Gastvrij

Natuurlijk zit ik met #MeToo in mijn maag. Ik leef in een tijd waarin bepaalde mannen door toedoen van vrouwen op de sociale brandstapel belanden. Die mannen worden daar opgehesen zonder eerlijk proces, en enkelen waarschijnlijk zonder veel misdaan te hebben. Dat is een hoogst ongemakkelijk gegeven, en ik kan dan ook niet genieten van wat ik zie. Toch sta ik achter #MeToo, toch heb ik sterk het gevoel: ‘en nu doorpakken’. Het leed van die vallende mannen is kennelijk een prijs die ik bereid ben te betalen voor het hogere doel: de ervaringen van vrouwen rond seksuele intimidatie nu eindelijk eens echt laten doorklinken.

Ai. Leed accepteren omwille van een hoger politiek doel: het is een gevaarlijke manoeuvre. Proberend om mijn eigen reactie te begrijpen, stuit ik op een uitspraak van de Britse psychoanalyticus Adam Phillips over conflict (gedaan in een tijd ver voor #MeToo). Phillips contrasteert de ‘openheid’ van conflict met de ‘afgrendeling’ van intimidatie. Om conflict te kunnen waarderen, zegt hij, heb je een notie van gelijkwaardigheid nodig. Want “conflict dat niet tussen gelijken is, zal heel snel stoppen conflict te zijn”. Dan gaat het deksel namelijk weer op de doofpot, via die beproefde weg van de intimidatie. Nou, dan maar liever een openlijk conflict – met al het leed van dien. Conflict belooft tenminste zicht op een nieuwe weg.

En daar snak ik naar, want ik ben intiem met mannen. Ik ben met ze opgegroeid, en als heteroseksuele vrouw val ik ook op ze. Eros en liefde compliceren de zaak enorm. Dat heeft het feminisme voor mij altijd tot zo’n ingewikkelde en ook uitzonderlijke emancipatiebeweging gemaakt. Analyses over macht en onderdrukking zijn noodzakelijk, maar waar je als zwarte of arbeider of gekoloniseerde je onderdrukker emotioneel de rug kunt toekeren, worstelt mijn feminisme met liefde. Met de ultieme verstrengeling die je hebt – en wilt hebben! – met vertegenwoordigers van de groep waarmee je ook in conflict bent.

De laatste tijd peins ik over het begrip ‘gastvrijheid’, zoals mijn leraar filosofie Jan Bransen dat naar voren schuift in zijn boek Laat je niets wijsmaken. Met gastvrijheid bedoelt Bransen dat je jezelf openstelt voor een andere kijk op de zaak dan de jouwe. ‘Het mooie aan het delen van onbegrip’, stelt hij, ‘is het besef dat mijn wereld niet de jouwe is, maar dat we samen onze wereld zijn.’ Conflict laat zien dat er onbegrip is. Dat onbegrip delen, is wellicht de weg – vanuit het besef dat we samen onze wereld zijn.

Gastvrijheid is geen poezelig begrip; het kan juist helpen om scherp te kijken. Zo kun je bijvoorbeeld snappen wat Ian Buruma is overkomen, de inmiddels teruggetreden hoofdredacteur van The New York Review of Books. Buruma drukte in zijn kolommen een (ellenlang) essay af van de Canadese radio-dj Jian Ghomeshi, die uit de doeken mocht doen hoe zijn carrière geknakt werd nadat meer dan twintig vrouwen hem hadden beticht van seksuele intimidatie. ‘Wat gebeurt er met je op het schavot van de social media?’ was de vraag die Buruma interesseerde in het relaas van Ghomeshi.

Goede vraag. Verkeerde timing. Buruma was gastvrij voor Ghomeshi, nu, op deze manier, en toont daarmee dat hij iets niet tot zich laat doordringen. Zoals een vrouw het verwoordde in een ingezonden brief aan de NYR: ‘Je herinnerde mij eraan dat het verhaal van een machtige man die een verschoppeling is geworden omdat hij vrouwen pijn deed, belangrijker is dan het verhaal van een vrouw die te horen krijgt hoe waardevol ze is terwijl haar keel wordt dichtgeknepen.’

Mannen: jullie hoeven je niet aangevallen te voelen. Mijn feminisme zegt niet dat alle mannen ‘eigenlijk’ verkrachters zijn. Maar mijn feminisme beweert wel dat werkelijk iedere vrouw die jij kent – en vast ook heel veel jongens – de dreiging hebben gevoeld die uitgaat van een duistere, sterke man. Vraag het hen, en stel je gastvrij op voor wat dat betekent. Schiet niet in de verdediging door te zeggen dat mannen op hun hoede zijn voor klappen die ze op straat kunnen oplopen. Dat zal ook wel. Maar niemand doet alsof die klappen erotisch bedoeld zijn. Niemand zegt er schatje bij.

Het enige dat mijn feminisme vraagt is: wees werkelijk intiem met mij. Luister. Nu.

Opstand der hertjes

De oogst na wat grabbelen in het nieuws van de afgelopen dagen: voetballer Ronaldo moet vrezen voor zijn carrière omdat hij een vrouw heeft verkracht. Deeltjesinstituut Cern stelt natuurkundige Alessandro Stumia op non-actief na seksistische opmerkingen. Het Groningse corps Vindicat – bekend van de bangalijst met ‘hete hertjes’ – raakt zijn subsidie kwijt omdat de geëiste cultuurverandering op zich laat wachten. En natuurlijk Brett Kavanaugh, net benoemd tot het Amerikaanse hooggerechtshof, maar zwaar beschadigd door de beschuldiging dat hij meer dan 35 jaar geleden een vrouw heeft aangerand.

Het nieuws is niet dat deze mannen zich ongevoelig betonen voor wat hun gedrag bij vrouwen aanricht. Nieuw is dat deze mannen hier nu zelf nadeel van ondervinden. De Belgische politiek filosoof Chantal Mouffe zou volgens mij wel raad weten met deze omslag. Zij ziet een samenleving als de uitkomst van een strijd tussen groepen, waarbij de winnende club de spelregels bepaalt – spelregels die vaak weinig recht doen aan de belangen van ondergeschikte groepen. Elke maatschappelijke orde negeert daarmee volgens Mouffe de ervaringen van hele groepen mensen in haar midden. Vaak hebben de machthebbers dat niet eens in de gaten; als je je echt machtig waant, hoef je je immers niet te buigen over de vraag hoe jouw gedrag voor anderen uitpakt. Maar zodra een onderdrukte groep een kans ruikt, zal zij een machtswisseling proberen te forceren – en als ze daar in slaagt, zal dat onvermijdelijk leiden tot een nieuw, ander soort onderdrukking, stelt Mouffe nuchter.

Ik denk dat er zo’n machtswisseling gaande is. Ik denk dat vrouwen hun kans ruiken. Nu de eerste de beste machine sterker is dan welke man dan ook, is fysiek overwicht echt geen argument meer voor de maatschappelijke hegemonie van mannen. En welk goed argument blijft er dan over? Geen enkel, merken we in de praktijk. Je kunt mannen nog steeds heel leuk vinden, maar waarom zouden vrouwen #MeToo-achtige situaties nog tolereren? Omdat het normaal is? Says who?

Het is niet aardig zoals twee vrouwelijke activisten de Republikeinse senator Jeff Flake klemzetten in de lift, vlak nadat hij zijn steun aan Kavanaugh heeft betuigd. ‘Jij laat zo iemand toe tot de hoogste rechtbank! Jij laat hem beslissen over wat er met het lichaam van een vrouw mag gebeuren!’, schreeuwt de een. De ander: ‘Het rechtssysteem is er om leed te erkennen, er verantwoordelijkheid voor te nemen, en een begin te maken met het herstel daarvan. En nu wil jij iemand nomineren die niet eens verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen daden!’ Echt onbeleefd zoals die vrouwen Flake in verlegenheid brengen, gewoon pijnlijk om te zien. Maar opstand vereist agressie. En het zijn de goede vragen.

Het probleem met Brett Kavanaugh is niet dat hij decennia geleden iets heeft gedaan wat niet deugt. Het probleem is dat hij zo’n raar en vlak verhaal vertelt over die gebeurtenissen. Een verhaal waarin hij die opgedrongen seks niet erkent en zich geen enkel moment lijkt open te stellen voor de ervaringen van het hertje van destijds. En hij gaat nu de normen in de samenleving tegen elkaar afwegen? Zijn opstelling geeft vrouwen geen enkel vertrouwen dat hij hun ervaringen en belangen zelfs maar ziet.

Interessante opmerking van cabaretier Peter Pannenkoek onlangs in Dit was het nieuws: ‘Nu zijn mannen ook bang, want ze kunnen beschuldigd worden.’ Ja. Iedereen die #MeToo wegzet als hysterisch wijvengedoe vergist zich dan ook gruwelijk. Dit is een serieuze politieke strijd: een strijd over de definitiemacht, over hoe je begrijpt wat er gebeurt en wat je daarvan vindt. Deze strijd gaat letterlijk over wie het daarbij voor het zeggen heeft. Vanaf nu is het haar verhaal tegen het jouwe – en hoe anders van toonzetting zijn die verhalen! Zij spreekt over misbruik, vernedering en angst, jij over lust en flirten en teveel bier. Zij zet haar verhaal zwaar aan, terwijl jij het gebeurde probeert weg te relativeren. Eén incident, twee belevenissen. En als de interpretatie van de vrouw het wint, is jouw carrière naar de knoppen.

Waar een nieuwe orde ontstaat, weten we allemaal even niet meer waar we aan toe zijn. Dat voelt onveilig. Dat is onveilig. En het spel wordt soms vuil gespeeld. Maar de strijd zelf is wat mij betreft goed nieuws.

Liefde bestellen

Tereza Burki is boos. Vijf jaar geleden schreef ze zich in bij een exclusief Londens datingbureau. Burki (47) was duidelijk over haar wensen: ze zocht een ontwikkelde man, liefst werkzaam in de financiële sector, met een luxe levensstijl. Bovendien moest hij in principe vader willen worden, want Burki wilde nog een kind. Volgens de eigenaar van het datingbureau voldeed ‘een aanzienlijk aantal’ van de ingeschreven mannen aan Tereza’s criteria. Maar in feite had het bureau slechts zo’n honderd mannen in zijn actieve bestand, die bovendien lang niet allemaal voldeden aan het gewenste profiel. Toen Burki daar achter kwam, klaagde ze het bureau aan wegens misleiding. Vorige week stelde de rechter Burki in het gelijk, aldus The Guardian. Veel geld neertellen om indirect te kunnen neuzen in een kaartenbak met nog geen honderd acceptabele mannen, nee zeg, dat is valse hoop wekken! Het datingbureau moest smartengeld betalen.

Dit voorval vat voor mij de tijdgeest krachtig samen. Teleurstelling die in een juridisch vertoog wordt gegoten. Maatschappelijk succesvolle vrouwen die moeten vissen in een vijver met naar hun zin te minne mannetjes. Verlangen dat wordt gegoten in dwingende taal; Burki lijkt niet zozeer op zoek naar liefde als wel naar intiem personeel. Maar waar het me nu om gaat, is de moeizame relatie tussen liefde en algoritmes.

Vooraanstaande informatiedeskundigen relativeren onze angst dat computers binnenkort het roer zullen overnemen. Zelfs de slimste lerende computer ontwikkelt geen nieuwe perspectieven. Daar heeft hij namelijk geen enkel belang bij: hij ligt lekker aan het infuus van de stroom – vanuit de machine gezien gaat alles helemaal prima. Hij rekent gewoon snel en slim door wat hij krijgt aangereikt.

Dat computers daarbij tot uitkomsten komen die wij mensen nauwelijks meer doorgronden, zien denkers als Evgeny Morozov of Douglas Hofstadter echter wel als een serieus maatschappelijk probleem. Computers geven een antwoord op basis van algoritmen die wij hebben opgesteld, maar combineren daarbij inmiddels dermate veel gegevens dat ook programmeurs vaak niet meer overzien wat precies de relatie is tussen algoritme, data en uitkomst. De computer heeft iets ‘gedacht’, maar wat? Je kunt het hem niet vragen. Zodra bedrijven en overheden gaan handelen op grond van de resultaten die supercomputers opleveren, kunnen wij die organisaties dus ook niet vragen waarom ze nu eigenlijk tot dat beleid komen. Er is geen inzicht meer, geen verhaal wat de beslissing begeleidt. Wat een andere manier is om te zeggen dat deze overheden en bedrijven geen verantwoordelijkheid meer kunnen nemen voor dergelijk beleid. Die ontwikkeling bedreigt de maatschappij wel degelijk.

Ik snap goed dat Tereza naar een in liefde gespecialiseerd databedrijf stapt; zo gemakkelijk is het niet om als drukbezette vrouw van zekere leeftijd een geschikte partner tegen het lijf te lopen. En mensen die zich inschrijven bij een datingbureau voldoen in ieder geval aan de allerbelangrijkste conditie als het over de liefde gaat: ze staan open voor romantische ontmoetingen. Maar verder bezie ik die liefdesbureaus met een scepsis die ironisch genoeg het spiegelbeeld is van de klacht van Hofstadter en Morozov. Waar zij vrezen dat we straks niet meer begrijpen waarom een computer een bepaald voorstel doet, is mijn bedenking dat je maar al te goed weet waarom de computer van het datingbureau nu juist die man op jouw pad stuurt. Hij is een echo van de vragenlijst, een afspiegeling van het profiel dat je zelf hebt opgesteld, een materialisatie van jouw eigen ideeën. En zo werkt liefde niet. De essentie van liefde is dat die jou te buiten gaat, overrompelt, en daardoor transformeert. Echte liefde leidt juist wel tot een nieuw perspectief.

Vroeger, als ik me verveelde tijdens de les, tekende ik de jongen van mijn dromen. Hij had donker haar en donkere ogen waarmee hij gevoelvol de wereld in keek. De mannen waar ik in de praktijk op bleek te vallen, zagen er heel anders uit. Als ik had vastgehouden aan het profiel dat ik had opgesteld, was ik mijn grote liefde misgelopen. Moraal: wil liefde kunnen toeslaan, dan moet je loslaten wat je denkt te willen. Daar kan een computer niets mee.

Voor beleidsmakers is het een deugd om te kunnen toelichten waarom ze een bepaalde weg inslaan. Voor de liefde is dat de dood in de pot.

Pikorde

Wasiu Karimu zit in de stadsbus van Lagos. Als de vrouw naast hem opstaat, stoot ze Wasiu aan, waarop hij meteen een vreemd leeg gevoel van binnen krijgt. Wasiu controleert zijn broek, en ja hoor: zijn penis wordt kleiner en kleiner en staat welbeschouwd op het punt van verdwijnen. ‘Die vrouw steelt mijn penis!’, schreeuwt Wasiu. Zodra de vrouw de dreigende blikken van de andere passagiers ziet, geeft ze Wasiu vlug zijn penis terug.

In zijn essay in Harper’s Magazine probeert Frank Bures dieper door te dringen in het fenomeen van de Nigeriaanse penisdieven. Ergens halverwege de jaren zeventig rapporteerden Nigerianen voor het eerst massaal hoe hun penis plotsklaps verschrompelde in hun broek. De epidemie luwde, maar leefde weer op in de jaren negentig toen je in de straten van Lagos schichtige mannen kon waarnemen die hun handen beschermend voor hun kruis hielden. Die voorzorgsmaatregel hielp niet altijd. Soms ging een dief er toch met de penis vandoor, waarop een woedende horde de achtervolging inzette. Tientallen vermeende penisdieven zijn zo gelyncht.

Met #MeToo hebben wij onze eigen epidemie die al een tijdje door het land raast. Net als in Nigeria valt vooral de enorme anxiety op, de angstige nervositeit die zomaar kan omslaan in agressie. Nu in onze contreien eindelijk lijkt door te dringen hoe structureel seksuele intimidatie is, blijkt het hek van de dam; geen man is meer veilig voor aantijgingen van vermeend misbruik van soms decennia her. Wat Wilma de Rek afgelopen week in een mooi opiniestuk deed verzuchten: ‘Je mag het natuurlijk niet zeggen maar zijn de daders in deze #MeToo-dagen niet ook slachtoffers? Niet zozeer omdat hun naam voor eeuwig besmeurd is, maar wel omdat ze net zozeer als de slachtoffers het product zijn van hun tijd en hun omgeving?’

Verbijsterde westerse psychiaters deden de Nigeriaanse penisdiefstallen af als ‘etnische hysterie’ of ‘exotische psychose’, maar dat vindt Bures te gemakkelijk, te denigrerend. Hij ziet het fenomeen als product van de West-Afrikaanse cultuur; deze epidemie komt volgens hem voort uit het sociale weefsel van die specifieke samenleving. ‘Elke cultuur kent zijn eigen logica, zijn eigen aannames, zijn eigen stress’, merkt hij op. Wat mij tot de volgende vraag brengt: wat zou een – zeg – Tibetaanse psychiater waarnemen die zich over het #MeToo debat boog? Vermoedelijk precies wat wij menen te ontwaren in Nigeria: anxiety. En een grote onzekerheid omtrent de status van de penis.

Het is een soort kosmische wet: waar het recht geen beloop krijgt, gaat de horde razen. In het geval van seksuele intimidatie kan het recht moeilijk orde op zaken stellen, omdat onwelkome seksuele avances gewoonlijk in de privésfeer plaatsvinden – zonder pottenkijkers erbij dus. Om goede redenen verlangt ons recht naar getuigen die een aanklacht kunnen bevestigen. Maar die eis heeft eeuwenlang, en structureel, in het nadeel gewerkt van vrouwen en jongens die ervoeren dat de officiële hoeder van de privésfeer, de patriarch, vaak ook je belager is. Ze kregen seks opgedrongen en konden geen kant uit, want ze hadden de macht niet en het recht gaf niet thuis.

Nu overschrijden mensen de heilige grens: ze maken wat ‘privé’ en ‘intiem’ was tot onderwerp van publiek gesprek. En dat gaat met een zeker geweld gepaard, want alleen zo is de bestaande orde te doorbreken. Het recht kan maar weinig verzachting brengen, slecht ingericht op dit soort kwesties als het is. Inmiddels lijkt de machtsbalans omgeslagen: de voorheen machtigen zijn op dit moment kwetsbaar en kunnen zich nauwelijks verweren. Sommige mannen worden nu ongetwijfeld disproportioneel hard en meedogenloos aangepakt – symbolisch gelyncht, zeg maar. Dat is akelig, dat is volstrekt ongemakkelijk. Dat is anxiety. Maar ik wil niet terug naar de oude orde.

Mannelijke geilheid heeft geen status aparte meer. Het is gewoon één factor te midden van vele andere – een factor die niet speciaal afgekat hoeft te worden, maar die op zichzelf ook nergens een excuus voor is. Mannelijke geilheid is prima, maar geeft geen recht op privileges. En het is aan de mannen van nu om daar mee te dealen. Een tip voor de in dit opzicht reddeloze Thierry Baudet: ga in de bus nooit naast een vrouw zitten. Voor je het weet is er niets van je over.

Foute fantasieën

“(..) een onweerstaanbaar en overtuigend boek.” (NBD)

Wat te denken van ‘incorrecte’ fantasieën die desondanks genot brengen?
Dat was het onderwerp van mijn persoonlijke essay Foute Fantasieën: kleine filosofie van de ontvankelijkheid. In 2017 brengt Lemniscaat een nieuwe editie uit. Het leidt onder meer tot een spetterend gesprek tijdens de Rotterdamse talkshow Bored of feminism.

Meedoen

Afgelopen donderdag schoof ik aan bij Met het oog op morgen. Het radioprogramma maakt een zomerserie waarin het de stand van het feminismedebat peilt. De redactie bedacht een soort estafettevorm waarin de gast van die avond (ik dus) een vraag formuleert voor de gast van de volgende uitzending. Dat zou Colin van Heezik zijn, de kunstjournalist die onlangs in deze krant liet weten dat hij als man graag wil meedoen met de feministen en daar felle reacties op ontving.

Tja, en daar moest ik nu dus wat mee. Zelf had ik net verteld dat feminisme voor mij eerst en vooral over vrijheid gaat. De vrijheid voor vrouwen om hun eigen leven naar eigen inzicht vorm te geven, los van allerlei verwachtingen over wat een vrouw is of behoort te zijn. ‘Jazeker, ik ben een feminist – maar niemand moet mij vertellen wat een echte feminist is of behoort te zijn. Ook andere feministen niet. Dat wil ik nu juist zelf uitzoeken en vormgeven’, zei ik stoer.

En dan is daar Colin die zegt: ‘ik ben feminist en ik wil meedoen als feminist’. Dat voelt toch wat ongemakkelijk. Hij heeft geen vrouwenlichaam en staat dus niet in een geschiedenis waarin vrouwen beknot en beperkt worden vanwege hun lichaam. Die geschiedenis kan hij zich niet toe-eigenen. Maar wil hij dat eigenlijk wel? En bedoel ik nu te zeggen dat een ‘echte’ feminist in ieder geval een vrouw moet zijn? Dat zou nogal inconsequent zijn: dan bepaal ik dus wat feminisme is, waarmee ik recht tegen mijn eigen geloofsbrieven in ga.

Op dat moment schoot me een bericht van vorige zomer te binnen waar ik destijds erg vrolijk van werd. Het betrof een actie van jonge Iraanse mannen. Uit solidariteit met vrouwen die op straat verplicht een hoofddoek moeten dragen, postten ze onder de hashtag #MenInHijab foto’s van zichzelf met een charmante hoofddoek om. Het zag er snoezig uit. En ik zag er persoonlijk de logica wel van in. Ook mannenhaar kan heel verleidelijk zijn, moellahs! Verbergen, die kuiven – met het oog op de goede zeden.

‘Stel nu’, dacht ik, ‘dat ook ik een hoofddoek om zou slaan uit solidariteit met mijn onderdrukte zusters in islamitische landen. Wat zou ik daarmee doen?’ In de vorige eeuw had ik dit vermoedelijk een geniale strategie gevonden. Nu komt dat idee me vooral aanmatigend voor. Niet omdat ik een hoofddoek eigenlijk wel cool vind; ik vind ze ongemakkelijk en wantrouw waar ze voor staan. Maar omdat ik geen intieme ervaring met hoofddoeken heb. En dat maakt alles uit. Door activistisch een hoofddoek te dragen, eigen ik me een strijd toe die de mijne niet is – en dat bovendien zonder zelf enig risico te lopen. Ik treed een arena binnen die ik niet ken en ga daar betweterig lopen doen. En zodra de grond me te heet onder de voeten wordt, kan ik gewoon wegpiepen. Het zou anders zijn als een intieme vriendin zich bekneld voelde door haar hoofddoek. Dan zou zo’n actie zin kunnen hebben, want dan was er een persoonlijke band en maakten we deel uit van elkaars leefwereld. Maar zo’n vriendin heb ik niet.

Dan die Iraanse mannen. Zij zijn in het dagelijks leven verbonden met de vrouwen die tegen hun zin een hoofddoek moeten dragen. Vermoedelijk nemen ze risico’s door zichtbaar de draak te steken met de voorschriften van de patriarchen, en het lijkt me zonneklaar dat zij hun Iraanse vriendinnen een hart onder de riem steken. Dit maakt #MenInHijab voor mij tot een zinvol feministisch gebaar, gericht op het vergroten van vrijheid voor vrouwen.

Colin kan feminist zijn, ook al heeft hij geen vrouwenlichaam. Maar ik blijk bij nader inzien toch een voorwaarde te stellen aan feministen (m/v). Komen ze risicoloos de aandacht op zichzelf vestigen? Of stappen ze de arena binnen vanuit een intieme en doorleefde verbondenheid met vrouwen in de knel? Als Colin acties verzint die de vrije ruimte van zijn moeder, zus, vriendin, dochter vergroten, zou ik zeggen: yes! Dat Colin zelf ook te winnen heeft bij vrijere genderrollen, lijkt me evident – en bovendien geen enkel probleem. Natuurlijk mogen mannen beter worden van het feminisme. Dat is volgens mij altijd de bedoeling geweest.