Liefde bestellen

Tereza Burki is boos. Vijf jaar geleden schreef ze zich in bij een exclusief Londens datingbureau. Burki (47) was duidelijk over haar wensen: ze zocht een ontwikkelde man, liefst werkzaam in de financiële sector, met een luxe levensstijl. Bovendien moest hij in principe vader willen worden, want Burki wilde nog een kind. Volgens de eigenaar van het datingbureau voldeed ‘een aanzienlijk aantal’ van de ingeschreven mannen aan Tereza’s criteria. Maar in feite had het bureau slechts zo’n honderd mannen in zijn actieve bestand, die bovendien lang niet allemaal voldeden aan het gewenste profiel. Toen Burki daar achter kwam, klaagde ze het bureau aan wegens misleiding. Vorige week stelde de rechter Burki in het gelijk, aldus The Guardian. Veel geld neertellen om indirect te kunnen neuzen in een kaartenbak met nog geen honderd acceptabele mannen, nee zeg, dat is valse hoop wekken! Het datingbureau moest smartengeld betalen.

Dit voorval vat voor mij de tijdgeest krachtig samen. Teleurstelling die in een juridisch vertoog wordt gegoten. Maatschappelijk succesvolle vrouwen die moeten vissen in een vijver met naar hun zin te minne mannetjes. Verlangen dat wordt gegoten in dwingende taal; Burki lijkt niet zozeer op zoek naar liefde als wel naar intiem personeel. Maar waar het me nu om gaat, is de moeizame relatie tussen liefde en algoritmes.

Vooraanstaande informatiedeskundigen relativeren onze angst dat computers binnenkort het roer zullen overnemen. Zelfs de slimste lerende computer ontwikkelt geen nieuwe perspectieven. Daar heeft hij namelijk geen enkel belang bij: hij ligt lekker aan het infuus van de stroom – vanuit de machine gezien gaat alles helemaal prima. Hij rekent gewoon snel en slim door wat hij krijgt aangereikt.

Dat computers daarbij tot uitkomsten komen die wij mensen nauwelijks meer doorgronden, zien denkers als Evgeny Morozov of Douglas Hofstadter echter wel als een serieus maatschappelijk probleem. Computers geven een antwoord op basis van algoritmen die wij hebben opgesteld, maar combineren daarbij inmiddels dermate veel gegevens dat ook programmeurs vaak niet meer overzien wat precies de relatie is tussen algoritme, data en uitkomst. De computer heeft iets ‘gedacht’, maar wat? Je kunt het hem niet vragen. Zodra bedrijven en overheden gaan handelen op grond van de resultaten die supercomputers opleveren, kunnen wij die organisaties dus ook niet vragen waarom ze nu eigenlijk tot dat beleid komen. Er is geen inzicht meer, geen verhaal wat de beslissing begeleidt. Wat een andere manier is om te zeggen dat deze overheden en bedrijven geen verantwoordelijkheid meer kunnen nemen voor dergelijk beleid. Die ontwikkeling bedreigt de maatschappij wel degelijk.

Ik snap goed dat Tereza naar een in liefde gespecialiseerd databedrijf stapt; zo gemakkelijk is het niet om als drukbezette vrouw van zekere leeftijd een geschikte partner tegen het lijf te lopen. En mensen die zich inschrijven bij een datingbureau voldoen in ieder geval aan de allerbelangrijkste conditie als het over de liefde gaat: ze staan open voor romantische ontmoetingen. Maar verder bezie ik die liefdesbureaus met een scepsis die ironisch genoeg het spiegelbeeld is van de klacht van Hofstadter en Morozov. Waar zij vrezen dat we straks niet meer begrijpen waarom een computer een bepaald voorstel doet, is mijn bedenking dat je maar al te goed weet waarom de computer van het datingbureau nu juist die man op jouw pad stuurt. Hij is een echo van de vragenlijst, een afspiegeling van het profiel dat je zelf hebt opgesteld, een materialisatie van jouw eigen ideeën. En zo werkt liefde niet. De essentie van liefde is dat die jou te buiten gaat, overrompelt, en daardoor transformeert. Echte liefde leidt juist wel tot een nieuw perspectief.

Vroeger, als ik me verveelde tijdens de les, tekende ik de jongen van mijn dromen. Hij had donker haar en donkere ogen waarmee hij gevoelvol de wereld in keek. De mannen waar ik in de praktijk op bleek te vallen, zagen er heel anders uit. Als ik had vastgehouden aan het profiel dat ik had opgesteld, was ik mijn grote liefde misgelopen. Moraal: wil liefde kunnen toeslaan, dan moet je loslaten wat je denkt te willen. Daar kan een computer niets mee.

Voor beleidsmakers is het een deugd om te kunnen toelichten waarom ze een bepaalde weg inslaan. Voor de liefde is dat de dood in de pot.

Kloostertuinloop

Wat doet zich voor als collega’s een meditatieve wandeling maken door een kloostertuin? Heel veel, merk ik als begeleider.
We peinzen over metaforen. Ik vraag welke metaforen tijdens de langzame gang door de kloostertuin bij de deelnemers opborrelen, en we bespreken wat die vertellen over hoe zij in hun werk staan.

Meedoen

Afgelopen donderdag schoof ik aan bij Met het oog op morgen. Het radioprogramma maakt een zomerserie waarin het de stand van het feminismedebat peilt. De redactie bedacht een soort estafettevorm waarin de gast van die avond (ik dus) een vraag formuleert voor de gast van de volgende uitzending. Dat zou Colin van Heezik zijn, de kunstjournalist die onlangs in deze krant liet weten dat hij als man graag wil meedoen met de feministen en daar felle reacties op ontving.

Tja, en daar moest ik nu dus wat mee. Zelf had ik net verteld dat feminisme voor mij eerst en vooral over vrijheid gaat. De vrijheid voor vrouwen om hun eigen leven naar eigen inzicht vorm te geven, los van allerlei verwachtingen over wat een vrouw is of behoort te zijn. ‘Jazeker, ik ben een feminist – maar niemand moet mij vertellen wat een echte feminist is of behoort te zijn. Ook andere feministen niet. Dat wil ik nu juist zelf uitzoeken en vormgeven’, zei ik stoer.

En dan is daar Colin die zegt: ‘ik ben feminist en ik wil meedoen als feminist’. Dat voelt toch wat ongemakkelijk. Hij heeft geen vrouwenlichaam en staat dus niet in een geschiedenis waarin vrouwen beknot en beperkt worden vanwege hun lichaam. Die geschiedenis kan hij zich niet toe-eigenen. Maar wil hij dat eigenlijk wel? En bedoel ik nu te zeggen dat een ‘echte’ feminist in ieder geval een vrouw moet zijn? Dat zou nogal inconsequent zijn: dan bepaal ik dus wat feminisme is, waarmee ik recht tegen mijn eigen geloofsbrieven in ga.

Op dat moment schoot me een bericht van vorige zomer te binnen waar ik destijds erg vrolijk van werd. Het betrof een actie van jonge Iraanse mannen. Uit solidariteit met vrouwen die op straat verplicht een hoofddoek moeten dragen, postten ze onder de hashtag #MenInHijab foto’s van zichzelf met een charmante hoofddoek om. Het zag er snoezig uit. En ik zag er persoonlijk de logica wel van in. Ook mannenhaar kan heel verleidelijk zijn, moellahs! Verbergen, die kuiven – met het oog op de goede zeden.

‘Stel nu’, dacht ik, ‘dat ook ik een hoofddoek om zou slaan uit solidariteit met mijn onderdrukte zusters in islamitische landen. Wat zou ik daarmee doen?’ In de vorige eeuw had ik dit vermoedelijk een geniale strategie gevonden. Nu komt dat idee me vooral aanmatigend voor. Niet omdat ik een hoofddoek eigenlijk wel cool vind; ik vind ze ongemakkelijk en wantrouw waar ze voor staan. Maar omdat ik geen intieme ervaring met hoofddoeken heb. En dat maakt alles uit. Door activistisch een hoofddoek te dragen, eigen ik me een strijd toe die de mijne niet is – en dat bovendien zonder zelf enig risico te lopen. Ik treed een arena binnen die ik niet ken en ga daar betweterig lopen doen. En zodra de grond me te heet onder de voeten wordt, kan ik gewoon wegpiepen. Het zou anders zijn als een intieme vriendin zich bekneld voelde door haar hoofddoek. Dan zou zo’n actie zin kunnen hebben, want dan was er een persoonlijke band en maakten we deel uit van elkaars leefwereld. Maar zo’n vriendin heb ik niet.

Dan die Iraanse mannen. Zij zijn in het dagelijks leven verbonden met de vrouwen die tegen hun zin een hoofddoek moeten dragen. Vermoedelijk nemen ze risico’s door zichtbaar de draak te steken met de voorschriften van de patriarchen, en het lijkt me zonneklaar dat zij hun Iraanse vriendinnen een hart onder de riem steken. Dit maakt #MenInHijab voor mij tot een zinvol feministisch gebaar, gericht op het vergroten van vrijheid voor vrouwen.

Colin kan feminist zijn, ook al heeft hij geen vrouwenlichaam. Maar ik blijk bij nader inzien toch een voorwaarde te stellen aan feministen (m/v). Komen ze risicoloos de aandacht op zichzelf vestigen? Of stappen ze de arena binnen vanuit een intieme en doorleefde verbondenheid met vrouwen in de knel? Als Colin acties verzint die de vrije ruimte van zijn moeder, zus, vriendin, dochter vergroten, zou ik zeggen: yes! Dat Colin zelf ook te winnen heeft bij vrijere genderrollen, lijkt me evident – en bovendien geen enkel probleem. Natuurlijk mogen mannen beter worden van het feminisme. Dat is volgens mij altijd de bedoeling geweest.

Blunderen

‘Macht is het voorrecht om te praten in plaats van te luisteren’, zei Karl Deutsch ooit. Tegenwoordig zie ik dan direct Donald Trump voor me: het prototype van een machtige witte man die niet naar anderen hoeft te luisteren en niet naar zichzelf hoeft te kijken. Dat maakt Trump tegelijk tot een nogal ouderwets personage. Ik ben er althans van overtuigd dat geen enkele eenentwintigste-eeuwer het zich uiteindelijk zal kunnen veroorloven om zijn eigen standpunt normaal en vanzelfsprekend te vinden, louter en alleen omdat het van hem is.

In Trouw van vorige week staat een mooi verhaal over een recent project van kunstenaar en fotograaf Jan Banning, The Sweating Subject. Dat ‘zwetende subject’ is Banning zelf. Hij reisde met zijn camera af naar enkele dorpjes in Ghana en vroeg de plaatselijke stamhoofden om voor hem te poseren. Zelf kroop Banning tussen hen in, zijn tolk drukte op het knopje. Het resultaat: foto’s van trotse, zelfbewuste mensen, die zich duidelijk op hun gemak voelen in elkaars gezelschap – met in hun midden een wit mannetje dat strak en stijf de camera in kijkt.

Banning herhaalt een bekend patroon uit de koloniale fotografie: blanke man trekt de bush in om zwarte mensen te ‘bestuderen’. Maar door één simpele ingreep, door te laten zien dat hij er zelf ook is, als lichaam tussen de lichamen, zet Banning alles op zijn kop. Deze witte man vindt zijn eigen blik niet langer vanzelfsprekend. Deze witte man heeft het voorrecht verloren om te denken dat zijn manier van kijken neutraal is. En brengt vervolgens precies dat in beeld.

The New York Times vond Bannings foto’s prachtig, maar durfde het niet aan om de serie te publiceren, bang als de krant is om beschuldigd te worden van racisme. Dieptreurig vind ik dat. Hier is een man die zichzelf letterlijk te kijk durft te zetten. Durf hem dan ook te laten zien! Als dat tegen iemands zere been is, dan horen we het wel. Dan kunnen we het tenminste ergens over hebben. Je kunt niet van witte mannen verlangen dat ze zichzelf totaal uitvlakken. Je kunt niet van hen eisen dat ze zich verontschuldigen voor hun lichaam. En dat hoeft ook helemaal niet. Je hoeft als witte man alleen maar te snappen dat je niet vanzelf spreekt. Dat ook jij toelichting behoeft.

Ik herinner me een voorval uit de tijd dat ik als student een aantal werkgroepen vrouwenstudies bijwoonde. Een jonge zwarte vrouw nam het woord en verklaarde zich niet helemaal te herkennen in onze maatschappijanalyses, waarin seksisme steevast de machtsverhoudingen bleek te ordenen. Ik schrok; we streden toch samen voor één doel? Als beginnend feminist voelde ik me al kwetsbaar genoeg en ik wilde graag dat de gelederen gesloten bleven. De docent van dienst reageerde door direct allerlei argumenten aan te voeren die moesten aantonen dat sekseverschil toch echt belangrijker, essentiëler, fundamenteler was dan kleurverschil. ‘Waarom vraagt die vrouw niet gewoon naar mijn ervaringen?’, verzuchtte mijn medestudente toen ze naast me neerplofte. Touché, dacht ik. Die opmerking kon ik mezelf ook aantrekken. Voel je niet gelijk aangevallen. Luister nou eerst eens even.

Het publieke debat over racisme is op dit moment totaal overspannen, en vaak vuil en onaangenaam. En toch denk ik: daar moeten we dan maar doorheen. Liever ruziën dan constant op eieren lopen. Je kunt niet verwachten dat mensen zich netjes gedragen als de macht wordt herverdeeld, daarvoor staat er simpelweg teveel op het spel. Bovendien: het is nog niet duidelijk wat het nieuwe netjes is. Alleen in een stabiele samenleving met een heel strikte hiërarchie is het volstrekt duidelijk wat de beleefdheid van je vraagt. In een wereld waarin geen enkel standpunt meer vanzelf spreekt, zullen mensen zich soms onvermijdelijk lomp gedragen. Wij zijn immers nog op zoek naar de nieuwe goede manieren.

In Ghana voelde Banning zich naar eigen zeggen ‘een kluns tussen waardige mannen’. Ik denk dat hij zichzelf daarmee behoorlijk adequaat beschrijft. Op de foto bij het Trouw-artikel zie ik althans een man die zich geen houding weet te geven – en dat pleit voor hem. Een nieuwe houding, dat is precies wat hij aan het uitvinden is. En die zal hij vinden. Juist omdat hij durft te blunderen.