Spijt

Het kabinet weigert zich ‘in te spannen’ om kinderen van Nederlandse IS-uitreizigers terug te halen uit barre gevangenkampen, en gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter. “Wij willen deze kinderen niet terug”, snerpt Dilan Yesilgöz van de VVD, “en hun ouders al helemaal niet”. Van de precieze juridische onderbouwing heb ik geen kaas gegeten, maar mij lijkt dat we hier niet veel te willen hebben. De mensen die afreisden naar het kalifaat zijn Nederlandse staatsburgers. Ze horen bij ons – ook al willen ‘wij’ dat niet. Ook al wilden zij dat zelf niet.

Natuurlijk ben ik kwaad op de aanbidders van het kalifaat. Omdat ze zich zomaar scharen achter een ideologie die trots is op de meest verschrikkelijke wreedheden. Maar ook omdat ze hun eigen Nederland niet waarderen, wat me – tot mijn verbazing – beledigt. En deze mensen komen hier straks dus terug. Ze zullen straf krijgen, een ritueel waarmee wij onze openbare orde bekrachtigen. Die straf zullen ze uitzitten. Maar om hier verder te leven te midden van ons, om hier weer echt te kunnen zijn, zullen ze ook een persoonlijk gebaar moeten maken.

Wat wil ik van hen zien? Berouw. Ik wil berouw zien. En dan ook echt berouw, en geen toneelstukje om eerder van de straf af te zijn.

Het vreemde is, dat kalifaatgangers zelf vaak op zoek zijn naar vergeving – al zoeken ze die natuurlijk niet bij mij, of bij Nederlanders. Dat begreep ik althans uit een interview met socioloog Marion van San vorige week in deze krant. Van San praat al jaren met vrouwen in het kalifaat, en met hun hier achtergebleven familieleden. Uit haar verhaal rijst een beeld op van ‘wankele’ jongeren die thuis dubieuze dingen hebben gedaan, en verlossing van hun zonden zoeken in de brandende waarheid van het kalifaat. Zij dachten vergeving te kunnen vinden bij een of andere woeste god, en daarmee begingen ze pas echt een grote fout. Nu hebben ze zich in een positie gemanoeuvreerd waarin ze vergeving zullen moeten vragen aan ons.

In een grijs verleden zag ik Marathon Man, een film uit 1976 waarin Laurence Olivier een naar Mengele gemodelleerde tandarts speelt die na de Tweede Wereldoorlog gewoon ergens anders op de wereld doorgaat met zijn afgrijselijke martelpraktijken. Toen drong voor het eerst tot me door dat sommige mensen nooit spijt zullen hebben. Dat is moeilijk te verteren, want er is het diepe verlangen dat misdadigers boete doen. Dat ze de consequenties van hun daden voelen, en daaronder lijden. Dat wil ik zien. Ik wil dat IS-uitreizigers met hangende pootjes terugkomen, dat ze hun fout toegeven, ik wil dat ze diep door het stof gaan en zich schamen, schamen, schamen. Dat is mijn fantasie. Dat zou mijn orde herstellen.

Erg realistisch is die fantasie niet. Want wat doe je als je verwijtend wordt aangesproken op je daden? Je eerste impuls is dan om jezelf te verdedigen, ook al heb je het ongelijk aan je kant. Zelf moet ik me al inhouden om niet te gaan snauwen als ik aan het kletsen ben in een stiltecoupé en iemand mij op het logo wijst. Publiekelijk gecorrigeerd worden is vernederend. Ik voel dat dus al bij zoiets kleins – terwijl ik volwassen ben, en goed af. Het laat zich raden wat ‘wankele’ personen zullen voelen die worden aangesproken op vreselijke dingen die ze recentelijk hebben vergoelijkt, of misschien wel hebben begaan.

IS-gangers weten dat ze spijt zullen moeten betuigen om weer te midden van ons te kunnen leven. De vraag is wanneer wij weten dat die spijt waarachtig is. Volgens de eerder genoemde onderzoeker Marion van San geven sommige vrouwen tegenover haar toe dat ze zich enorm hebben vergist, dat het in Syrië allemaal heel anders was dan ze hadden verwacht. “Maar het zijn juist de spijtoptanten die met mij in gesprek willen natuurlijk”, zegt ze erbij. Max Pam koopt er allemaal niet veel voor. “Er zullen vast vrouwen zijn die oprecht spijt hebben”, schrijft hij in zijn column. “Maar de kans is groot dat hun spijt vooral zelfbeklag inhoudt en is bedoeld om aan het onaangename leven van het kamp te ontsnappen.” Ja, dat kan. Met die mogelijkheid zullen we moeten leven. Straf kun je afdwingen. Spijt niet.

 

Koan

‘Een monnik hangt te bungelen aan een tak. Zijn spieren verzuren. Onder hem wacht een hongerige tijger. Wat moet de monnik doen?’ Zenraadsels als deze zijn zodanig ontworpen dat het verstand geen uitvlucht meer kan bedenken. Een logisch antwoord is er niet. De weg loopt dood. Je kunt het raadsel, de koan, alleen ‘oplossen’ door een passende reactie. Je ademt bijvoorbeeld diep en lang uit, waarmee je te kennen geeft: ‘Wat komt, dat komt. Ik zie geen uitweg. Ik zie alleen dat de onmogelijke situatie waarin ik me bevind onlosmakelijk samenhangt met hoe ik de situatie begrijp.’

Sinds het referendum over de Brexit verkeert het Verenigd Koninkrijk in een kramp. Correspondent Patrick IJzendoorn verwoordde de situatie vorige week treffend: “Wint de strijdbare premier die ‘de volkswil’ verdedigt, of het parlement, dat het volk vertegenwoordigt?” Dat volk praat dus in raadselen, want het zegt tegelijk No Deal-Brexit (Johnson) en No No Deal-Brexit (parlement). Wat is hier de uitweg? Hoe gaan de Britten hun koan oplossen? Geen idee. Ik weet alleen dat het vastbijten in ‘de uitspraak van het volk’ hier niet meer gaat helpen. De ontspanning, de opening, zal komen door een ander begrip van wat het volk nu eigenlijk zegt. Door een andere manier van luisteren dus eigenlijk.

‘Als je mensen een vraag stelt, geven ze niet per se antwoord op de gestelde vraag. Het kan heel goed zijn dat ze een aangrenzende vraag beantwoorden’, merkte de grote Israëlische psycholoog Daniel Kahneman ooit op in internettijdschrift Edge. De vraag gaat officieel misschien over een onderwerp waar mensen niet zo diep over hebben nagedacht, lichtte Kahneman toe, en in plaats van te moeten zeggen ‘geen idee’, geven ze dan liever antwoord op een verwante vraag die voor hen dichterbij ligt. ‘Denkt u dat het Verenigd Koninkrijk er beter aan toe zal zijn als het uit de Europese Unie stapt?’ lijkt me typisch zo’n vraag die mensen niet goed kunnen overzien. Daar is de Europese bureaucratie veel te ingewikkeld voor. En dus geven ze antwoord op een verwante vraag, bijvoorbeeld iets in de trant van: ‘Heeft u het idee dat het beter met u gaat sinds ons land lid is van de Europese Unie?’

De Britse referendumuitslag over het lidmaatschap van de Europese Unie liet een nipt ‘nee’ zien, en dat is een niet te negeren signaal. Maar van wat? Heeft het volk echt een uitspraak gedaan over een causale relatie (‘Het Verenigd Koninkrijk heeft wel/niet baat bij de Europese Unie’)? Of was die vraag te ver weg, te ingewikkeld, en hebben ze in plaats daarvan gereageerd op een verwante vraag die dichterbij ligt? Bijvoorbeeld: ‘Sinds het Verenigd Koninkrijk lid is van de Europese Unie ben ik wel/niet tevreden over de samenleving.’ In dat geval laat het referendumuitslag zien dat de meerderheid ontevreden is, maar hoeft die ontevredenheid niets te maken te hebben met de Europese Unie. De vraag ‘Sinds Oasis uit elkaar is, ben ik wel/niet tevreden over deze maatschappij’ had hetzelfde antwoord opgeleverd. Blijven hameren op de referendumuitslag en daarmee de ontstane patstelling verdiepen, gaat alleen maar meer pijn opleveren. Je zou, met Kahneman in de hand, misschien beter kunnen onderzoeken welke vraag het volk nu eigenlijk heeft beantwoord.

Een raadsel is ook waarom veel Britten niet luisteren naar hun eigen experts die waarschuwen dat een harde Brexit een bloody mess gaat worden. Concluderen dat de gewone Britten kennelijk te dom of te benepen zijn om dat te snappen, is niet zo behulpzaam. Luister dan liever naar de grote Duitse socioloog Max Weber. Ergens begin vorige eeuw vroeg Weber vertwijfeld aan Amerikaanse arbeiders waarom ze bleven stemmen op politici die hun taak nauwelijks aankonden en die hen – de arbeiders dus – in de praktijk als een baksteen lieten vallen. De arbeiders antwoordden: ‘We spugen op die politici. We kijken op ze neer. Maar als deze politici vervangen gaan worden door deskundige en gekwalificeerde mensen, dan spugen die op ons.’ Kortom: ze werden nog liever bestuurd door narcistische sukkels dan door experts die openlijk op hen neerkeken. Het gevoel vernederd te worden is één van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Dat kunnen technocraten die de voordelen van Europa ‘nog één keer zullen uitleggen’ in hun oren knopen.

 

Catastrofe

In het Van Abbemuseum was tot vorige week (sorry!) een kunstwerk te zien van The Otolith Group met de onvertaalbare titel What does the earth think it is? Het werk omvat brieven aan het kantoor van de Californische geologische dienst waarin betrokken burgers een aardbeving voorspellen. Zij beseffen dat ze wonen op een breuklijn en zijn uiterst gespitst op voortekenen. ‘Ik zou graag melden dat we binnen een paar dagen een middelgrote aardbeving zullen krijgen’, schrijft iemand in een drieregelig briefje. ‘Ik baseer dit op de pijnen in mijn lichaam die we al eerder hebben besproken. Ik hoop u met deze informatie van dienst te zijn geweest.’

Een dreigende ramp voelen aankomen in je lichaam: het is een aardige definitie van horror. Je voelt onbehagen, je kunt de bron niet goed duiden en al helemaal niet beheersen, en daarom nestelt dat onbehagen zich in je, waar het zwelt en groeit en woekert. Ik moet constateren dat ik zelf bevangen ben geraakt door zo’n vaag, maar alomvattende gevoel van onheil. Het komt door het weer. Die snoeihete dagen afgewisseld door woeste stortbuien van deze zomer vind ik griezelig, doordat ik ze begrijp als tekenen dat het klimaat nu echt uit het lood is geslagen.

In een mooie column zwaaide René Cuperus, mijn wisselmaatje op deze plek, ons vorige week in stijl uit. Cuperus merkte onder meer op dat er een ‘zware sluier van onraad en onbehagen’ over de wereld hangt, terwijl de meesten van ons het feitelijk beter hebben dan ooit. Hij wenst ons allerlei goeds toe, waaronder minder ‘klimaat-totalitarisme’.

Ik voel me aangesproken. Van alle catastrofes die zich zouden kunnen voltrekken – zoals de dood van de democratie, de opkomst van een kunstmatige intelligentie die ons drilt en fatsoeneert, of een rechttoe rechtaan nucleair conflict – kruipt die van een klimaatramp toch het meest onder mijn huid. Er staat tegenwoordig een gieter bij mijn douche, waarin ik het water opvang dat nog niet warm genoeg is. Ook staar ik inmiddels bedenkelijk naar mijn boterhammen met kaas; kunnen die eigenlijk nog wel?

Ik betwijfel of ik hiermee op de goede weg ben. Dat mijn gedrag duurzamer wordt, vind ik prima. Wat ik wantrouw, is de aard van mijn impuls. Ik neem mezelf de maat in het licht van een enorm, amorf probleem. Zo kan ik alle vreugde uit mezelf zuigen zonder dat wat ik doe ooit goed genoeg zal zijn. En word ik en passant een wandelend verwijt in de ogen van mensen die gewoon willen genieten. Niet slim.

De opwarming van de aarde voelt als een vage doem. Je weet dat het gebeurt. Maar je weet niet precies wat dan, en waar zich dat zal voltrekken. Zelfs onze experts kunnen dat niet vertellen. In zo’n setting floreren horrorverhalen. Horror is het genre waarin we onze angsten verkennen over wat er staat te gebeuren als we onze begeertes niet in toom weten te houden, waardoor die zich tegen ons gaan keren. Of het nu seksuele lust betreft (vampiers), wezenloos consumentisme (zombies), of expansiedrift (aliens). Klimaat-totalitarisme volgt hetzelfde patroon: het voorspelt dat we ten onder gaan aan onze eigen begeertes en zwakheden. Het is het oude verhaal van de hel in een nieuwe gedaante.

Wat moet ik aanvangen met mijn klimaatonbehagen? Weghonen is geen optie. Het klimaat verandert, en wegkijken is gewoon laf. Maar je eigen onbehagen beschouwen als een soort orakel is waarschijnlijk ook niet slim. Eigenlijk is het heel aanmatigend om te denken dat jouw gevoel speciale kennis herbergt. Dat het pijntje in je knie wijst op een aanstaande aardbeving, of dat holle gevoel in je maag op het einde der tijden. Je hebt namelijk geen idee. Gevoelens zijn goed in signaleren, maar slecht in duiden – en vooral in maat houden. Ze kennen van zichzelf geen beperking en neigen naar het absolute. Dat is wat je kunt leren van horror. Gevoelens voor kennis houden, leidt daardoor al snel tot de totalitaire weg waar Cuperus voor waarschuwt. Je moet je gevoel serieus nemen – maar niet te serieus. En zwelgen in de hel is al helemaal een bedenkelijke zaak.

Dus ja, mijn klimaatonbehagen is er. Let it be. Ondertussen ga ik de plantjes water geven met die gieter uit de douche, en door met mijn leven.

Catastrofe

In het Van Abbemuseum was tot vorige week (sorry!) een kunstwerk te zien van The Otolith Group met de onvertaalbare titel What does the earth think it is? Het werk omvat brieven aan het kantoor van de Californische geologische dienst waarin betrokken burgers een aardbeving voorspellen. Zij beseffen dat ze wonen op een breuklijn en zijn uiterst gespitst op voortekenen. ‘Ik zou graag melden dat we binnen een paar dagen een middelgrote aardbeving zullen krijgen’, schrijft iemand in een drieregelig briefje. ‘Ik baseer dit op de pijnen in mijn lichaam die we al eerder hebben besproken. Ik hoop u met deze informatie van dienst te zijn geweest.’

Een dreigende ramp voelen aankomen in je lichaam: het is een aardige definitie van horror. Je voelt onbehagen, je kunt de bron niet goed duiden en al helemaal niet beheersen, en daarom nestelt dat onbehagen zich in je, waar het zwelt en groeit en woekert. Ik moet constateren dat ik zelf bevangen ben geraakt door zo’n vaag, maar alomvattende gevoel van onheil. Het komt door het weer. Die snoeihete dagen afgewisseld door woeste stortbuien van deze zomer vind ik griezelig, doordat ik ze begrijp als tekenen dat het klimaat nu echt uit het lood is geslagen.

In een mooie column zwaaide René Cuperus, mijn wisselmaatje op deze plek, ons vorige week in stijl uit. Cuperus merkte onder meer op dat er een ‘zware sluier van onraad en onbehagen’ over de wereld hangt, terwijl de meesten van ons het feitelijk beter hebben dan ooit. Hij wenst ons allerlei goeds toe, waaronder minder ‘klimaat-totalitarisme’.

Ik voel me aangesproken. Van alle catastrofes die zich zouden kunnen voltrekken – zoals de dood van de democratie, de opkomst van een kunstmatige intelligentie die ons drilt en fatsoeneert, of een rechttoe rechtaan nucleair conflict – kruipt die van een klimaatramp toch het meest onder mijn huid. Er staat tegenwoordig een gieter bij mijn douche, waarin ik het water opvang dat nog niet warm genoeg is. Ook staar ik inmiddels bedenkelijk naar mijn boterhammen met kaas; kunnen die eigenlijk nog wel?

Ik betwijfel of ik hiermee op de goede weg ben. Dat mijn gedrag duurzamer wordt, vind ik prima. Wat ik wantrouw, is de aard van mijn impuls. Ik neem mezelf de maat in het licht van een enorm, amorf probleem. Zo kan ik alle vreugde uit mezelf zuigen zonder dat wat ik doe ooit goed genoeg zal zijn. En word ik en passant een wandelend verwijt in de ogen van mensen die gewoon willen genieten. Niet slim.

De opwarming van de aarde voelt als een vage doem. Je weet dat het gebeurt. Maar je weet niet precies wat dan, en waar zich dat zal voltrekken. Zelfs onze experts kunnen dat niet vertellen. In zo’n setting floreren horrorverhalen. Horror is het genre waarin we onze angsten verkennen over wat er staat te gebeuren als we onze begeertes niet in toom weten te houden, waardoor die zich tegen ons gaan keren. Of het nu seksuele lust betreft (vampiers), wezenloos consumentisme (zombies), of expansiedrift (aliens). Klimaat-totalitarisme volgt hetzelfde patroon: het voorspelt dat we ten onder gaan aan onze eigen begeertes en zwakheden. Het is het oude verhaal van de hel in een nieuwe gedaante.

Wat moet ik aanvangen met mijn klimaatonbehagen? Weghonen is geen optie. Het klimaat verandert, en wegkijken is gewoon laf. Maar je eigen onbehagen beschouwen als een soort orakel is waarschijnlijk ook niet slim. Eigenlijk is het heel aanmatigend om te denken dat jouw gevoel speciale kennis herbergt. Dat het pijntje in je knie wijst op een aanstaande aardbeving, of dat holle gevoel in je maag op het einde der tijden. Je hebt namelijk geen idee. Gevoelens zijn goed in signaleren, maar slecht in duiden – en vooral in maat houden. Ze kennen van zichzelf geen beperking en neigen naar het absolute. Dat is wat je kunt leren van horror. Gevoelens voor kennis houden, leidt daardoor al snel tot de totalitaire weg waar Cuperus voor waarschuwt. Je moet je gevoel serieus nemen – maar niet te serieus. En zwelgen in de hel is al helemaal een bedenkelijke zaak.

Dus ja, mijn klimaatonbehagen is er. Let it be. Ondertussen ga ik de plantjes water geven met die gieter uit de douche, en door met mijn leven.

Wegkijken

Als iemand het de afgelopen tijd verdiende om weggeschamperd te worden, dan is het wel VVD-Tweede Kamerlid Jeroen van Wijngaarden. Tegen De Telegraaf zei hij stoer dat hulpverleners die vluchtelingen uit de Middellandse Zee vissen wat hem betreft voortaan ‘maximaal vier jaar’ de cel in moeten. Toen de ChristenUnie boos werd, krabbelde hij snel terug. “Iemand in nood redden, wat zelfs wettelijk verplicht is, gaan we echt niet strafbaar stellen”, zei hij. “Maar”, frummelde hij er nog tussen, “waar ligt de grens tussen helpen en het aanzetten tot mensensmokkel?”

Zijn ‘oplossing’ is stuitend, maar in zekere zin heeft Van Wijngaarden gelijk: er bestaat een perverse relatie tussen redders en smokkelaars. De hele situatie is dan ook pervers. Europa weet niet wat zij aanmoet met illegalen die hun leven wagen om bij ons te komen. Compassie en de noodzaak tot het eerlijk schiften van aspirant-Europeanen botsen frontaal op elkaar, en het resultaat is een mensonterende knoeiboel. Verontwaardigd doen over ‘harteloze’ beleidsmakers, dan wel over ‘betweterige’ redders die het officiële beleid dwarsbomen, is een comfortabele manier om weg te kijken van die botsing van moraliteiten. Je roept heel hard: ‘dit niet!’ en laat de echt moeilijk vraag – namelijk: ‘wat dan wel?’ – over aan anderen.

“Wegkijken is geen oplossing”, schrijft ook deze krant in een commentaar. ‘Een solidair Europees migratiebeleid’ zou dat volgens de commentator wel zijn. Solidariteit is een heel mooi woord, maar als je verder niet invult wat je ermee bedoelt, bedien je er wederom vooral je eigen morele comfort mee. De echt moeilijke vragen – wie moet solidair zijn met wie, en waarom? – laat je bungelen. De landen van de Europese Unie vinden solidariteit namelijk allemaal enorm belangrijk. En ze vinden vooral dat die hunzelf te weinig wordt betoond. Zuid-Europese landen klagen dat zij de illegalen daadwerkelijk moeten opvangen. Oost-Europese landen wenen dat hun civil society nog niet genoeg op orde is om nieuwe groepen mensen een plaats te geven. En Noord-Europese landen vinden dat de andere landen de gezamenlijke afspraken ondermijnen en er een juridische puinzooi van maken. Best een glibberig woord, solidariteit. Of zullen we zeggen: contextgevoelig?

Ik kan vanaf deze plek onze regering oproepen om ‘iets’ te doen aan het morele schandaal dat zich afspeelt op de Middellandse Zee. Welnu, bij deze. Maar laat ik mezelf ook de vraag stellen wat solidariteit voor mij eigenlijk betekent. Dan moet ik constateren dat ik net zo goed in de war ben. Ik weet simpelweg niet goed wat ik de vluchtelingen die op zee hun leven wagen om ‘bij ons’ te komen moreel verplicht ben. Natuurlijk, als je iemand voor je neus ziet verdrinken, dan probeer je die persoon te helpen. Daar hoef je niet eens over na te denken. Zo’n situatie is moreel totaal onproblematisch, dan reageer je vanuit compassie. Maar dat is de situatie niet. Ik zie die vluchtelingen namelijk niet; ik weet alleen dat ze er beroerd aan toe zijn. Deze mensen zijn een abstractie voor mij. En daarmee verandert die heldere impuls van compassie in een lauwer, wereldser appèl tot solidariteit. Wat solidariteit precies van mij vraagt, en aan wie ik die precies verschuldigd ben, daar valt dus over te steggelen. Mijn eenduidigheid ben ik kwijt.

Compassie is gebaat bij onmiddellijkheid. Ze verdunt bij het oprekken. Als er een vluchteling verdrinkt in de Middellandse zee, noem ik dat een drama. Als er een vluchteling bij mij in de straat komt wonen, voel ik dat ik daadwerkelijk iets moet doen. Het frappante is, dat de Nederlandse regering zich feitelijk op vergelijkbare wijze gedraagt. Onze regering wil Libische asielzoekers die hier, bij ons, hun procedure afwachten niet terugsturen naar Libië, want ‘Libië is nu te onveilig’. Terwijl diezelfde regering reddingsschepen met uit zee opgeviste migranten wel naar datzelfde onveilige Libië terugstuurt. Logisch gesproken is het krom, maar menselijk gezien misschien niet. Je reageert vooral op lijden dat je met eigen ogen ziet. Zo simpel is het. En hoort het misschien ook te zijn.

Als modern mens weet ik dat alles en iedereen op deze wereld met elkaar is verbonden. Toch voel ik vooral compassie met mensen die mij nabij zijn. Hoe groter de afstand, hoe meer mensen verschijnen als beheersprobleem. Kun je dat wegkijken noemen? Ja. Nee.