De pijl van de tijd

“We merken dat de saamhorigheid en solidariteit van de eerste fase van deze [corona]crisis onder druk is komen te staan”, lees ik in het manifest dat ouderenbond KBO-PCOB, omroep Max en de Christenunie eerder deze maand publiceerden. Deze herauten der ouderen schrikken daarvan, en stellen in hun manifest dat ouderen ‘van wezenlijk belang’ zijn voor de samenleving en ‘op vele manieren’ bijdragen aan ons land. Nietszeggender kun je je zaak haast niet bepleiten, zou ik zeggen. En dat begint al bij dat glibberige woord ‘solidariteit’. Alsof het duidelijk is wat dat betekent, solidair zijn. En wie dan met wie.

In onze ijver om het virus te beheersen, hebben we onszelf in een hoekje geverfd. Daar staan we dan, bibberend en opeengepakt. Wat nu? De eerste schok lijkt voorbij en de meningen beginnen weer alle kanten uit te spatten. Op zichzelf ben ik opgelucht dat die angstige ‘saamhorigheid’ van de eerste fase achter de rug is. Maar een helder evacuatieplan om uit dat hoekje te komen, zal vragen om heldere en feitelijke onderscheidingen.

Dat is lastig genoeg zolang cruciale feiten over het virus ontbreken. Er is niet alleen gebrekkige kennis over incubatietijd en immuniteit van herstelde patiënten, maar ook over de afstand die het virus kan overbruggen. Gevolg: de robothond die in Singapore patrouilleert, slaat alarm zodra mensen elkaar tot op één meter naderen. Bij ons is de anderhalve meter heilig verklaard. En de BBC-omroepster spreekt met uitgestreken gezicht over ‘de vereiste twee meter afstand’.

Nog ingrijpender is het gebrek aan helderheid over de richtsnoer van het beleid. Tot voor kort richtten de regeringen zich op de verspreiding van het virus, die ze koste wat kost willen stoppen – daarom staan we nu met z’n allen in dat hoekje. Zoetjesaan gaat de regering ertoe over om ook de ernst van de ziekteverschijnselen bij verschillende bevolkingsgroepen tot leidraad te nemen. Basisscholen starten voorzichtig weer op, precies omdat besmette kinderen niet zo ziek lijken te worden. Een strak evacuatieplan zal onvermijdelijk meer van dergelijk maatwerk omvatten.

Onderscheid maken zal betekenen dat de actieradius van fysiek kwetsbare mensen (waaronder nu eenmaal disproportioneel veel hoogbejaarden) het langste beperkt zal blijven. Dat zal inderdaad leiden tot een soort ‘60min-samenleving’, waarvoor Gert-Jan Segers op website Maxvandaag.nl zegt te vrezen. Maar ik zou werkelijk niet weten waarom dergelijk maatwerk zou getuigen van een gebrek aan solidariteit. Of betekent solidariteit volgens Segers dat het verschil in kwetsbaarheid tussen jongeren en ouderen geen enkele rol mag spelen, omdat het benoemen hiervan zielig is voor ouderen?

‘Ouderen en jongeren vliegen elkaar in de haren over hun coronasolidariteit’, kopte deze krant vorige week boven een opiniestuk van Peter Giesen. Nare ouderen verwijten jongeren ondankbaarheid, nare jongeren klagen dat zij niet mogen feesten, en ondertussen zwellen de borstkassen van heilige verontwaardiging over het vermeende gebrek aan solidariteit van die andere groep. “Het kwartetten over de vraag welke ­generatie in de loop der tijden het meest geleden heeft is weinig vruchtbaar”, schrijft Giesen terecht. “Het is daarentegen wel zinvol te bekijken of de levenskansen nu, op dit moment, eerlijk zijn verdeeld.”

Interessante opmerking. In Nederland gaat ‘eerlijk delen’ meestal over het verdelen van de koek – over wie welk brokje van de welvaart krijgt, en waarom. Maar misschien is het zinniger om te praten over de verdeling van levenskansen. Dat vond althans econoom Amartya Sen toen hij in de jaren tachtig zijn capability-benadering ontwikkelde. Volgens Sen kun je alleen dán van een rechtvaardige samenleving spreken als die samenleving jou de kans geeft om je mogelijkheden (capabilities) te ontplooien.

En hier wordt de pijl van de tijd belangrijk. Ontplooien doe je in de tijd, en tijd is scheef verdeeld tussen de generaties. Ouderen hebben veel tijd gehad om zich te ontplooien (hoewel misschien niet altijd veel kansen). Jongeren hebben in ieder geval nog niet veel tijd gehad. Beleid dat iedereen ‘solidair’ over één kam scheert en generieke richtlijnen uitvaardigt die ieders ontplooiingsmogelijkheden beperken, miskent dat jongeren hier extra hard door getroffen worden.

Aan de oneerlijke verdeling van kansen om te sterven aan het virus kunnen we niets doen. Aan de oneerlijke verdeling van kansen om je te kunnen ontplooien wel. Maar daar mogen we het van deze ouderenlobby niet over hebben. Zij smoort het streven naar een rechtvaardige samenleving liever onder een vaag beroep op solidariteit.

Rapunzel

Al dagen ligt er een leeg bierblikje op mijn stoep. Mijn oog valt er op als ik de hond uitlaat. Tot voor kort zou ik dat blikje terloops hebben opgepakt en in de prullenbak hebben gegooid, maar nu raak ik het niet aan vanwege besmettingsgevaar. Natuurlijk, er zou best een mouw aan te passen zijn als ik me daarop richtte (blikje oppakken met een tissue, direct handen wassen), maar over mijn lapzwanzerigheid wil ik het nu niet hebben. Ik wil het hebben over vertrouwen in mijn lichaam. Vroeger zou ik er zonder meer van uit zijn gegaan dat ik eventuele sporen van ziektekiemen zelf wel zou verdelgen. Nu laat ik het er dus maar niet op aankomen. Vast verstandig van me. Ik zou zelfs plechtig kunnen zeggen dat ik me zo solidair betoon. Maar ondertussen vind ik het een behoorlijk vervreemdende ervaring. Zo stond ik nooit tegenover mezelf.

Ik kom uit een zorgmijdende familie. Wij gingen niet naar de dokter; wij ziekten thuis uit. Ik beveel dit niet aan als model voor de rest van Nederland want er zitten ook rare kantjes aan, maar gevolg is wel dat ik ben opgegroeid met het basale vertrouwen dat een gezond lichaam zichzelf geneest. En dat uitgangspunt is nu officieel, van overheidswege, verlaten. Het kwetsbare lichaam is de norm. We koersen niet meer op ons eigen herstelvermogen. In plaats daarvan hopen we op een vaccin (en tot die tijd blijven we ‘zoveel mogelijk binnen’).

Dom is dit beleid niet; er is juist van alles voor te zeggen. Ik moet alleen zo enorm wennen. Ik moet mezelf leren zien als een besmettelijk lichaam dat een gevaar is voor anderen, en zelf ook gevaar loopt. Wandelend over de singel met de hond, voel ik me een soort bioterrorist. Een hulpeloze, lamme terrorist.

Behoedzaamheid omtrent het virus is op zijn plaats, dat staat buiten kijf. Maar behoedzaamheid betreft gedrag. Daar kun je verder innerlijk best koel bij blijven. Die koelheid lijkt verloren; ik voel angst door de straten golven, en ik verdenk het officiële beleid ervan tegemoet te komen aan die angst. Hier wordt letterlijk een nieuw soort biopolitiek bedreven, en en passant wordt mij een omgang met onzekerheid opgelegd waarin ik me niet herken. Mochten die derderangs mondkapjes straks verplicht worden gesteld bij het boodschappen doen, dan ben ik in staat om te gaan muiten. Ik wil niet gedwongen worden tot magische angstbezwering.

‘Oxfords kandidaat-vaccin doet virologen hopen’, berichtte Maarten Keulemans vorige week in deze krant. Daar heb je die hoop weer. Natuurlijk zal het een enorme opluchting zijn als dat vaccin er is. Maar hoop is zo passief. Ik voel me een soort middelbare Rapunzel met almaar langer groeiende haren die in haar toren zit te wachten tot een prins met een vaccin haar komt redden. Psychologisch vind ik dat tamelijk onverdraaglijk. Het past niet bij mijn zelfbeeld om het heil zo buiten mezelf te leggen.

Ik wil niet hopen op een technofix, ik wil vertrouwen. Vertrouwen vraagt je om zicht te houden op het idee dat het leven krachtig is en wel een weg zal vinden. Zwangerschap vraagt bijvoorbeeld om vertrouwen. Je lichaam is bezig met een supercomplex proces waarop jouw wil verder weinig vat heeft. Als het misgaat, heeft dat gelijk heel serieuze consequenties. Toch moet je het leven zijn gang laten gaan. En dat doen we ook. Daarom bestaan we.

Dat vertrouwen op vitaliteit hoort misschien bij de overmoed van jeugdigen. Tot nu toe waren onze jeugdigen behoorlijk mak, maar zij beginnen inmiddels te morren, zo rapporteerde deze krant afgelopen week. Het lijkt mij een gezond teken van levenslust, dat ook niet per se egoïstisch is. ‘Laat mij maar ziek worden, dan verslaat mijn lichaam dat virus en kan ik daarna deel uitmaken van het cordon sanitaire rond kwetsbare mensen’, hoorde ik een blakende twintiger onlangs zeggen. Het zijn de woorden van de nobele ridder, geteletransporteerd naar deze tijd.

Ooit schreef Anaïs Nin: ‘En de dag kwam dat het risico om strak in knop te blijven pijnlijker was dan het risico dat gepaard gaat met bloesemen’. Misschien is die dag voor jongeren wel gekomen. Hoe dan ook: met alleen hoop valt niet te leven. We zullen ook moeten durven vertrouwen.

Goedendag kunstenaars

Op het schilderij Bonjour monsieur Courbet uit 1834 ontmoeten twee mannen elkaar op een landweg. De verzorgde jongeman links, met hond en bediende, is miljonair Alfred Bruyas. De man rechts is de schilder zelf, Gustave Courbet. Hoffelijk treedt Bruyas de schilder tegemoet, hoed in de hand (zijn jas hangt over de arm van de bediende). Ook Courbet heeft een zwierige hoed in de hand, maar hij draagt zelf zijn schildersspullen. De mannen kijken elkaar aan. Je voelt spanning in dit schilderij, en die spanning vloeit voort uit de lichaamstaal van Courbet. De schilder heeft zijn kin ietwat geheven, waardoor zijn zwarte puntbaard uitdagend, ja bijna hooghartig, richting de miljonair priemt. Courbet heeft zichzelf vol in de zon gezet, en vanaf die plek kijkt hij zelfbewust naar zijn tegenvoeter in de schaduw. ‘Ik wil jouw leven niet’, lijkt Courbet te zeggen. Zo te zien acht hij zichzelf een stuk vitaler.

Kort na onze o zo intelligente lockdown prees minister Van Engelshoven de kunstenaars voor de gracieuze wijze waarop ze zich neerlegden bij het afgelasten van voorstellingen, concerten en exposities waaraan maanden is gewerkt. Cultuurpresentator Cornald Maas zag dit anders. ‘Kunstenaars schieten in een kramp nog voordat ze hun bestaansrecht hebben verdedigd’, schreef hij in een opiniestuk in NRC. Zij vertellen wel hoe hun praktijk instort, maar zeggen er gelijk bij dat ‘er natuurlijk veel belangrijker dingen zijn in het leven’. Maas riep de kunstenaars op om ‘die bescheidenheid te laten varen’.

Een paar weken later is de sfeer veranderd. Kunstenaars roeren zich inmiddels. Minister Van Engelshoven kwam bij talkshow M vertellen dat ze binnen het kabinet 300 miljoen euro extra steun voor de culturele sector had losgepeuterd, en dat ze daar ‘echt heel erg haar best’ voor had gedaan. Maar een toekomstvisie voor de cultuur gaf ze niet. Ze gaf een tissue om het ergste wondvocht mee te deppen.

De politiek knoeit met kunst. Zij weet zich er geen raad mee, want zij spreekt die taal niet. In het persbericht dat over de extra noodsteun naar buiten werd gebracht, valt te lezen: “Juist in deze tijd van crisis blijkt hoe belangrijk kunst is: om troost, afleiding en hoop te bieden.” Zo zou die beschaafde miljonair Bruyas kunst vermoedelijk ook benaderen. Als een soort luxe hobby, als fijne ontspanning na een dag echt werken. Hoe zou Courbet op zo’n persbericht hebben gereageerd, vraag ik me af? Welke vorm zou zijn onbescheidenheid hebben aangenomen?

Ik denk niet dat Courbet erop zou wijzen dat de cultuursector ‘goed is voor 4 procent van de economie’, zoals ik velen nu hoor zeggen. Ik denk dat Courbet die hele economie een idiote abstractie zou vinden. Want wat tel je, wat veronderstel je, wat ken je waarde toe? De intuïties van kunstenaars daaromtrent verschillen zo hemelsbreed van die van de paradepaardjes van ondernemend Nederland – zoals KLM en Booking.com – dat het bar weinig zin heeft om jezelf te willen waarderen in hun procenten. ‘Neem dat frame niet van hen over’, zou Courbet zeggen. ‘Vertel je eigen verhaal’.

De Britse kunstenaar Banksy is misschien zo’n hedendaagse Courbet. Banksy vergaarde bekendheid als mysterieuze straatschilder, en leek zijn roem te verzilveren toen het chique Sotheby’s zijn Girl with balloon in 2018 voor bijna een miljoen euro veilde. De hamer had nog niet geklonken of – hup! – daar ging het ‘unieke, kostbare’ werk door de shredder die Banksy in de lijst had gebouwd. Het was alsof Banksy zei: ‘Dit werk kun je met al je geld niet bezitten, mijnheer de miljonair, want de waarde ervan heeft niets met geld te maken’.

We zijn nu al weken doden aan het tellen, en breken ons het hoofd over de vraag wat een mensenleven ‘mag kosten’ en hoeveel schade die o zo intelligente lockdown eigenlijk mag berokkenen aan ‘de economie’. Ik ben het beu, al dat afwegen en afstrepen en leed en ellende vergelijken. Ik wil het leven niet langer tellen. Ik wil het leven vieren.

Ieder van ons – in park én verpleeghuis – neemt deel aan iets groots en subliems: leven. Kunstenaars slagen er het beste in om de overstijgende en verbindende kwaliteit die huist in ieder van ons tot expressie te brengen. Kunst viert het leven. Dat frame dus.

Statistiek

In het zeventiende-eeuwse Londen bestiert John Graunt een winkel in fournituren. Zijn rekentalent zet hij in voor het voeren van de boekhouding. Tot hij op een dag besluit zijn inzichten in het verloop van trends niet langer te beperken tot linten en stalen stof. Buiten woedt de builenpest, en Graunt gaat speuren naar patronen in de zogenoemde Bills of Mortality – annalen waarin verschillende Londense parochies sinds 1592 doop, huwelijken en sterfgevallen bijhouden.

Indertijd trokken oudere vrouwen bellend door de straten, al roepende: ‘Breng uw doden naar buiten’. De vrouwen telden daarop de doden en noteerden de doodsoorzaak. Vaak gebeurde dat in lekentermen (‘ouderdom’, ‘knoop in de ingewanden’, ‘plotseling’), maar Graunt acht de gegevens waardevol genoeg om er wiskunde op los te laten, in de hoop samenhangen te ontwaren. In 1662 publiceert hij zijn Natural and Political Observations Made upon the Bills of Mortality, vol voorspellingen over ziekteverloop en overlevingskansen per leeftijdsgroep, waarop koning Charles II hem vraagt om zijn systeem verder te ontwikkelen. Zo wordt Graunt de eerste epidemioloog, met Jaap van Dissel als verre nazaat.

Het is geen toeval dat het woord statistiek het woord ‘staat’ omvat. Voor heersers is het handig om een goed beeld van de bevolking te hebben – die kennis komt niet alleen van pas bij het bestrijden van epidemieën, maar leert je ook hoeveel belasting je kunt innen. Vanaf de achttiende eeuw werden Europese samenlevingen steeds meer gevat in numerieke termen. Dit opstellen van statistieken was diep verbonden met een vooruitgangsgeloof: de data zouden kennis opleveren om doortastend te kunnen handelen en zo de samenleving beter te maken. Dankzij statistiek is onze levensverwachting ook feitelijk toegenomen. Bovendien had deze aanpak een egalitaire werking: de cijfers omvatten de hele bevolking, en niet alleen de adel en de rijken.

Maar er is een keerzijde. Kennis die je eenmaal hebt, kun je niet meer ont-kennen – en die kennis kan dat egalitaire elan ironisch genoeg juist onder druk zetten. Want hoe meer je weet en hoe meer je telt, hoe meer blijkt dat sommige kansen onevenredig verdeeld zijn. Zo laten de statistieken zien dat tachtigers, mannen, dikke mensen en chronisch zieken harder getroffen worden door het coronavirus, en minder snel herstellen. Eenmaal in tellende modus is het ‘logisch’ dat je schaarse intensive-care bedden geeft aan patiënten met een betere basisconditie; die bedden komen dan immers eerder vrij waardoor je uiteindelijk meer levens redt. En – splijtender nog – als de statistiek patronen toont tussen overlevingskansen en levensstijl, dan is het wachten op de suggestie dat mensen met een gezonde levensstijl ‘meer recht’ hebben op schaarse hulp. Zo heeft statistiek ons opgescheept met kennis die onze solidariteit ten overstaan van het blinde lot kan breken.

Afgelopen donderdag stond hier een column van Asha ten Broeke onder de schrijnende kop ‘Ik wil geen publiek debat over wanneer jij mij mag laten doodgaan’. Ten Broeke proeft in de samenleving ‘een verwerpelijk idee’: gelukkig treft corona de zwakken. “Hoe durven jullie?”, schrijft ze. “Dikke, zieke, oude, gehandicapte mensen leven altijd met uitsluiting en discriminatie. En nu, in deze bange tijden, komen jullie – geen artsen, maar columnisten, filosofen – speculeren of je ons categorisch moet uitsluiten van mogelijk levensreddende zorg?”

Precies die kwestie van timing werd besproken op filosofiesite Bij Nader Inzien. Ethici hebben beroepsmatig nagedacht over principes voor het verdelen van schaarse bedden op de intensive care. Maar is het niet smakeloos om nu aandacht te vragen voor die redeneringen, juist omdat het straks misschien geen theoretische exercitie meer is? Sommige vakfilosofen vrezen dat dit burgers een onveilig gevoel geeft. En zo lijkt het bij Ten Broeke inderdaad over te komen.

Nadenken over de toon die je aanslaat is altijd aan te raden, maar uit zorgzaamheid je mond houden vind ik een rare keuze. Statistisch gezien val ik in de goede vakjes. Toch houd ik me aan de regels. Niet omdat Rutte het zegt, maar omdat ik dankzij de epidemiologen snap wat ik zelf kan doen om de gezondheidszorg zo min mogelijk te belasten. Als ik mijzelf geen voorstelling zou maken van harde keuzes over intensive-care bedden, zou ik het nóg moeilijker vinden om mijn zucht naar beweging en avontuur en gezelligheid te bedwingen. Mij helpen die gevaarlijke vragen juist om solidair te zijn.

Vitaal

Sinds het virus regeert is mijn houding nog geen halve dag dezelfde geweest. Stemmingen verschieten van kleur, meningen en inschattingen veranderen voortdurend. Ik leer dus bij. Gisteren piepte ik per ongeluk voor in de rij voor de kassa. De vrouw die er al stond hield zoveel afstand van de caissière dat ik dacht dat ze nog wat zocht, en dus sprong ik met mijn halfje brood in het gat dat ze liet vallen. Dat zal me vandaag niet meer gebeuren.

Gefascineerd kijk ik om me heen. Het is alsof je opeens de verborgen code van de samenleving te zien krijgt. Alsof het maatschappelijke ‘onderwaterscherm’ oprijst uit de crisiskamers. Welke keuzes worden er gemaakt op het scherpst van de snede? En welke ethiek ligt daaraan ten grondslag? Tot nu toe is het nog niet nodig – en dankzij verstandig beleid wordt het dat wellicht ook niet – maar er liggen dus modellen klaar die bepalen wie wel én niet in aanmerking komt voor een bed op de intensive care als ziekenhuispersoneel een keuze moet maken. Mensen boven de tachtig en uitbehandelde kankerpatiënten zijn dan het haasje. Mijn moeder zou wel een bed krijgen, mijn vader niet. Je hart breekt als je het hoort.

Zo zijn er ook allang economische berekeningen (uitgedrukt in qaly’s of daly’s) die bepalen hoeveel geld uit de gezamenlijke pot een extra levensjaar in goede gezondheid zou mogen kosten. Tien dagen geleden – u weet wel, in die tijd dat de scholen nog open waren – zei hoogleraar Ira Helsloot in deze krant dat een bedrag van 60.000 euro reëel is. Meer uitgeven aan één mensenleven is goedbeschouwd (of welberekend) contraproductief, omdat ándere mensenlevens dan lichamelijk gaan lijden vanwege uitblijvende investeringen op andere vitale vlakken, aldus Helsloot. Dat is dus het schuitje waarin we ons bevinden.

Je kunt dit soort berekeningen kil vinden. Maar ze zijn eerder abstract. Het is de poging van de instituties om tot een soort verdelende rechtvaardigheid te komen. Om vriendjespolitiek de pas af te snijden. In het ziekenhuis waar mijn zus werkt, zijn tijdens het bezoekuur flessen desinfecteringsgel gestolen. Dat doet die visite vast uit de hartstochtelijke impuls om thuis hun eigen geliefden te beschermen. Maar als het ziekenhuispersoneel op dezelfde ‘spontane’ manier zou handelen, zouden ze helemaal niet meer naar hun werk gaan. Dat zij het hoofd koel houden, is onderdeel van hun abstracte ethos.

En toch. Geen idee wat de maatregelen precies kosten die onze bestuurders nu nemen, maar het lijkt mij dat zij zich momenteel weinig aantrekken van qaly’s en daly’s. We smijten er miljarden tegenaan. Dit is geen berekenen meer vanuit een abstract ethos. Dit is bezweren. Van doodsangst.

In een fabel van de Amerikaanse zenlerares Joko Beck valt een man naar beneden van een hoge wolkenkrabber. ‘Hoe voel je je?’ vraagt iemand onderweg, waarop de man antwoordt: ‘So far, so good!’ Leven is langzaam vallen, en vroeg of laat raak je de grond. Dat beeld kan verlammen. Tegelijkertijd borrelt er in mij een soort lust op. Op een dag zal ook ik de bodem raken. Het leven is niet te houden. Maar nu leef ik. Ik leef!

Het officiële beleid is defensief: ons wordt gevraagd om uit solidariteit met kwetsbare mensen aan lichamelijke onthouding te doen. Ik snap de redenering en heb geen enkele aandrang om het beter te weten dan de experts. Tegelijk is het wachten op de eerste overtredingen van dit nieuwe taboe. Ik woon in een studentenstad en voel gewoon de energie van de opgehokte jongeren. Zij gaan dit geen weken volhouden. En zo hoort het ook.

Precies een jaar geleden moesten we hier in Utrecht ook een tijdje binnenblijven. Er waren mensen doodgeschoten in een tram. Wellicht raasden er terroristen rond die nogmaals zouden toeslaan. Iedereen kon doelwit zijn. Dit virus is niet te vergelijken met zo’n sluipschutter, omdat het niet iedereen in gelijke mate treft. Voor energieke jongeren is het nog erger om contact te vermijden, en ze hebben er minder persoonlijk belang bij. Hun onvermijdelijke toekomstige ongehoorzaamheid is ook onze hoop. De beste manier om virussen onschadelijk te maken, komt van hun vitale lichamen – alle vaccins zijn uiteindelijk afgeleid van onze eigen afweer. Levenslust en dadendrang en erotiek zullen het gaan winnen. Het is lente buiten. Het leven is niet te houden.

Mollen

Het gonsde al rond, en zaterdag wisten we het zeker: er zijn dit jaar vier finalisten van Wie is de Mol. Knappe televisie die kijkers zo vurig aan het speculeren krijgt over de betekenis van een dergelijke non-gebeurtenis! Het programma dwingt die betrokkenheid slim af. Je weet dat een van de deelnemers een dubbele agenda heeft, dus speur je naar verdacht gedrag. Maar alle moltalk over ‘aanwijzingen’ ten spijt, kun je daarbij eigenlijk alleen op je intuïtie afgaan. Elke speler zou zich immers expres verdacht kunnen gedragen om andere kandidaten op het verkeerde been te zetten, waardoor zowel een rare fout als een goed uitgevoerde opdracht op meerdere manieren te interpreteren is. Niets hoeft te zijn wat het lijkt. Ook intieme onderonsjes van deelnemers die ‘een bondje’ hebben, zien we alleen maar doordat er een cameraploeg omheen stond en moeten dus deels zijn gepland. Uiteindelijk beslist het productieteam welke aanwijzingen wij voorgeschoteld krijgen.

Wie is de Mol is een spel dat drijft op wantrouwen, dubbele bodems en soms behoorlijk vergezochte ‘aanwijzingen’, die allemaal zin hebben (en leuke televisie opleveren) omdat je weet dat er echt een mol is. Eigenaardiger (en minder leuk) wordt het als mensen diezelfde achterdochtige kijkhouding loslaten op de maatschappij. En dat gebeurt in overvloed. Zo werd direct na de uitbraak van het coronavirus gefluisterd dat de VS het virus hadden uitgezet om China economisch te verzwakken, dan wel dat farmaceutische bedrijven ons moedwillig besmetten om straks te kunnen verdienen aan een vaccin. Wat de mare ook moge zijn, het patroon is hetzelfde: er gaat iets flink mis, dus moet er gemold zijn. En van Wie is de Mol weet je wat dan de ‘slimme’ vraag is: hoe staat het met de pot? Het wereldbeeld van complotdenkers heeft geen ruimte voor blind toeval of botte pech. Als iemand profiteert van een akelige situatie, dan moet die toestand wel de bedoeling zijn van de profiteur.

Volgens de Britse politicoloog David Runciman vervult complotdenken een psychologische behoefte van maatschappelijk losers. Als je in de penarie zit, is het gerieflijker om te denken dat iets of iemand dit op zijn geweten heeft, dan te moeten aanvaarden dat je niet eens belangrijk genoeg bent om kwade bedoelingen mee te hebben. Tegen een vijand (hoe ‘onzichtbaar’ ook) valt bovendien nog eervol te strijden. Tegen desinteresse veel minder. ‘Veel mensen hebben het gevoel dat ze genaaid worden. En als niet duidelijk is wie hen naait, dan moet dat wel komen omdat de daders hun sporen wissen’, verklaart Runciman. Om daar droogjes aan toe te voegen dat onze maatschappij de elite ook echt bevoordeelt, dat veel belangrijke zaken daadwerkelijk achter gesloten deuren worden afgehandeld, en dat belastende sporen vaak genoeg worden gewist door bedrijven of overijverige ambtenaren. Complottheorieën zijn zo hardnekkig omdat ze zich hechten aan een brok van de waarheid.

Toch is achterdocht giftig. Denken in complotten geeft je reden om – met een air van wereldwijsheid – je eigen kwaadaardige gedachten te ventileren. Het maakt dat je onbekenden standaard niet vertrouwt, en dat je er zelfs rekening mee houdt dat je vrienden je zullen laten vallen. Gewiekste kandidaat Miljuschka liet haar maatje Buddy toch ook een paar keer barsten terwijl ze ervoor had kunnen kiezen hem te beschermen? Nou dan. Het is naar, het doet zelfs een beetje pijn, maar je moet uiteindelijk voor jezelf gaan. Want dat is het spel.

Binnen Wie is de Mol is het rationeel om voluit voor eigen gewin te gaan. Maar de kandidaten hebben meer zekerheden dan wij als leden van de samenleving. Zo weten zij dus dat er echt een mol is. En, belangrijker nog, ze weten dat het spel binnenkort tot een einde komt. Onze situatie is radicaal anders. Wij nemen deel aan een matig ontworpen, rommelig ‘spel’ dat nooit ophoudt. En juist dat open einde verandert totaal wat telt als rationeel gedrag. Als Miljuschka niet wist dat het spel snel stopt, zou ze wel zuiniger zijn geweest op haar Buddy.

Mensen die de maatschappij benaderen als een soort mollenspel, ondermijnen de waarde van informatie en werken egoïsme alleen maar verder in de hand. Het alternatief is simpel, en eigenlijk doodeng: democratie vraagt om deelnemers die de moed hebben om elkaar in onzekerheid vertrouwen te schenken.