De waarheid en de koe

Het lastige van kennis is dat je er niet onnozel bij kunt blijven. Deels is dit een waarheid als een koe: wetenschap heft per definitie onnozelheid op. Maar er zit ook een ethische kant aan de uitspraak: je kunt het als mens niet maken om je ogen te sluiten voor wat je weet. Doe je dat wel, dan ga je moreel failliet.

Dat failliet dreigt in onze omgang met landbouwhuisdieren. Zolang je dieren oprecht kan zien als een soort machientjes die God heeft ontworpen om jou voedsel, bont en trekkracht te leveren, heb je geen moreel probleem. De zoveelste stalbrand is dan gewoon een vervelend – want duur – bedrijfsongeval. Maar op het moment dat je de evolutietheorie tot je door laat dringen, weet je dat productiedieren een lichaam hebben dat zeer vergelijkbaar is met het onze. We sluiten deze dieren op, buiten ze uit, slachten ze af – en met de kennis van nu staat vrijwel vast dat de dieren daaronder lijden. Wat je daar verder ook voor praktische consequenties aan verbindt, die kennis leidt tot een enorm moreel probleem.

Nog zo’n weetje met morele implicaties: onze leefwijze verandert het klimaat. En diezelfde productiedieren zijn daarbij een cruciale schakel. Gras omzetten in melk en vlees is een heel gedoe waarvoor een koe vier stevige magen nodig heeft en waarbij het beest een hoop methaangas produceert. Opgeteld leveren de scheten en boeren van het Nederlandse vee op dit moment meer broeikasgassen dan de tien megaton die de totale Nederlandse bedrijvigheid volgens de klimaatdoelen in 2050 zou mogen uitstoten. Dus: alleen als het ons lukt om volkomen klimaatneutraal te leven en werken, kunnen onze productiedieren op dezelfde schaal blijven gisten. Je kunt het wegzetten als klimaatdrammen, maar als je dit eenmaal weet, zul je toch echt moeten concluderen dat onze praktijken rond productiedieren onhoudbaar zijn.

De vraag is: op welke veranderingen koers je? Ga je jezelf aanpakken, of de productiedieren? Dat laatste is natuurlijk het meest gerieflijk voor ons. En dus zijn mensen in de sector naarstig op zoek naar koeien die minder scheten laten. Fokken ze zeugen die zo dociel zijn dat ze ook in een piepklein hok lief blijven voor hun biggetjes. Fantaseren ze over het kweken van blinde kippen, want een blinde kip zal haar buurvrouw niet pikken. En overwegen ze om het gen dat sommige koeien hoornloos ter wereld laat komen in het genoom van onze productiekoeien te monteren, zodat boeren hun hoorns niet meer hoeven weg te branden. Kortom: ze buigen de dieren om voor ons comfort. En in al deze voorbeelden zullen de dieren niet meer lijden dan nu, waarschijnlijk zelfs minder. Best slim eigenlijk!

Behalve dat ‘minder slecht’ wat anders is dan ‘goed’. Ik eet vlees en zuivel, en zit daar moreel niet mee in mijn maag. Maar naarmate ik meer weet over de manier waarop wij productiedieren houden, en wat dit betekent voor onze leefomgeving, groeit mijn schaamte bij de huidige praktijk alleen maar. Dit kan gewoon niet. Dit moet anders.

Dat betekent allereerst iets voor boeren. Boeren zijn niet kwaadaardig, maar het standaardverhaal van boeren die werken met dieren – dat ze hun best doen, maar knel zitten – is behoorlijk beroerd. Zodra een agrarisch ondernemer zich voornamelijk als slachtoffer van de omstandigheden gaat zien, heeft hij zijn eigen lot als ondernemer in feite bezegeld.

Ondertussen wordt van mij, als consument van vlees of dierlijke producten, wél ondernemerschap gevraagd, want ik krijg de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven. Ik koop dit, dus ik wil dit. Zeker, ik eet vlees en heb dus iets te verantwoorden. Maar ik kan inmiddels die kreet ‘de macht van de boodschappentas’ niet meer horen. Moet ik, wanneer ik aan de randen van mijn werkdag boodschappen doe – gehaast, bestookt door reclame, en met beperkte portemonnee – de verstandige keuzes maken die de partijen binnen het landbouwsysteem zelf uit de weg gaan? Mooi niet. Die aap mogen de professionals van dat systeem – boeren, maar zeker ook levensmiddelenbedrijven, supermarkten, adviseurs, de Rabobank – zelf op hun schouder houden. Het is tenslotte hun beroep.

De huidige omgang met productiedieren is onhoudbaar. Een modern mens hoort dat te durven weten. Wat daar praktisch uit volgt, moet je vooral zelf bedenken. Maar pak jezelf aan. Niet de dieren.

Zacht

Mijn reis in India loopt ten einde en dat is misschien maar goed ook, want ik mis de bravoure van het begin om onbevangen mijn licht te laten schijnen over het subcontinent. Het is zoals zo vaak: kijk langer en beter, en de verwarring slaat toe.

Zo weet ik niet of ik India in vergelijking met ons eigen land nu hard of zacht moet vinden. Ik had een scherpe observatie klaar over de verschillen die ik voel in de publieke ruimte, een observatie waarin India het land is van zachte mensen in een harde samenleving, en Nederland figureert als de zorgzame samenleving met de harde omgangsvormen. Maar ik merk dat ik die zelf alweer aan het ondergraven ben. Weliswaar blijft het gebrek aan intermenselijk venijn dat ik hier ervaar overweldigend – en dat die zachtheid zo opvalt, zegt pijnlijk veel over Nederland. Maar wat te denken van de Indiërs die onbeschaamd voordringen als ze de kans krijgen? Van jonge mannen die er niet over piekeren om in de bus op te staan voor een oude vrouw met een mismaakte voet? Dat zou bij ons echt grof gedrag zijn.

Persoonlijke agressie heb ik hier nauwelijks waargenomen. Zo hoor je zelden een Indiër zijn stem verheffen tegen een ander mens. De wilde, ongerichte herrie is hier echter enorm. Onafgebroken getoeter, overstuurde microfoons, voetgangerssignalen die even doordringend klinken als onze sirene op de eerste maandag van de maand – ik ervaar het als zinloos geweld en loop hier vaak letterlijk met mijn handen over mijn oren. Nederland snauwt misschien, maar India snerpt.

Je zou ook kunnen zeggen dat Indiërs meer dan wij langs hun medemens heen glijden. Niemand wil hier gedoe, maar verder lijkt de uitwerking van jouw gedrag op een onbekende ander het overwegen niet waard. Een gevolg van het denken vanuit een kosmische orde, waarin iedereen zijn onwrikbare plaats heeft? Een restant van het kastenstelsel? Zou kunnen, maar dat benadrukt weer dat religieuze India. Terwijl een ander, werelds feit ook enorm in het oog springt: het oprukken van de stad. Indiase steden horen tot de snelst groeiende ter wereld. In de praktijk wonen veel Indiërs inmiddels tussen enorme aantallen nabije vreemden. In dergelijke omstandigheden is het vermijden van harde confrontaties al een hele prestatie.

In mijn rugzak zit het boek Schaal van de Britse natuurkundige Geoffry West. West is lyrisch over steden, en als je zijn cijfers en grafieken ziet, snap je waarom: de stad is de plek waar mensen bovengemiddeld presteren, en dat voor minder dan gemiddelde kosten. Superefficiënt dus, zo’n stad! En die schaalwinst vlakt bovendien niet af: hoe groter de stad, hoe efficiënter. Als je de data van West moet geloven, komt er nooit een omslagpunt, kan een stad nooit te groot worden. Zo bezien is de voorspelling dat Delhi in 2030 met dertig miljoen inwoners de grootste stad ter wereld zal zijn, louter goed nieuws.

In Indiase steden krult alles in elkaar, wordt elk plekje opgevuld en uitgewoond. Zo’n stad maakt vast optimaal gebruik van energie en ruimte, zoals West stelt. Maar dat is vanuit de stad gedacht, niet vanuit de mensen. Ik geloof niet dat mensen verlangen naar efficiëntie. Mensen willen gelukkig zijn. En de stad biedt een open toekomst, waar je kunt bouwen aan wie je nog niet bent.

Voor mij is het de vraag of het gros van de nieuwe bewoners van die exploderende Indiase steden in hun dagelijkse leven werkelijk beter af zijn. De luchtvervuiling is enorm, het verkeer een chaos, en al die voormalige dorpsbewoners gooien hun afval over hun schouder alsof de dieren ook hier hun troep wel zullen opeten (maar dieren lusten geen plastic). Op mij, bevoorrechte bewoner van een welvarend Nederlands provinciehoofdstadje, komt een Indiase stad soms over als de hel. Maar ik zie ook wel dat dit plekken zijn van dadendrang en levenslust. Van verjonging. Van gokken en verlangen. Dat maakt deze steden bij uitstek menselijk. Onze soort floreert in de hoop op beter.

Wat een contrast met de dieren – koeien, varkens, honden – die hier in de stad overal tussendoor lopen. Zie hun zachte, gevoelige oren krullen en draaien richting het lawaai. Ze kunnen het niet helpen, het is hun natuur. Alleen afstomping kan hun lot verzachten.

Kaartje

Een treinkaartje regelen in Kolkata is pittig. Eerst bracht de Uber ons naar het station. Bij een loket vulden we op aanraden van behulpzame Indiërs een formulier in; de beambten waren voor onbepaalde tijd met pauze. Na hun terugkomst bleken we in de verkeerde rij te staan. Bij het andere loket keek een bebrilde Indiër ons aan en concludeerde: buitenlanders. Die horen hun kaartje te kopen in een heel ander station. Daar kregen we een nieuw formulier. Wij waren nummer 125 van die dag; nummer 101 was in behandeling. Het was inmiddels al halverwege de middag en op een bordje stond duidelijk dat men hier om 5 uur ophield met werken.

Dan krijg je een oefening in gelatenheid. Wat valt er te doen? Wachten en hopen. Het verdragen van de gestolde gang van zaken. Zo gaat dit hier nu eenmaal. De klok tikt. Een treinkaartje verstrekken duurt minstens tien minuten, ook al werken er twee beambten tegelijk aan. Een simpele rekensom leert dat we het in dit tempo nooit gaan halen. Wacht: er komen een paar nummers niet opdagen! Wie weet.. en ja, we worden opgeroepen. Een dame schrijft het formulier over dat wij ingevuld hebben, waarna haar collega die gegevens nogmaals intikt in de computer. Zo bemachtigen we het laatste treinkaartje dat die dag wordt uitgegeven. Het Nepalese stel met nummer 126 heeft het nakijken.

Zodra iets tegen de verwachting in toch lukt, gebeurt er veel in een mens. Een tergende middag wordt plotsklaps een verhaal waarin wij figureren als de bijzondere hoofdpersonen die dit natuurlijk moest overkomen. Iets valt je toe, en binnen een mum van tijd denk je: ik zal het wel verdiend hebben. Zo’n verhaal laat geen ruimte voor het Nepalese stel, of voor toeval, of voor reflecties over rechtvaardigheid of efficiëntie. Verhalen zijn geen analyses. Verhalen zijn in hun aard egocentrische constructen, waarin de wereld draait rond de verteller.

Veel rijke Amerikanen schijnen te beweren dat hun rijkdom bewijst dat God van hen houdt. Dus hoeven ze in principe geen poot uit te steken naar arme Amerikanen waar God – om ondoorgrondelijke maar dus wel goddelijke redenen – kennelijk minder van houdt. Zou het niet juist hovaardig zijn om tegen Gods oordeel in te gaan? Om de wereld anders te maken dan God hem bedoeld heeft? Het is deze manier van redeneren die ik hier in India teveel om me heen voel. Sommige mensen bezingen de spiritualiteit van dit land, maar het is net of ik er geen toegang toe krijg. Ik voel me vooral opstandig.

Ik weet dat religie mensen kan helpen om de schoonheid van het leven te ervaren. Daar wil ik niets aan afdoen, en ik wens dat vooral de Indiërs in benarde omstandigheden van harte toe. Maar verder gaat mijn eerbied voor religie niet. Al die aandacht voor het hogere, voor de verticale lijn, leidt tot een soort mechanisch wereldbeeld, waarin mensen volgens een gegeven orde om elkaar heen draaien zonder zich werkelijk met elkaar te hoeven engageren, want alles ligt toch al vast. Die houding leidt ertoe dat mensen wel kansen pakken, maar geen alternatieven zoeken. Het staat waarlijk burgerschap in de weg. Die nadruk op de godgegeven orde maakt India tot de droom van Thatcher: There is no such thing as society.

Je verbinden met een maatschappij vraagt iets moeilijks en tegennatuurlijks van de menselijke psychologie: het waarlijk accepteren van het idee van willekeur. We maken liever een spannend verhaal van onze voor- of tegenspoed dan dat we het toevallige van ons eigen plekje onder ogen zien. Want toeval gooit ons uit het centrum van het verhaal.

De filosofie heeft een woord voor het besef dat de wereld om je heen net zo goed anders had kunnen zijn dan hij feitelijk is: radicale contingentie. Het begrip vraagt van je om toeval en willekeur te accepteren, en biedt bar weinig troost, want er is nergens voorzien in een vast plekje voor jou. Maar het schept wel ruimte voor verandering. Voor opstand in plaats van lijdzaamheid. Voor betrokkenheid in plaats van acceptatie.

Anders gezegd: ik kan ze even niet meer zien, die heilige mannen met hun eeuwenoude teksten en hun kosmische orde. Ze doen me aan Thatcher denken.

Aardig

“Even zappen hoor”, zei mijn man toen hij moe binnenkwam. Hij bleef hangen bij het van oorsprong Canadese reality-programma Under Cover Boss, al jaren te zien bij RTLZ. “Kijk eens hoe vaak het bedrijfslogo in beeld komt, het is één lange reclamespot!”, zei hij kritisch. Maar kennelijk vindt hij het programma toch vooral verstrooiend. Ik niet. Ik verdraag het steeds slechter, die Angelsaksische ideologie waarin ongelijkheid in de structuren zit ingebakken en een humane baas het beste is waar je op mag hopen.

Elke aflevering van Under Cover Boss verloopt volgens hetzelfde stramien: de baas van een bedrijf zet een pruik op en doet alsof hij een nieuweling is die een dagje komt meelopen. Zo ziet hij waar zijn mensen op de werkvloer mee te kampen hebben. Onvermijdelijke bevinding: de bedrijfsprocessen kunnen een stuk slimmer, en het leven van deze laaggeschoolde arbeiders is hard. In de apotheose worden de gefilmde werknemers ontboden op het hoofdkantoor, waar ze bijna flauwvallen als ze merken dat die klunzige nieuweling in feite hun baas is. Uitzonderlijk goede werknemers krijgen steevast twee gunsten van de baas: een zakelijke en een persoonlijke. Bijvoorbeeld: ze mogen een cursus tot afdelingsmanager volgen én de baas stort geld in het studiefonds van een veelbelovend kind. Deze doelen liggen kennelijk buiten bereik bij het loon waarvoor hij ze laat werken.

Het irritante is: Under Cover Boss pakt me in. Geregeld wrijf ik de tranen uit mijn ogen. Wat zijn die werknemers blijmoedig onder tegenslag, wat is die baas oprecht aardig, en wat fijn dat die ploeterende mensen nu eindelijk erkenning krijgen! Ik tril dus volop mee. Tegelijkertijd vind ik het programma ontzettend neerbuigend en zelfs leugenachtig.

Sprookjes houden je voor dat goede mensen vanzelf komen bovendrijven. Op school gaat dit meritocratische model ook aardig op: je positie hangt daar behoorlijk strak samen met je prestaties. Na school wordt die samenhang rap losser. Mentaliteit en intelligentie doen er heus nog wel toe om maatschappelijk succes te verklaren, maar veel minder dan onze liberale ideologen willen doen geloven. In hun universum is succes het directe resultaat van verdienste. En falen zal dan wel het gevolg zijn van een verkeerde instelling. Toch? Want als dat niet zo is, dan .. ho, deze redenering gaat geen gezellige kant op. Neem liever nog een bitterbal.

Tot zover het sprookje. Studies laten ondertussen zien dat het verband tussen ‘geld’ en ‘belonen’ veel losser is dan het meritocratische ideaal suggereert. Het grote geld ‘verdien’ je met renderend vermogen. Als je rijk bent, hoef je niets te kunnen om nog rijker te worden, behalve financieel adviseurs in de arm nemen. Ik weet, dit is geen nieuws. Het komt op dit moment alleen hard bij mij binnen, omdat ik De onzichtbare hand van de Utrechtse econoom Bas van Bavel aan het lezen ben.

Op rustige, gezaghebbende wijze maakt Van Bavel gehakt van het idee dat de vrije markt vanzelf tot meer welvaart en betere maatschappelijke instituties leidt. Hij toont zelfs het tegenovergestelde aan. De geschiedenis laat zien dat samenlevingen waar grond, arbeid en kapitaal vrijelijk worden verhandeld na verloop van tijd inboeten aan welvaart en welzijn. Van Bavel verklaart ook de achterliggende dynamiek: rijke mensen gaan handelen in grond en financiële producten, waardoor ze snel nog rijker worden. Om dat geld veilig te stellen, vergroten deze rijken hun greep op de politiek. Zo kunnen ze regelingen en instituties in hun voordeel bijbuigen – ze zouden bijvoorbeeld kunnen bedenken om de belasting op dividend af te schaffen, om maar wat geks te noemen. Mensen die alleen hun arbeid in de aanbieding hebben, trekken voortaan aan het kortste eind.

Wat Van Bavel beschrijft, past griezelig goed bij het patroon dat zich nu in de Verenigde Staten aftekent. Het einde van het meritocratische sprookje lijkt daar ingeluid. Je kunt je te pletter werken, maar je zult het toch afleggen tegen iemand die van huis uit geld meekrijgt.

Het is geen gramschap die maakt dat ik Undercover Boss inmiddels onverdraaglijk vind. Zolang niemand arm is, kan ik er best mee leven dat sommige mensen rijk zijn. Maar bespaar me die schijnheilige praatjes over deugd en inzet die door de markt beloond worden. Het is misschien niet onwaar. Maar het is wel klein bier in vergelijking met het grote patroon: geld levert geld op, los van enige persoonlijke verdienste.

Gastvrij

Natuurlijk zit ik met #MeToo in mijn maag. Ik leef in een tijd waarin bepaalde mannen door toedoen van vrouwen op de sociale brandstapel belanden. Die mannen worden daar opgehesen zonder eerlijk proces, en enkelen waarschijnlijk zonder veel misdaan te hebben. Dat is een hoogst ongemakkelijk gegeven, en ik kan dan ook niet genieten van wat ik zie. Toch sta ik achter #MeToo, toch heb ik sterk het gevoel: ‘en nu doorpakken’. Het leed van die vallende mannen is kennelijk een prijs die ik bereid ben te betalen voor het hogere doel: de ervaringen van vrouwen rond seksuele intimidatie nu eindelijk eens echt laten doorklinken.

Ai. Leed accepteren omwille van een hoger politiek doel: het is een gevaarlijke manoeuvre. Proberend om mijn eigen reactie te begrijpen, stuit ik op een uitspraak van de Britse psychoanalyticus Adam Phillips over conflict (gedaan in een tijd ver voor #MeToo). Phillips contrasteert de ‘openheid’ van conflict met de ‘afgrendeling’ van intimidatie. Om conflict te kunnen waarderen, zegt hij, heb je een notie van gelijkwaardigheid nodig. Want “conflict dat niet tussen gelijken is, zal heel snel stoppen conflict te zijn”. Dan gaat het deksel namelijk weer op de doofpot, via die beproefde weg van de intimidatie. Nou, dan maar liever een openlijk conflict – met al het leed van dien. Conflict belooft tenminste zicht op een nieuwe weg.

En daar snak ik naar, want ik ben intiem met mannen. Ik ben met ze opgegroeid, en als heteroseksuele vrouw val ik ook op ze. Eros en liefde compliceren de zaak enorm. Dat heeft het feminisme voor mij altijd tot zo’n ingewikkelde en ook uitzonderlijke emancipatiebeweging gemaakt. Analyses over macht en onderdrukking zijn noodzakelijk, maar waar je als zwarte of arbeider of gekoloniseerde je onderdrukker emotioneel de rug kunt toekeren, worstelt mijn feminisme met liefde. Met de ultieme verstrengeling die je hebt – en wilt hebben! – met vertegenwoordigers van de groep waarmee je ook in conflict bent.

De laatste tijd peins ik over het begrip ‘gastvrijheid’, zoals mijn leraar filosofie Jan Bransen dat naar voren schuift in zijn boek Laat je niets wijsmaken. Met gastvrijheid bedoelt Bransen dat je jezelf openstelt voor een andere kijk op de zaak dan de jouwe. ‘Het mooie aan het delen van onbegrip’, stelt hij, ‘is het besef dat mijn wereld niet de jouwe is, maar dat we samen onze wereld zijn.’ Conflict laat zien dat er onbegrip is. Dat onbegrip delen, is wellicht de weg – vanuit het besef dat we samen onze wereld zijn.

Gastvrijheid is geen poezelig begrip; het kan juist helpen om scherp te kijken. Zo kun je bijvoorbeeld snappen wat Ian Buruma is overkomen, de inmiddels teruggetreden hoofdredacteur van The New York Review of Books. Buruma drukte in zijn kolommen een (ellenlang) essay af van de Canadese radio-dj Jian Ghomeshi, die uit de doeken mocht doen hoe zijn carrière geknakt werd nadat meer dan twintig vrouwen hem hadden beticht van seksuele intimidatie. ‘Wat gebeurt er met je op het schavot van de social media?’ was de vraag die Buruma interesseerde in het relaas van Ghomeshi.

Goede vraag. Verkeerde timing. Buruma was gastvrij voor Ghomeshi, nu, op deze manier, en toont daarmee dat hij iets niet tot zich laat doordringen. Zoals een vrouw het verwoordde in een ingezonden brief aan de NYR: ‘Je herinnerde mij eraan dat het verhaal van een machtige man die een verschoppeling is geworden omdat hij vrouwen pijn deed, belangrijker is dan het verhaal van een vrouw die te horen krijgt hoe waardevol ze is terwijl haar keel wordt dichtgeknepen.’

Mannen: jullie hoeven je niet aangevallen te voelen. Mijn feminisme zegt niet dat alle mannen ‘eigenlijk’ verkrachters zijn. Maar mijn feminisme beweert wel dat werkelijk iedere vrouw die jij kent – en vast ook heel veel jongens – de dreiging hebben gevoeld die uitgaat van een duistere, sterke man. Vraag het hen, en stel je gastvrij op voor wat dat betekent. Schiet niet in de verdediging door te zeggen dat mannen op hun hoede zijn voor klappen die ze op straat kunnen oplopen. Dat zal ook wel. Maar niemand doet alsof die klappen erotisch bedoeld zijn. Niemand zegt er schatje bij.

Het enige dat mijn feminisme vraagt is: wees werkelijk intiem met mij. Luister. Nu.