Wisselbeker 2019

Vijf boeken over publieksfilosofie hebben het weer gehaald tot de shortlist van de Socratesprijs. Als voormalig winnaar interview ik de schrijvers in boekhandel Scheltema. De gesprekken gaan van over muziek, de vrije markt, verdriet, politieke correctheid en de zelfgekozen dood.

De wolf die terugkomt

Wolvin GW998f heeft het wolvenplan in werking gesteld. Door langer dan een half jaar op de Veluwe rond te lopen, is ze per definitie veranderd van een passant in een bewoner waartegen boeren geacht worden hun schaapjes te beschermen. Er schijnt inmiddels ook een mannelijke wolf om haar heen te snuffelen, dus wie weet jaagt er straks voor het eerst in honderdvijftig jaar weer een roedel wolven over de Nederlandse velden.

Beleidsmakers, wetenschappers en lobbygroepen vragen zich bezorgd af wat ons te wachten staat nu we de wolf weer in ons midden toelaten. Want hoewel de nu ronddolende wolven nog geen mens kwaad hebben gedaan, zit de angst voor de wolf er diep in. De wolf is ons wilde dier. Valt zo’n beest wel te beheersen? Anderzijds: moet echt alles in Nederland dan tam zijn? Persoonlijk vind ik dat een verstikkende gedachte.

In Europese sprookjes en mythen staat de wolf vaak voor het geweld in onszelf. Woeste Vikingkrijgers die naar het slagveld trokken, waren gehuld in een wolfsvel, ‘vaak met de kop er nog aan’, zoals Dik van der Meulen schrijft in zijn mooie wolvenboek De kinderen van de nacht. Deze krijgers werden ‘ulfhednar’ genoemd, wat wolfsmantel betekent. Sommigen zeggen dat de wolfsmantel er was om bedeesdere medesoldaten te waarschuwen: dit is het type krijger dat in een roes van geweld het verschil niet meer ziet tussen vriend en vijand, en jou dus zomaar kan aanvallen.

Homo homini lupus, ‘de mens is de mens een wolf’, wist ook Thomas Hobbes. De gewelddadige menselijke inborst maakt de samenleving gevaarlijk. Zonder beteugeling leeft iedereen in angst. De enige oplossing, zo redeneerde Hobbes in de vroege zeventiende eeuw, is dat mannen het uitoefenen van geweld overlaten aan de soeverein, die daar het monopolie op krijgt.

Met name voor jonge mannen blijkt dat een moeilijke opgave. Soms leerden zij grip op zichzelf te krijgen dankzij een soort inwijdingsritueel waarbij ze een tijd ronddoolden in de Europese wouden, gehuld in de pels van een gevilde wolf. Het adagium: zie jezelf onder ogen en kom terug als je je impulsen onder controle hebt. Sommigen kregen dat nooit helemaal voor elkaar en veranderen op gezette tijden weer in een wolf. De mythe van de weerwolf zou hier op geënt kunnen zijn.

De weerwolf heeft naast zijn woede ook zijn lust niet goed in bedwang. Zo verhaalt een Nederlandse sage van een knecht ‘op de achterste boerenhoeve’, die eigenlijk een weerwolf is. De knecht loopt met een meisje op en krijgt de drang om weerwolf te worden. Snel stuurt hij haar weg. Hij geeft het meisje nog wel een zakdoek mee, met de instructie die naar een grote hond te gooien, mocht ze aangevallen worden. En jawel, daar springt een groot woest beest uit de bosjes! Het meisje gooit de zakdoek in zijn snuit en rent naar huis. Daar zit de knecht al, met restjes zakdoek tussen zijn tanden.

Een vrouw in de late Middeleeuwen weet wat ze moet doen als haar man weerwolf wordt. Ze laat hem buiten uitrazen. Als hij weer bij haar aanklopt, reageert ze niet. Want als ze de deur wel opendoet, ziet ze haar man in wolvengedaante, vreet hij haar op, en verdwijnt hij voorgoed in de bossen. Bij de tweede keer kloppen moet ze ook nog niet opendoen; haar man heeft dan nog steeds een wolvenkop. Pas bij de derde keer is hij weer in zijn gewone doen en kan ze hem binnenlaten.

Europa valt gemakkelijk terug op een retoriek waarin mannen in wilde beesten veranderen. Eenmaal beest moeten ze vooral wegblijven (of sneuvelen). Het grote probleem is: wat doe je als ze terugkeren en weer man willen worden? Krijg je ze echt ingevoegd in de orde, of zullen ze gaan weerwolven? Het is precies dit probleem wat de regering heeft met terugkerende IS-strijders. Evenals voor de gewone wolven zijn er al plannen opgesteld en beheersteams ingericht. Maar die nemen de angst niet weg.

De wolvenenergie van jonge mannen krijg je (gelukkig) nooit helemaal ingetoomd. Logisch dat ze angst inboezemen. Wat doe je eraan? Fransiscus van Assisi, die heilige die met de dieren sprak, had een aanpak ik het navolgen waard vind. Tegen de wolf zei hij: ‘Broeder, ik ken uw honger’.

De waarheid en de koe

Het lastige van kennis is dat je er niet onnozel bij kunt blijven. Deels is dit een waarheid als een koe: wetenschap heft per definitie onnozelheid op. Maar er zit ook een ethische kant aan de uitspraak: je kunt het als mens niet maken om je ogen te sluiten voor wat je weet. Doe je dat wel, dan ga je moreel failliet.

Dat failliet dreigt in onze omgang met landbouwhuisdieren. Zolang je dieren oprecht kan zien als een soort machientjes die God heeft ontworpen om jou voedsel, bont en trekkracht te leveren, heb je geen moreel probleem. De zoveelste stalbrand is dan gewoon een vervelend – want duur – bedrijfsongeval. Maar op het moment dat je de evolutietheorie tot je door laat dringen, weet je dat productiedieren een lichaam hebben dat zeer vergelijkbaar is met het onze. We sluiten deze dieren op, buiten ze uit, slachten ze af – en met de kennis van nu staat vrijwel vast dat de dieren daaronder lijden. Wat je daar verder ook voor praktische consequenties aan verbindt, die kennis leidt tot een enorm moreel probleem.

Nog zo’n weetje met morele implicaties: onze leefwijze verandert het klimaat. En diezelfde productiedieren zijn daarbij een cruciale schakel. Gras omzetten in melk en vlees is een heel gedoe waarvoor een koe vier stevige magen nodig heeft en waarbij het beest een hoop methaangas produceert. Opgeteld leveren de scheten en boeren van het Nederlandse vee op dit moment meer broeikasgassen dan de tien megaton die de totale Nederlandse bedrijvigheid volgens de klimaatdoelen in 2050 zou mogen uitstoten. Dus: alleen als het ons lukt om volkomen klimaatneutraal te leven en werken, kunnen onze productiedieren op dezelfde schaal blijven gisten. Je kunt het wegzetten als klimaatdrammen, maar als je dit eenmaal weet, zul je toch echt moeten concluderen dat onze praktijken rond productiedieren onhoudbaar zijn.

De vraag is: op welke veranderingen koers je? Ga je jezelf aanpakken, of de productiedieren? Dat laatste is natuurlijk het meest gerieflijk voor ons. En dus zijn mensen in de sector naarstig op zoek naar koeien die minder scheten laten. Fokken ze zeugen die zo dociel zijn dat ze ook in een piepklein hok lief blijven voor hun biggetjes. Fantaseren ze over het kweken van blinde kippen, want een blinde kip zal haar buurvrouw niet pikken. En overwegen ze om het gen dat sommige koeien hoornloos ter wereld laat komen in het genoom van onze productiekoeien te monteren, zodat boeren hun hoorns niet meer hoeven weg te branden. Kortom: ze buigen de dieren om voor ons comfort. En in al deze voorbeelden zullen de dieren niet meer lijden dan nu, waarschijnlijk zelfs minder. Best slim eigenlijk!

Behalve dat ‘minder slecht’ wat anders is dan ‘goed’. Ik eet vlees en zuivel, en zit daar moreel niet mee in mijn maag. Maar naarmate ik meer weet over de manier waarop wij productiedieren houden, en wat dit betekent voor onze leefomgeving, groeit mijn schaamte bij de huidige praktijk alleen maar. Dit kan gewoon niet. Dit moet anders.

Dat betekent allereerst iets voor boeren. Boeren zijn niet kwaadaardig, maar het standaardverhaal van boeren die werken met dieren – dat ze hun best doen, maar knel zitten – is behoorlijk beroerd. Zodra een agrarisch ondernemer zich voornamelijk als slachtoffer van de omstandigheden gaat zien, heeft hij zijn eigen lot als ondernemer in feite bezegeld.

Ondertussen wordt van mij, als consument van vlees of dierlijke producten, wél ondernemerschap gevraagd, want ik krijg de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven. Ik koop dit, dus ik wil dit. Zeker, ik eet vlees en heb dus iets te verantwoorden. Maar ik kan inmiddels die kreet ‘de macht van de boodschappentas’ niet meer horen. Moet ik, wanneer ik aan de randen van mijn werkdag boodschappen doe – gehaast, bestookt door reclame, en met beperkte portemonnee – de verstandige keuzes maken die de partijen binnen het landbouwsysteem zelf uit de weg gaan? Mooi niet. Die aap mogen de professionals van dat systeem – boeren, maar zeker ook levensmiddelenbedrijven, supermarkten, adviseurs, de Rabobank – zelf op hun schouder houden. Het is tenslotte hun beroep.

De huidige omgang met productiedieren is onhoudbaar. Een modern mens hoort dat te durven weten. Wat daar praktisch uit volgt, moet je vooral zelf bedenken. Maar pak jezelf aan. Niet de dieren.

Incasseren

Morgen zal Theresa May voor de zoveelste keer tussen de loeiende partijen staan. Het Britse parlement stemt dan over plan B, een cosmetische variant op haar plan A dat het parlement eerder met een overweldigende meerderheid afserveerde. Ik heb geen idee wat de dag zal brengen, maar durf wel te voorspellen dat May weer veel zal moeten incasseren – en dat ze dat zal doen ook. Als één ding opvalt aan May, dan is het wel dat ze nauwelijks succes boekt en desondanks van geen wijken wil weten.

Maakt die onverzettelijkheid haar tot een goede politica? Predikant Joost Röselaers vindt duidelijk van wel. Vorige week kreeg hij in NRC Handelsblad ruim baan om de lof van May te bezingen. Röselaers typeerde haar als ‘koelbloedig, scherp en overtuigd’. Haar politieke pad presenteerde hij als ‘een lijdensweg, die zij alleen moet gaan en waarin zij slechts is aangewezen op haar innerlijk weten.’

De vooraanstaande Britse politicoloog Sir Anthony Seldon oordeelt totaal anders over May. ‘Je moet haar uit 10 Downing Street trekken, met stiletto’s die scheuren over het tapijt’, zei hij op de BBC. Seldon vertelde dat Britse vrouwen altijd zo lang mogelijk aan de macht willen blijven. ‘Bij May speelt bovendien een enorme ambitie mee’, wist hij. ‘Dit is haar leven, ze heeft geen kinderen, geen sociaal leven.’

Wat moet je hier nu mee. Seldon verdrinkt in zijn eigen seksisme – en als hij ooit wordt opgedregd zal ik geen moeite doen om hem te reanimeren. Dominee Röselaers presenteert May als een soort hedendaagse messias. Nu lijkt het er inderdaad op dat May beschikt over het benodigde masochisme om een lijdensweg te doorlopen, maar Röselaers negeert dat het haar juist schreeuwend ontbreekt aan het voor een messias toch evengoed benodigde charisma. En welke overtuiging dicht hij May eigenlijk toe? Je zou het bijna vergeten, maar May was oorspronkelijk tegen de Brexit. Is het meest mysterieuze aan May juist niet dat ze al die klappen incasseert om een doel te bereiken waar ze zelf niet eens achterstaat?

Zelf zie ik May als een bezetene, gehackt door de Brexit. Al maanden wordt haar energie afgetapt om een idee dat haar wezensvreemd was zo competent mogelijk uit te voeren. We kennen dat soort personages uit horrorfilms. Ze zijn door niets meer te kwetsen, want ze zijn toch hun ziel al kwijt. En juist dat maakt ze zo onverstoorbaar, zo standvastig. Zo koel. Zo doodeng.

De mens May wordt ongetwijfeld onrecht aangedaan met dit gepsychologiseer door Seldon, Röselaers en mijzelf. Toch zal de politicus May zich dit moeten laten welgevallen. Leiders krijgen enorm veel macht in handen. Zij moeten namens ons zware beslissingen gaan nemen, ook in een crisis – dus in situaties die wij (en zij) niet voorzien. We moeten er feitelijk maar op hopen dat die macht hen ook dan is toevertrouwd. Dat valt niet te beoordelen op grond van partijprogramma’s. Dat kunnen we alleen enigszins inschatten op basis van de persoonlijkheid van de leider. We zouden dus wel gek zijn om niet te speculeren over het karakter van de leider die we in het zadel helpen.

May heeft overduidelijk managementkwaliteiten. Ze voert de haar toebedeelde taak kalm, volhardend en loyaal uit. Waarschijnlijk heeft haar standvastigheid de Tories behoed voor een scheuring, en als ze een bedrijf zou leiden, zou ze vast wel in aanmerking komen voor een royale bonus. Maar ze leidt geen bedrijf, en ze kan niet ten rade gaan bij een raad van bestuur die de lijnen uitzet. Ze leidt een partij, en zelfs een land. Dan heb je meer nodig dan volharding alleen. Dan komt het ook aan op bezieling en innerlijke overtuiging.

Verstandige woorden en procedurele kwaliteiten zijn niet genoeg in de politiek. Burgers moeten hun leiders ook kunnen voelen om ze te kunnen vertrouwen. Het is belangrijk om te weten met wat voor soort persoonlijkheid je van doen hebt. Bij veel wereldleiders voel ik gelijk iets: Merkel gloeit, Macron blikkert, Trump walmt. Dit zijn natuurlijk maar mijn gevoelens. Ze zijn de waarheid niet en worden pas interessant in een debat waarin je ze verder onderzoekt en articuleert. Maar elke beoordeling van politieke leiders bouwt voort op het gevoel dat zo’n leider oproept. Gevoel is het begin van waardering. En bij May voel ik niets.

Zacht

Mijn reis in India loopt ten einde en dat is misschien maar goed ook, want ik mis de bravoure van het begin om onbevangen mijn licht te laten schijnen over het subcontinent. Het is zoals zo vaak: kijk langer en beter, en de verwarring slaat toe.

Zo weet ik niet of ik India in vergelijking met ons eigen land nu hard of zacht moet vinden. Ik had een scherpe observatie klaar over de verschillen die ik voel in de publieke ruimte, een observatie waarin India het land is van zachte mensen in een harde samenleving, en Nederland figureert als de zorgzame samenleving met de harde omgangsvormen. Maar ik merk dat ik die zelf alweer aan het ondergraven ben. Weliswaar blijft het gebrek aan intermenselijk venijn dat ik hier ervaar overweldigend – en dat die zachtheid zo opvalt, zegt pijnlijk veel over Nederland. Maar wat te denken van de Indiërs die onbeschaamd voordringen als ze de kans krijgen? Van jonge mannen die er niet over piekeren om in de bus op te staan voor een oude vrouw met een mismaakte voet? Dat zou bij ons echt grof gedrag zijn.

Persoonlijke agressie heb ik hier nauwelijks waargenomen. Zo hoor je zelden een Indiër zijn stem verheffen tegen een ander mens. De wilde, ongerichte herrie is hier echter enorm. Onafgebroken getoeter, overstuurde microfoons, voetgangerssignalen die even doordringend klinken als onze sirene op de eerste maandag van de maand – ik ervaar het als zinloos geweld en loop hier vaak letterlijk met mijn handen over mijn oren. Nederland snauwt misschien, maar India snerpt.

Je zou ook kunnen zeggen dat Indiërs meer dan wij langs hun medemens heen glijden. Niemand wil hier gedoe, maar verder lijkt de uitwerking van jouw gedrag op een onbekende ander het overwegen niet waard. Een gevolg van het denken vanuit een kosmische orde, waarin iedereen zijn onwrikbare plaats heeft? Een restant van het kastenstelsel? Zou kunnen, maar dat benadrukt weer dat religieuze India. Terwijl een ander, werelds feit ook enorm in het oog springt: het oprukken van de stad. Indiase steden horen tot de snelst groeiende ter wereld. In de praktijk wonen veel Indiërs inmiddels tussen enorme aantallen nabije vreemden. In dergelijke omstandigheden is het vermijden van harde confrontaties al een hele prestatie.

In mijn rugzak zit het boek Schaal van de Britse natuurkundige Geoffry West. West is lyrisch over steden, en als je zijn cijfers en grafieken ziet, snap je waarom: de stad is de plek waar mensen bovengemiddeld presteren, en dat voor minder dan gemiddelde kosten. Superefficiënt dus, zo’n stad! En die schaalwinst vlakt bovendien niet af: hoe groter de stad, hoe efficiënter. Als je de data van West moet geloven, komt er nooit een omslagpunt, kan een stad nooit te groot worden. Zo bezien is de voorspelling dat Delhi in 2030 met dertig miljoen inwoners de grootste stad ter wereld zal zijn, louter goed nieuws.

In Indiase steden krult alles in elkaar, wordt elk plekje opgevuld en uitgewoond. Zo’n stad maakt vast optimaal gebruik van energie en ruimte, zoals West stelt. Maar dat is vanuit de stad gedacht, niet vanuit de mensen. Ik geloof niet dat mensen verlangen naar efficiëntie. Mensen willen gelukkig zijn. En de stad biedt een open toekomst, waar je kunt bouwen aan wie je nog niet bent.

Voor mij is het de vraag of het gros van de nieuwe bewoners van die exploderende Indiase steden in hun dagelijkse leven werkelijk beter af zijn. De luchtvervuiling is enorm, het verkeer een chaos, en al die voormalige dorpsbewoners gooien hun afval over hun schouder alsof de dieren ook hier hun troep wel zullen opeten (maar dieren lusten geen plastic). Op mij, bevoorrechte bewoner van een welvarend Nederlands provinciehoofdstadje, komt een Indiase stad soms over als de hel. Maar ik zie ook wel dat dit plekken zijn van dadendrang en levenslust. Van verjonging. Van gokken en verlangen. Dat maakt deze steden bij uitstek menselijk. Onze soort floreert in de hoop op beter.

Wat een contrast met de dieren – koeien, varkens, honden – die hier in de stad overal tussendoor lopen. Zie hun zachte, gevoelige oren krullen en draaien richting het lawaai. Ze kunnen het niet helpen, het is hun natuur. Alleen afstomping kan hun lot verzachten.