mensen ervaren geen lol meer in hun leven, en/of piekeren, en/of voelen zich teveel, en/of zitten financieel in het nauw, en/of voelen de doodswens sowieso sterker in de winter. Het “complexe en veranderlijke” van die doodswensen wijst er wat mij betreft op dat de onderliggende behoeften zo helder nog niet zijn. Dan is een pilletje of spuitje een wel heel radicale maatregel.

Principiëler nog: het is volgens deze methode niet netjes, ja zelfs ‘gewelddadig’, om het vervullen van jouw behoeftes afhankelijk te maken van een specifieke andere persoon – of van een specifieke instantie, zoals de staat, zou ik daar aan willen toevoegen.

Je kunt een ander vragen om jou te helpen doodgaan, en die ander kan jou dat gunnen. Maar eis het niet. Maak een andere persoon of een instantie niet verantwoordelijk voor jouw lot. Je dendert dan over gevoelens van jezelf en anderen heen. En als je je daarbij op hoge toon op je autonomie beroept, ben je nog tegenstrijdig bezig ook.

Slaap

In de periode dat ik werkloos was, direct na mijn afstuderen, hing boven mijn bed het volgende citaat: ‘Ik blijf in bed want ik barst van de gedachten’. Het is een uitspraak van Oblomov, de indolente held uit de gelijknamige roman van de Russische schrijver Gontsjarov. Net als veel werklozen merkte ik dat ik steeds wat langer uitsliep omdat er gewoon niet zoveel was om mijn bed voor uit te komen, en Oblomovs kijk op de zaak troostte mij destijds. Inmiddels lig ik na een volle dag geregeld in bed en barst ik van de gedachten. Ze houden me wakker.

Eén op de vijf volwassenen lijdt naar verluid een periode in zijn of haar leven aan slapeloosheid. Slaapdeskundigen vermoeden een link met het moderne arbeidsethos, dat vraagt om lange werkdagen waarin alle minuten verantwoord en efficiënt moeten worden besteed. Een ethos dat toewijding aan je werk afmeet aan het feit dat je ook ‘s avonds nog reageert op ‘belangrijke’ werkmails. Zodat je in feite altijd piketdienst hebt, en je eigen huis niet langer een plek is waar je alles even van je af kunt zetten.

Ik heb een periode van serieuze slapeloosheid gekend. Met koortsig brein lag ik te denderen in mijn bed, nog steeds hyperalert. ‘Je moet slapen’, beet ik mezelf toe, ‘anders houd je het niet vol. Morgen staat er weer veel op het programma’. Tevergeefse instructies natuurlijk, want slapen is niet iets wat je kunt doen. Slapen is juist een kwestie van laten. Van overgave, van controleverlies. En dat was buiten mijn bereik gekomen. Dus stapelden de knarsende nachten zich op waarin ik ieder heel uur de klok hoorde luiden, en ieder half uur trouwens ook. Waarin ik de ganzen hoorde overvliegen en de goederentrein hoorde passeren. Waarin ik leerde welke vogelsoorten elkaar in de vroege ochtend met hun gezang opvolgen. Ik snakte naar een mentale pauze, naar even verlost zijn van mezelf en mijn gedachten. Maar ik kon het niet meer. Ik was mijn eigen bullebak van een manager geworden.

Veel machtige voorstanders van de liberalisering van de arbeidsmarkt laten zich er op voorstaan met heel weinig slaap toe kunnen. Ronald Reagan dommelde weliswaar veel, maar sliep weinig. Margaret Thatcher hoefde maar drie uur te slapen. Onze eigen Ruud Lubbers was een notoire kortslaper. En ook Donald Trump slaapt naar verluid maar vier uur per nacht. Het is eigenlijk raar dat we dit überhaupt weten. Waarom vinden deze leiders het nodig dit over zichzelf te vertellen? Alsof het een soort prestatie is. Alsof hun maatschappelijke succes op mysterieuze wijze samenhangt met kort slapen. Met ‘geen tijd verdoen’. Want tijd is geld, toch? Zelf zie ik eerder een andere samenhang: die tussen politici die ‘s nachts kort slapen en overdag een politiek voeren die burgers op scherp zet door ze tegelijkertijd meer te screenen en minder bestaanszekerheid te bieden. Misschien kunnen deze politici wel met zo weinig slaap toe omdat er tot hen gewoon niet zoveel indrukken doordringen. Omdat ze opvallend weinig ontvankelijk zijn. Waardoor zij dus niet zoveel te verwerken hebben tijdens hun slaap.

De nacht is de spiegel van de dag, leerde ik tijdens mijn periode van insomnia. Wie zijn dagen vol plempt en zichzelf opdraait, zal niet kalm zijn bedje instappen. Je moet een knop omzetten. De avond is er niet om nog snel even wat zaakjes te regelen, maar om een overgang te maken van activiteit naar rust. Die tijd moet je baas je gunnen, die tijd moet je jezelf gunnen.

Een arbeidsklimaat waarin heel veel mensen overdag rondrennen met het ongeruste gevoel dat ze constant moeten presteren, leidt onvermijdelijk tot nachtelijk gedraai en gewoel. Ook daarom zijn de zojuist verschenen adviezen van de WRR en de commissie-Borstlap over hervorming van de arbeidsmarkt zo welkom. Beide rapporten concluderen in feite dat het Nederlandse werk niet mensvriendelijk genoeg is, en adviseren de regering om te sturen op werk dat meer zekerheden geeft en een minder grote aanspraak doet op privétijd.

Niemand wil zijn zoals Oblomov. Niemand wil een overbodige persoon zijn die het leven sluimerend aan zich voorbij ziet trekken. Maar wij leven nu het andere uiterste. Al dat onzekere voorthollen leidt tot een chagrijnige, overprikkelde samenleving waarin de zoete slaap te vaak niet wil komen.

De samenleving heeft het gedaan

‘We waren nooit eerder zo rijk, veilig en welvarend, en toch worden we overspoeld door een golf van depressies en burn-outs. Hoe kan het dat miljoenen mensen in deze welvaart leegte en ongeluk ervaren?’ Vlak voor de kerst hield filosofische verdiepingsorganisatie the School of Life een bijeenkomst waarin drie Vlaamse zielzorgers deze ‘paradox’ kwamen belichten. Dat leverde overweldigend veel media-aandacht op en binnen een mum van tijd was de Stopera uitverkocht. Hier was duidelijk een snaar geraakt. Als moderator van die bijeenkomst ben ik nog steeds aan het peinzen over welke snaar dat nu precies is.

Wat in ieder geval in het oog springt, is dat de drie sprekers – psychiater Damiaan Denys, systeemtherapeut Dirk de Wachter en psycholoog Paul Verhaeghe – allen met hun vinger naar de samenleving wijzen. Die samenleving bestempelt geluk tot bewijs van een goed en succesvol leven. Maar aldoor gelukkig zijn is onhaalbaar, zeggen de drie Vlamingen. Tegenslag, verdriet en periodes van neerslachtigheid horen er ook bij. Door dat te ontkennen – erger: door je te behandelen alsof je een sukkel bent als het leven even niet meezit – creëert de samenleving juist psychisch lijden.

Met dat lijden kunnen mensen in het dagelijks leven geen kant uit. In arren moede zoeken ze dan toevlucht bij een diagnose: hun misère is het gevolg van een (psychische) ziekte. Zeker, ziek zijn is vervelend – maar het heeft ook voordelen. Eén: je ongeluk is niet langer een teken van persoonlijk falen, maar van botte pech. En twee: als zieke krijg je erkenning, hulp en respijt. In principe dan. Want in de praktijk zijn de wachtlijsten van de ggz ellenlang, precies omdat hordes mensen deze uitweg nodig hebben.

Deze analyse biedt herkenning en geeft opluchting – ook aan mij. Tegelijkertijd blijft er iets knagen. Ik hoor een holle echo van de antipsychiatrie van de jaren 1970: ‘Ik ben niet gek! De samenleving heeft het gedaan, want die is gek en ziekmakend!’ Dat maakt ons tot een soort badeendjes die willoos dobberen op verderfelijke maatschappelijke structuren. Het is zo passief allemaal. En bovendien veel te abstract gesteld; een samenleving is ook maar een woord voor een verzameling individuen. Wie is er nu aan zet? Wie moet er iets gaan doen aan deze narigheid?

Volgens Paul Verhaeghe in ieder geval de therapeuten en psychiaters zelf. Ze willen het misschien niet weten, maar in feite worden deze beroepsgroepen ervoor betaald om mensen die psychisch lijden te ‘normaliseren’, zodat ze weer mee kunnen doen in de maatschappij. Professionals in de geestelijke zorg corrigeren hun patiënten, en dat is een moralistische bezigheid. Begin eens met dat moralisme te onderkennen, want dan kunnen we het er tenminste over hebben, stelt Verhaeghe.

Bij Damiaan Denys blijven ook de ongelukkigen zelf niet buiten schot. “Mensen richten zich enorm op hun lijden”, zei hij in een voorgesprek dat ik met hem voerde. “Ze maken dat lijden tot een onaantastbare, onbetwijfelbare waarheid over zichzelf.” Denys ziet dat als een vergissing. Ik ben al een tijdje aan het kauwen op die opmerking, en kom tot de volgende redenering: ‘Dát je lijdt, is als fenomeen onbetwijfelbaar. In die zin is lijden een primair gegeven. Maar dat wil nog niet zeggen dat jouw lijden dus immuun is voor kritiek of commentaar. Wat je voelt, hangt namelijk ook af van de manier waarop je jouw ervaringen duidt, en daar kan je je wel degelijk in vergissen.’ Nu u het zegt: dat is in feite precies het uitgangspunt van cognitieve therapie.

Als ik Denys goed begrijp, vindt hij eigenlijk dat mensen vaak te eerbiedig met hun eigen lijden omgaan. Ze lopen eromheen, terwijl je jezelf ook zou kunnen aanpakken door te werken aan je aannames, aan wat je van het leven verwacht. Die invalshoek maakt je medeverantwoordelijk voor je eigen lijden. Dat klinkt hard. Maar het is ook een manier om jezelf niet als een passief slachtoffer te zien.

Wat nu? Het lijkt me nogal een wrede timing om mensen die op apegapen liggen onder de neus wrijven dat ze deels zelf verantwoordelijk zijn voor hun lijden. Beter is het als mensen die nu nog rechtop staan, zichzelf zouden durven zien als lid van een samenleving met een behoorlijk raar mensbeeld. Het is hoog tijd voor een soort cognitieve groepstherapie.

Roddy de probleemwolf

Rudolph, het rendier met de rode neus, is inmiddels weer veilig boven de poolcirkel, maar waar zou Roddy toch uithangen? Op internet kan ik geen verse levenstekens vinden; zijn spoor loopt daar dood.

Roddy is het alfamannetje van een roedel wolven in Rodewald (Niedersachsen) en zou al veertig weidedieren hebben doodgebeten, waaronder tientallen schapen, ettelijke kalfjes, twee Shetlandpony’s, een veulen en een alpaca. In Rodewald wil men van Roddy af. Dat gaat echter niet zomaar, want ook daar is de wolf een beschermde diersoort. Dus moest de milieuminister van Niedersachsen eerst een retorische truc uithalen en deze wolf tot ‘ontspoord’ dier verklaren voordat hij een schietbevel kon uitvaardigen.

Inmiddels is Roddy officieel ‘probleemwolf’ en dat schietbevel ligt er ook al sinds begin dit jaar. Maar slimme Roddy liet zich niet schieten. Jagers kregen de rekel wel in het vizier, maar steeds te midden van zijn familieleden. Als de schutters per ongeluk een ‘goede’ wolf zouden omleggen, zouden ze gewoon strafbaar zijn, dus waagden ze het er maar niet op. Na drie maanden loeren verliep de vergunning, afgelopen mei tekende de minister voor een verlenging, en of Roddy zich sindsdien wel te pakken heeft laten nemen, krijg ik dus niet achterhaald.

Eigenlijk vind ik de mensen die zich druk maken om Roddy nog interessanter dan Roddy zelf. In Niedersachsen speelt zich een hele cultuuroorlog af rond het beest. Rond Roddy botsen verschillende mentaliteiten en waarden frontaal op elkaar, zoals dat ook bij ons gebeurde rond de Oostvaardersplassen, en van een afstandje kun je goed zien hoe dat werkt.

Zo snappen de vrienden van Roddy het belang van een goed verhaal. Het eerste wat ze doen is het beest (dat tot dan toe bekend stond als GW717m) een naam geven. Dan presenteren zij Roddy als het hoofd van een kerngezin dat verder nog bestaat uit moeder, twee jonge kinderen en een inwonende dochter. De wolvenvrienden betwisten niet dat Roddy weidedieren heeft gedood, ‘maar’, zo verzekeren ze, ‘die dieren waren NIET beschermd’. Morele subtekst: de baasjes waren te beroerd om hun dieren fatsoenlijk te behoeden en hebben dit lot dus zelf over hun beesten afgeroepen. Dan volgt een dreigement: als ‘kostwinner’ Roddy wordt afgeschoten, zal dit de roedel ernstig verstoren, en dan zullen de weidedieren pas echt wat te vrezen hebben, want juist ontwrichte wolven pakken schapen. Om daverend af te sluiten met de financiën: die procedures rond vergunningen en die gesneefde pogingen om Roddy af te schieten hebben samen al meer dan 80.000 euro aan gemeenschapsgeld gekost. Dat is meer dan de totale schade aan dode weidedieren. Dus waar zijn we nu helemaal mee bezig?

De voorstanders van afschieten zijn daarentegen helemaal klaar met Roddy. Is Roddy moeilijk te pakken te nemen omdat die lafbek zich verschuilt tussen de andere wolven? Schiet dan de hele roedel maar af, want hier moet gewoon een einde aan komen. ‘We vinden de angst onverdraaglijk’, tekent een journalist van de regionale krant op uit de mond van streekbewoners. Dramatisch bewijs: een vrouw wordt ‘s nachts steevast om drie uur wakker en zit dan stijf rechtop in bed, omdat ze bang is dat haar paarden iets wordt aangedaan.

Zo’n anekdote demonstreert al nauwelijks dat de angst ‘onverdraaglijk’ is, en al helemaal niet dat die angst ook reëel is, zou ik zeggen. Tegelijk realiseer ik me het krachteloze van deze opmerking. Waar gevoelens en belangen botsen, worden ook altijd feiten in stelling gebracht – maar redelijkheid leveren die dan allang niet meer op. Ze worden eerder ervaren als munitie om het eigen gelijk kracht bij te zetten. Zie Brexit, zie de opwarming van de aarde, zie onze eigen Oostvaardersplassen. De feiten worden gewoon meegezogen in de strijd. Dat gebeurde ook rond Roddy. De kampen konden het zelfs niet eens worden over zoiets ogenschijnlijk simpels als de omvang van Roddy’s roedel. De autoriteiten telden pubers mee die op punt stonden uit huis te gaan, en de wolvenvrienden wisten wel waarom: als het aantal dieren hoog werd ingeschat, zou het vrouwtje in theorie voldoende hulp hebben bij de jacht voor haar jonkies en kon Roddy dus wel gemist worden. Knal!

Hoe een maatschappij nu uit dergelijke patstellingen ontsnapt, zal voorlopig mijn vraag wel blijven. Ik wens u alvast een knallend nieuwjaar.