De lege hemel

Een licht en beweeglijk essay over een zwaar en verdrietig gevoel: eenzaamheid. Ik denk dat mijn nieuwe boek De lege hemel zo te kenschetsen is. Natuurlijk ga ik in dialoog met filosofen, maar ik laat me ook inspireren door filmers en schrijvers. En ik ga op ruimtereis met David Bowie.
Zo wordt De lege hemel een meditatie over zelf en zelfbeeld, over maskers, en over je plek op aarde.

De lege hemel is uitgekomen bij uitgeverij AmboAnthos.

Leonie van den Schoor maakte met mij een filmpje over het boek.

Martha Nussbaum

Voor Brainwash digital voer ik een gesprek met de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum over haar boek The Monarchy of Fear. We praten over wat angst aanricht in het publieke domein.  Na afloop schreef ze:  ‘You did a wonderful job as interviewer, because the questions were very searching and philosophically challenging, and at the same time comprehensible to the audience.’

Berouw

In een opwelling forceerde ik de deur. Ik sloop naar binnen in een rijtjeshuis in de vreemde stad. Terwijl ik wat rondsnuffelde in een of andere hobbykamer stopte er een auto voor het huis. ‘Als dat de bewoners maar niet zijn’, dacht ik met kloppend hart. Even later ging de voordeur open en hoorde ik stemmen. Shit. Iemand liep de trap op, een vrouw kwam de hobbykamer binnen. Ik maakte me klein in de hoop dat ze me niet zou zien. Minuten gingen voorbij, maar toen viel haar oog dan toch op mij. ‘Hallo’, zei ik, ‘niet schrikken hoor!’ Ik babbelde opgewekt door, zodat zij geen woorden tussen de mijne kon voegen. Ze was onthutst, maar ook terughoudend. ‘Ik was in de buurt’, zei ik. ‘Mocht u een keer toevallig in mijn stad zijn, kom dan gerust bij mij langs.’

Toen werd ik wakker. Hoe heerlijk is het soms om uit een droom te ontwaken en je langzaam te realiseren dat je de rotzooi die je over jezelf hebt afgeroepen gelukkig niet hoeft op te ruimen, omdat die met de droom vervlogen is! De complexe gevoelens van de droom bleven echter hangen: de roezige waaghalzerigheid van het inbreken, mijn berekenende angst, die vlucht naar voren door te doen alsof er niets aan de hand was. En daaronder, in knop, het besef dat het niet deugde wat ik deed. Dat mijn poging om in te spelen op de vriendelijkheid van de bewoonster heel min was. Stel dat het gelukt was, stel dat ze me had laten gaan? Hoe zou dat zijn geweest?

De avond voor de droom had ik gesproken met een systeemtherapeute die wetsovertreders behandelt. Ze had verteld over het belang van vergeven. Om verder te kunnen met hun leven, moeten daders vergeven kunnen worden. In de eerste plaats door anderen – en daar zijn daders onmachtig, want die anderen kunnen dat weigeren. Maar het is ook belangrijk dat mensen zichzelf kunnen vergeven voor het kwaad dat ze hebben aangericht, zei de systeemtherapeute. En daarvoor is berouw nodig.

Vandaar mijn droom, denk ik. Ik stond op het punt om weg te komen met huisvredebreuk, en daar stuurde ik ook op aan. Toch voelde ik instinctief dat dit niet goed zou zijn. Voor de bewoonster niet, maar ook voor mij niet. Als je iets verkeerd hebt gedaan, dan behoor je tegen harde grenzen op te lopen. Dat schept orde en richting; in de maatschappij en in je eigen hoofd. Zo bezien moet je iemand vooral zijn straf gunnen.

Een straf is bedoeld om pijn te doen, zegt strafrechtgeleerde Rinus Otte onomwonden in Een kleine biografie van het straffen. En de dader moet die pijn willen, of gaan willen. Want het ‘uitboeten van schuld’ is het enige pad naar terugkeer in de maatschappij. Straf wijst je de weg naar berouw, en uiteindelijk – hopelijk – naar het vergeven van jezelf. Dat is de eeuwenoude logica van schuld en boete.

Kennelijk durven we minder te vertrouwen op dat aloude schuld-en-boete-systeem, want het aantal misdadigers dat in tbs-klinieken wordt opgenomen, is voor het eerst in jaren weer aan het stijgen, meldde deze krant. Rechters kiezen dus vaker voor een verplichte behandeling van misdadigers, waarschijnlijk onder invloed van de afschuwelijke moord op Anne Faber. Gevolg is wel dat crimineel gedrag en ziek gedrag in elkaar gaan overvloeien, wat volgens Otte leidt tot een ‘moeizame wals’ tussen behandelen en straffen.

Als rechter kreeg Otte veel gedragsdeskundigen voor zijn neus die meenden dat de verdachte wel gestoord moest zijn om zo’n vreselijke misdaad te plegen. Een stoornis werd verondersteld, zo suggereert Otte, omdat wij het niet kunnen verdragen dat medemensen tot zoiets in staat blijken. Dus verklaren we hen ziek en rollen we een programma uit dat weer gezonde mensen van hen moet maken. Een ‘beheersingsutopie’, schampert Otte.

Van oudsher beoogt straf aan te zetten tot ‘opbouwend zelfverwijt’. Toegegeven, daders die dergelijk louterend bewustzijn vertonen, zijn schaars – maar daders die genezen van een psychische stoornis zijn dat ook. Door te straffen gun je de dader tenminste nog zijn berouw. Uiteindelijk is dat respectvoller. Probeer misdadigers ondertussen te leren om hun impulsen onder controle te krijgen. In de meer bescheiden hoop dat zij hun opwellingen voortaan slechts opvolgen in hun dromen.

Aandacht

Als filosoof vind ik aandacht een spannend fenomeen. Aandacht heeft te maken met openheid voor de wereld. Steeds vanuit een eigen betrokkenheid – maar eerder ontvankelijk dan doelgericht.
Wat gebeurt er in aandacht?
Samen met organisatiecoach Martijn de Loor verken ik dat in een webinar voor bestuurders.

Levensmoe

Zo’n tienduizend niet zieke Nederlanders boven de 55 zouden liever dood zijn. Dat constateert de commissie onder leiding van ethica Els van Wijngaarden, die een dikke week geleden haar rapport naar buiten bracht. Op verzoek van de regering probeerde zij scherp te krijgen wat nu eigenlijk de omvang is van het probleem waar de ‘Voltooid-leven’-wet van Pia Dijkstra (D66) een oplossing voor wil zijn. Veel klaarheid brengt de studie niet, behalve dan dat de term ‘voltooid leven’ ietwat “te rooskleurig en verdoezelend” is voor de gevoelens die de commissie feitelijk onder senioren aantrof. Als die al een doodswens hadden, was die “complex en veranderlijk”.

Wat mij betreft is het rapport al een succes als het maakt dat we van dat gedrochtelijke begrip ‘voltooid leven’ af komen. Woorden doen er toe. Dijkstra praat graag over ‘eigen regie op een waardig levenseinde’, maar ik vind dat een akelige voorstelling van zaken. Alsof je leven een soort show is waarvan jij als regisseur autonoom kunt besluiten dat die nu maar het beste kan stoppen. Sterker nog: dat doorgaan jouw ‘levenswerk’ zou verpesten.

Niet dat een mens zichzelf van mij niet dood mag wensen. Hoe verdrietig ook, soms gun je iemand een einde aan lijden. Principeridders die verkondigen dat het leven altijd ‘goed’ is (want heilig of iets dergelijks) walsen over de concrete ervaringen van mensen met een doodswens heen. Het hele begrip ‘een goed leven’ heeft hoe dan ook alleen iets te betekenen als je erkent dat een mensenleven ook minder goed kan verlopen.

Sommige mensen willen dood, en als je die wens taboe verklaart op grond van je eigen ideologie, dan luister je niet goed. Dijkstra’s ‘Voltooid-leven’-wet vervalt echter in het andere ideologische uiterste. Haar plan komt er op neer dat je als autonome burger zelf moet kunnen beslissen wanneer je wilt sterven, én dat de staat jou daarbij moet gaan faciliteren door de weg naar zelfmoordpillen en stervenshulp vrij te maken. Het eerste deel van het plan is in feite loos. Zelfmoord is niet illegaal, dus toestemming van de staat is niet aan de orde. In wezen draait het wetsvoorstel dus om recht op (staats)hulp bij een doodswens. Maar waarom zou je die hulp zien als iets dat je kunt afdwingen?

Sinds enige tijd maak ik deel uit van een oefengroepje ‘geweldloze communicatie’. In weerwil van de poezelige term is dat een behoorlijk confronterende onderneming. We plukken voorvallen van stroeve communicatie uit ons eigen leven en spelen die ter plekke na, waarbij het de bedoeling is om te ondervinden wat je zelf kunt doen om zo’n gesprek beter te laten verlopen. De methode kent een paar basisregels. Zo is het allereerst zaak om helder te krijgen welke basisbehoefte er voor jou in het geding is. Die behoefte giet je dan in de vorm van een verzoek, waarbij je accepteert dat een ander desgewenst ‘nee’ kan zeggen. Een verzoek dat geen afwijzing verdraagt, is een verkapte eis.

Gelegd langs deze meetlat is het huidige debat over voltooid leven verre van ideaal, ja zelfs behoorlijk gewelddadig. Om te beginnen: welke behoeftes zitten er eigenlijk onder dat ‘verzoek’ om dood te mogen? Het is de verdienste van de commissie-Van Wijngaarden dat ze heeft doorgevraagd, en dat resulteert in een vaag beeld: mensen ervaren geen lol meer in hun leven, en/of piekeren, en/of voelen zich teveel, en/of zitten financieel in het nauw, en/of voelen de doodswens sowieso sterker in de winter. Het “complexe en veranderlijke” van die doodswensen wijst er wat mij betreft op dat de onderliggende behoeften zo helder nog niet zijn. Dan is een pilletje of spuitje een wel heel radicale maatregel.

Principiëler nog: het is volgens deze methode niet netjes, ja zelfs ‘gewelddadig’, om het vervullen van jouw behoeftes afhankelijk te maken van een specifieke andere persoon – of van een specifieke instantie, zoals de staat, zou ik daar aan willen toevoegen.

Je kunt een ander vragen om jou te helpen doodgaan, en die ander kan jou dat gunnen. Maar eis het niet. Maak een andere persoon of een instantie niet verantwoordelijk voor jouw lot. Je dendert dan over gevoelens van jezelf en anderen heen. En als je je daarbij op hoge toon op je autonomie beroept, ben je nog tegenstrijdig bezig ook.

De samenleving heeft het gedaan

‘We waren nooit eerder zo rijk, veilig en welvarend, en toch worden we overspoeld door een golf van depressies en burn-outs. Hoe kan het dat miljoenen mensen in deze welvaart leegte en ongeluk ervaren?’ Vlak voor de kerst hield filosofische verdiepingsorganisatie the School of Life een bijeenkomst waarin drie Vlaamse zielzorgers deze ‘paradox’ kwamen belichten. Dat leverde overweldigend veel media-aandacht op en binnen een mum van tijd was de Stopera uitverkocht. Hier was duidelijk een snaar geraakt. Als moderator van die bijeenkomst ben ik nog steeds aan het peinzen over welke snaar dat nu precies is.

Wat in ieder geval in het oog springt, is dat de drie sprekers – psychiater Damiaan Denys, systeemtherapeut Dirk de Wachter en psycholoog Paul Verhaeghe – allen met hun vinger naar de samenleving wijzen. Die samenleving bestempelt geluk tot bewijs van een goed en succesvol leven. Maar aldoor gelukkig zijn is onhaalbaar, zeggen de drie Vlamingen. Tegenslag, verdriet en periodes van neerslachtigheid horen er ook bij. Door dat te ontkennen – erger: door je te behandelen alsof je een sukkel bent als het leven even niet meezit – creëert de samenleving juist psychisch lijden.

Met dat lijden kunnen mensen in het dagelijks leven geen kant uit. In arren moede zoeken ze dan toevlucht bij een diagnose: hun misère is het gevolg van een (psychische) ziekte. Zeker, ziek zijn is vervelend – maar het heeft ook voordelen. Eén: je ongeluk is niet langer een teken van persoonlijk falen, maar van botte pech. En twee: als zieke krijg je erkenning, hulp en respijt. In principe dan. Want in de praktijk zijn de wachtlijsten van de ggz ellenlang, precies omdat hordes mensen deze uitweg nodig hebben.

Deze analyse biedt herkenning en geeft opluchting – ook aan mij. Tegelijkertijd blijft er iets knagen. Ik hoor een holle echo van de antipsychiatrie van de jaren 1970: ‘Ik ben niet gek! De samenleving heeft het gedaan, want die is gek en ziekmakend!’ Dat maakt ons tot een soort badeendjes die willoos dobberen op verderfelijke maatschappelijke structuren. Het is zo passief allemaal. En bovendien veel te abstract gesteld; een samenleving is ook maar een woord voor een verzameling individuen. Wie is er nu aan zet? Wie moet er iets gaan doen aan deze narigheid?

Volgens Paul Verhaeghe in ieder geval de therapeuten en psychiaters zelf. Ze willen het misschien niet weten, maar in feite worden deze beroepsgroepen ervoor betaald om mensen die psychisch lijden te ‘normaliseren’, zodat ze weer mee kunnen doen in de maatschappij. Professionals in de geestelijke zorg corrigeren hun patiënten, en dat is een moralistische bezigheid. Begin eens met dat moralisme te onderkennen, want dan kunnen we het er tenminste over hebben, stelt Verhaeghe.

Bij Damiaan Denys blijven ook de ongelukkigen zelf niet buiten schot. “Mensen richten zich enorm op hun lijden”, zei hij in een voorgesprek dat ik met hem voerde. “Ze maken dat lijden tot een onaantastbare, onbetwijfelbare waarheid over zichzelf.” Denys ziet dat als een vergissing. Ik ben al een tijdje aan het kauwen op die opmerking, en kom tot de volgende redenering: ‘Dát je lijdt, is als fenomeen onbetwijfelbaar. In die zin is lijden een primair gegeven. Maar dat wil nog niet zeggen dat jouw lijden dus immuun is voor kritiek of commentaar. Wat je voelt, hangt namelijk ook af van de manier waarop je jouw ervaringen duidt, en daar kan je je wel degelijk in vergissen.’ Nu u het zegt: dat is in feite precies het uitgangspunt van cognitieve therapie.

Als ik Denys goed begrijp, vindt hij eigenlijk dat mensen vaak te eerbiedig met hun eigen lijden omgaan. Ze lopen eromheen, terwijl je jezelf ook zou kunnen aanpakken door te werken aan je aannames, aan wat je van het leven verwacht. Die invalshoek maakt je medeverantwoordelijk voor je eigen lijden. Dat klinkt hard. Maar het is ook een manier om jezelf niet als een passief slachtoffer te zien.

Wat nu? Het lijkt me nogal een wrede timing om mensen die op apegapen liggen onder de neus wrijven dat ze deels zelf verantwoordelijk zijn voor hun lijden. Beter is het als mensen die nu nog rechtop staan, zichzelf zouden durven zien als lid van een samenleving met een behoorlijk raar mensbeeld. Het is hoog tijd voor een soort cognitieve groepstherapie.