Rijke emoties

‘Kunt u de bovenste regel lezen?’, zegt de opticien. ‘B, o, k, s, q’, prevel ik braaf. Mijn lenzen blijken nog keurig op sterkte. Daarop vraagt hij of ik al heb nagedacht over het aanbod om een afspraak te maken voor een controle op oogziektes. ‘Je kunt er maar beter vroeg bij zijn, want dan is zo’n ziekte vaak nog te remmen. En blind willen we niet worden, toch?’, glimlacht hij. Daarmee heeft hij me te pakken. Blind worden is mijn diepe angst. Tegelijk wil ik niet dat deze gelikte winkelketen een slaatje uit me slaat door me weer een nieuwe routine van controles aan te smeren. Ik mompel dat ik erover zal nadenken en verlaat verontrust de winkel.

Het is een grondregel van marketeers, leerde ik ooit tijdens een workshop Hoe maak ik een effectieve website: speel in op het ‘reptielenbrein’. Dat wil zeggen: jaag mensen eerst angst aan, om ze vervolgens een oplossing te bieden die ze bij jou kunnen kopen. Op mijn gesputter dat ik dit een nare benadering van mijn medemens vond, antwoordde de workshopleider schouderophalend: ‘Het werkt.’

Ja, natuurlijk werkt het om me bang, hitsig of kwaad te maken; ik ben een mens en reageer op sterke impulsen. Maar dat betekent niet dat ik het fijn vind om steeds met een gevoel van agitatie of alarm rond te lopen. Waarom denken verkopers mij eigenlijk zo’n emotie op te mogen dringen? Waarom moet ik constant op mijn hoede zijn voor dergelijke slinkse methoden? Wat mij betreft mag de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen zich ook uitstrekken tot dit soort amorele praktijken.

Het is al haast een cliché om te zeggen dat emoties ook de politiek hebben overgenomen. Meestal word je geacht daar zorgelijk bij te kijken, maar dat is niet mijn lijn. Emoties hebben wat mij betreft hun plaats in het publieke domein; ze wijzen op betrokkenheid, op het feit dat wij elkaar niet koud laten. Emoties zijn ook niet per se de herauten van het eigenbelang. Ze kunnen heel goed genereus zijn, zoals die impuls om de in Nederland gewortelde Armeense kinderen Lili en Howick te redden.

Onder filosofen is het al een aantal decennia hip om de rationaliteit van emoties onder de loep te nemen. Emoties bevatten tal van gedachten en inschattingen, is inmiddels de idee. Zij zijn in feite oordelen over de situatie waarin je je bevindt, gekoppeld aan jouw belang. Angst wijst erop dat je in gevaar bent, verontwaardiging dat iemand over jouw waarden heen dendert – dat soort redeneringen. Interessant, want als emoties niet meer lijnrecht tegenover de ratio staan, komt er dus in principe ruimte voor het onderscheiden van emoties waarin weinig of veel ratio is verwerkt.

Marketeers en populisten spelen graag in op weinig verfijnde emoties, zoals angst, in de hoop dat jij nú dat contract tekent, nú op die partij stemt. Daarmee ondermijnen deze types de inspanning van opvoeders. Als ouder probeer je je kind te laten nadenken over haar gevoelens, opdat die ruimer worden en meer van de wereld kunnen omhelzen. In feite is opvoeden een poging om emoties te cultiveren, om je kind te trainen in het vertonen van emoties waarin meer belangen zijn verwerkt – zowel die van haarzelf als die van anderen. In de hoop dat die meer bedachtzame emoties op den duur gebruikelijker worden. Ook voelen is een kwestie van oefenen.

Bedachtzaam voelen betekent dat je Lili en Howick nog steeds hun verblijfsvergunning gunt, maar ook de gevoelens van afgewezen vluchtelingen in een vergelijkbare situatie in ogenschouw neemt, en die van de ambtenaren die de vluchtelingenwet moeten toepassen. Een dergelijke verbreding van je waardering is geen kil, bloedeloos, rationeel proces waarbij je steeds verder afraakt van je warm kloppende, menselijke hart (mensen die dat denken gaan in feite nog steeds uit van die achterhaalde, absolute tegenstelling tussen ratio en emoties). Breed voelen is denken vanuit emoties. Zo leer je langzamerhand rijker te reageren. Daarin zit je ware menselijkheid. Zo kan je jezelf echt vernieuwen.

Ik vind het geen probleem dat politici mij aanspreken op emoties – graag zelfs. Maar laat het dan zijn op rijke emoties, zoals zorgzaamheid, vrijheidsdrang en rechtvaardigheidsgevoel. En niet op de primitieve emoties die mijn moeder mij juist probeerde af te leren.

 

Kunnen we het over de wereld hebben?

Je kunt jezelf aardig wereldwijs wanen, totdat er iets gebeurt dat je niet had zien aankomen. Dat overkwam mij toen ik in deze krant vernam dat de directie van Noorderlicht een serie foto’s van Jan Banning weigerde te vertonen. Banning had zichzelf tussen Ghanese stamhoofden geposteerd, en dat vond het management ‘respectloos’. Door die manier van doen zou de fotograaf de neokoloniale beeldvorming van Afrika voortzetten.

Zelf interpreteer ik de serie, die Banning de titel The Sweating Subject meegaf, totaal anders. Ik schreef er al over in een eerdere column, en prees Banning toen juist voor zijn sensitiviteit. Want ik zie tussen die waardige Ghanezen een kleine, klamme man die zich als een soort wethouder Hekking het beeld in wurmt zonder dat het hem lukt om een prominente plaats te bemachtigen (het knappe van de foto’s is dat je echt even naar Banning moet zoeken). Dit maakt The Sweating Subject voor mij tot een serie over een blanke man die zijn vanzelfsprekende centrale plek heeft verloren en zich geen houding meer weet te geven; een slim en grappig amendement op de koloniale beeldvorming.

En andere mensen zien in diezelfde foto’s dus een gebrek aan respect. Dat is binnen de huidige mores een fataal verwijt, en lekker abstract bovendien; gebrek aan respect ontwaren is zó erg dat je niet meer hoeft uit te leggen waar die respectloosheid precies in schuilt. Zucht. Nog een zucht. En dan: okay, laat me moeite doen om na te voelen wat hier aan de hand zou kunnen zijn.

Banning presenteert zichzelf in deze fotoserie uitdrukkelijk als de vreemde eend in de bijt. De vraag is: wil hij daarmee iets over zichzelf zeggen, of over de wereld? Ik denk dat Banning iets wil zeggen over de wereld. Voor mij gaat zijn project over een westerse blik die zijn onschuld definitief verloren heeft, en over de zoektocht naar hoe je dan in vredesnaam moet kijken. Maar stel nu dat je denkt dat Banning iets over zichzelf wil zeggen. Dan zou je je inderdaad aan dit project kunnen storen. Noorderlicht had Banning op pad gestuurd om stamhoofden te portretteren in de hoop zo het beeld van Noord-Ghana te verdiepen en nuanceren. Die portretten heeft Banning netjes gemaakt, maar daarnaast maakte hij dus ook die zweetserie. En wat trekt de meeste aandacht? Juist, die foto’s van een witte man die zijn eigen ongemak zo interessant vindt.

Het wonderlijke is: eenmaal geformuleerd kost het haast moeite om niet mee te glijden in deze duiding, gewend als we zijn geraakt aan verhalen die de persoonlijke kaart spelen. De persoonlijke invalshoek is al jaren zo ongeveer de gouden regel in communicatieland. Wil je de aandacht trekken, wil je mensen boeien, dan moet je het over jezelf hebben – liefst in je kwetsbaarheid.

Identiteitspolitiek leent zich bij uitstek voor dit soort verhalen, en heeft (zo vermoed ik) mede daardoor de wind in de zeilen gekregen. Het is een soort pact: je krijgt mediatijd om onrechtvaardige praktijken rond gender, dyslexie, ras, ouderdom – noem maar op – aan de orde stellen, mits je een boekje open doet over je eigen pijnlijke ervaringen in dit opzicht. Want pijn spreekt de mensen aan. Hoe je vanuit het delen van dergelijke intimiteiten tot politieke verandering denkt te komen, is wat minder interessant voor een televisieprogramma. Je roept iets over ‘bewustwording’, en dat is het dan.

Identiteitspolitiek presenteert zich als een bevrijdende emancipatiestrijd. Je zou hopen dat zo’n politiek van bevrijding ook betekent: bevrijding van jezelf en je eeuwige eigen verhaal. Dat je de blik niet alleen naar binnen, maar ook naar buiten kunt richten. Dwars door je eigen bepaaldheden heen. Een persoonlijke invalshoek geeft realiteit en urgentie aan een verhaal, zeker. Maar als je dat verhaal niet kunt of durf te verbreden, dan blijf je gedoemd om het altijd maar over jezelf te hebben. Dan kun je geen connectie meer maken met de wereld buiten je. Met anderen.

Kunnen we ons überhaupt nog voorstellen dat Banning in zijn serie niet de aandacht wilde vestigen op zijn persoonlijk ongemak, maar via zichzelf iets van algemener belang aan de orde wil stellen? Dat hij niet vraagt: ‘Wie ben ik nu nog?’ maar: ‘Wat is hier aan de hand?’

Chef Ellende

Het lijkt wel alsof de wereld uit een dutje is ontwaakt. Opeens dringt in volle hevigheid door dat technologie kan worden ingezet om ons stilletjes een bepaalde kant op te duwen – en vooral dat dit geen ver-weg-show is, maar het verdienmodel van bedrijven waar we mee opstaan en mee naar bed gaan. Kop van Jut afgelopen week was Mark Zuckerberg, de grote baas van Facebook, die zich moest verantwoorden voor het misbruik dat zijn betalende klanten maken van de persoonsgegevens die hij oogst van zijn niet-betalende klanten. Zuckerberg werd op het matje geroepen bij het Amerikaanse Congres. Zijn reactie: ‘We gaan het uitzoeken’, of: ‘Sorry’.

Voorafgaand aan zijn verhoor had Mark al een charmeoffensief ingezet. ‘We hebben niet genoeg gedaan om misbruik te voorkomen. We zagen niet volledig in wat onze verantwoordelijkheid was. En dat was een grote fout, het was mijn fout.’ Tja, zal Mark hebben gedacht, als je chef bent, ben je ook chef ellende.

Er is de afgelopen weken veel, heel veel gezegd over Facebook. Daarbij ging het vooral over de manier waarop de netwerksite technisch werkt, over hoe het bedrijf razendsnel deel is gaan uitmaken van ons dagelijkse leven, over hoe moeilijk het is om er uit te stappen. Allemaal zinnig, allemaal waar. En toch zit me iets dwars in het verhaal dat we elkaar collectief vertellen rond Facebook. Dat verhaal maakt Mark ironisch genoeg té verantwoordelijk voor de gang van zaken, waardoor het probleem in de discussie beperkt blijft tot zijn fouten als manager. Precies die fictie stelt Mark in staat om weg te komen met dat lamme ‘sorry’. Dat verhaal houdt namelijk de illusie in stand dat hij de baas is over wat Facebook met ons doet. Hij belooft beterschap en meer scherpte, en de toezichthouders zijn weer gerustgesteld.

Zo’n voorstelling van zaken begrijpt volgens mij niet goed wat Facebook is. Facebook is geen technologie die onder het beheer valt van een ‘hyperintelligente’ CEO van 33, genaamd Mark, zoals deze krant hem vorige week nog in een commentaar typeerde. Facebook is een typisch voorbeeld van een hybride: een versmelting van mens en technologie. En een hybride glibbert gewoon door de matrixen van managers heen, intelligent of niet.

De term ‘hybride’ werd vijfentwintig jaar geleden in de techniekfilosofie geïntroduceerd door Bruno Latour. In Wij zijn nooit modern geweest stelt Latour dat de moderne samenleving berust op een ideologisch onderscheid tussen subjecten versus objecten, mensen versus dingen, cultuur versus natuur. Grondslag van deze Constitutionele Orde (Latours frase) is het uitgangspunt dat mensen handelen, en dingen niet. Moderne mensen denken dat zij de baas zijn over de gereedschappen en technologieën waarmee ze de natuur naar hun hand proberen te zetten.

Dit moderne raamwerk was altijd al een fictie, volgens Latour. Technologieën raken verkleefd met manieren van doen, waardoor leefwerelden ontstaan die niet meer zo gemakkelijk verdeeld kunnen worden in natuur óf cultuur. Een boer die zijn dag indeelt rondom – of eigenlijk mét – zijn melkmachine weet dat. Net als de kankerpatiënt die nog even afspreekt met een vriend voordat de volgende chemo gepland staat. Het onderscheid tussen (passieve) technologie en (actieve) gebruiker is een sprookje. Technologieën nestelen zich in je leefwereld. Je maakt keuzes vanuit die technologie, niet over die technologie.

Facebook is typisch een voorbeeld van een hybride. De technologie is menselijk, want het is ons product. En zij is natuurlijk, want ze is niet onze activiteit. Je kunt er voor kiezen om al dan niet te facebooken, maar niemand van ons – ook Mark niet – heeft in de hand wat Facebook met de sociale orde doet. Niemand heeft de effecten van Facebook bedacht. Prima dat Mark aan de tand wordt gevoeld, maar het is een farce om hem aan te spreken vanuit een soort modernistisch sturingsmodel waarin mensen zonder meer de baas zijn over de dingen. Toch was dat de rode draad in het toneelstuk dat CEO en Congresleden afgelopen week opvoerde. Tja, zo komen we nooit tot de kern van het probleem – en dus ook niet tot een zinvolle reactie op een uit de hand lopende technologie.

Mark is liever Chef Ellende dan te erkennen dat hij geen grip heeft op wat Facebook in gang heeft gezet. Vraag je af waarom.

Kosmische harmonie

Hebt u Liang Xiangyi al met haar ogen zien rollen? De financieel journaliste uit Sjanghai kon haar ergernis niet onderdrukken toen een collega een ellenlange, slijmerige, ongetwijfeld voorgekookte vraag stelde tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het Chinese Volkscongres. De staatstelevisie nam het incident per ongeluk op, en het clipje van Liangs theatrale gebaar werd binnen een paar uur een grote hit op internet. Giechelende tienerjongens deden het na. Slimme handelaren lieten snel T-shirts drukken met de beeltenis van Liang. Deze vrolijke spot was de Chinese censoren te bar. Het werd het ‘mediapersoneel’ verboden om nog maar enige aandacht te besteden aan de ‘hype’. Inmiddels is het clipje in China niet meer te bekijken. Het lot van Liang is onduidelijk.

Eerder deze maand veranderde het Volkscongres de grondwet, waardoor president Xi Jinping kan aanblijven zolang het hem goeddunkt. Vanaf nu leeft China politiek gezien in een eindeloos moment. Dat sluit aan bij een onderstroom in het Chinese denken die westerlingen gemakkelijk missen, leerde ik van sinoloog Stefan Landsberger, die ik ooit sprak voor het Rathenau Instituut. Wij westerlingen denken dat welvaart op een of andere manier samenhangt met democratie. China denkt dat welvaart samenhangt met orde. En niet zomaar met een of andere historisch gegroeide orde, nee: met de kosmische orde.

“China is een autocratisch land”, zei Landsberger. “De bestuursstijl is bevoogdend en paternalistisch.” Hij zag een directe link met het confucianisme. Confucius, een Chinese wijsgeer uit de vijfde eeuw voor Christus, zei dat ‘er maar één zon aan de hemel staat’. Met andere woorden: het Middenrijk kan maar één leider kennen. De kosmische wet zorgt ervoor dat de meest deugdzame leider vanzelf komt bovendrijven, en het volk zal spontaan geneigd zijn om diens goede voorbeeld te volgen. Harmonie alom.

Deze gedachtegang impliceert dat een leider eigenlijk geen andere opvattingen naast de zijne kan dulden, legde Landsberger uit. Als iemand de impuls voelt om in debat te gaan met de leider, kan dat alleen maar betekenen dat de leider niet volledig deugdzaam is geweest. Bij volledige harmonie zou simpelweg niemand de neiging hebben om kritiek te uiten. Zodra burgers andere gedachten hebben dan de leider, is hij zijn mandaat van de kosmos kennelijk kwijt, en is hij dus niet langer de belichaming van de eeuwige orde. Op praktisch niveau betekent dit dat dissidente impulsen – hoe speels of terloops ook, zoals het gebaar van de financieel journaliste – de kop moeten worden ingedrukt. Niet eens zozeer om inhoudelijke redenen. Eerder omdat het blote bestaan van een alternatieve kijk het morele gezag van de leider aantast.

Zelf ben ik bepaald geen China-kenner, maar die mentale wereld is me wel enigszins vertrouwd. Als tiener ben ik namelijk volop in de I Tjing gedoken, een drieduizend jaar oud Chinees orakelboek dat jouw kleine leventje plaatst in, jawel, de kosmische orde. Door wat dan ook te doen (bijvoorbeeld muntjes gooien) druk je onvermijdelijk je plaats in die orde uit. En op grond van jouw positie in die orde kan het boek zeggen hoe jouw situatie zich zal ontwikkelen volgens, alweer, de kosmische wetten. Die echo uit de kosmos vond ik indertijd fijn, want ik voelde me vaak nogal verloren. Wel viel op dat de kosmische orde heel hiërarchisch was ingericht. Vader had het ‘natuurlijke’ gezag over vrouw en kinderen, en alleen als iedereen zich netjes schikte in zijn rol zou er vrede zijn. Het aloude patriarchale verhaal dus, bekrachtigd door ‘de kosmos’. Vreemd toch dat de kosmos altijd vrouwen onder de duim wil houden.

En dan nu de clou: Confucius was dol op de I Tjing; hij droeg de tekst altijd bij zich op bamboebladen. En president Xi is naar verluid dol op het confucianisme; hij maakt er opvallend veel werk van in zijn toespraken. Dat oneindige presidentschap past maar al te goed in de confucianistische logica.

Persoonlijk krijg ik het Spaans benauwd van politici die zich beroepen op een kosmische (of goddelijke, of natuurlijke) orde. Ik bepaal graag zelf wat ik als harmonie ervaar. Mijn heil zoek ik inmiddels niet meer bij de I Tjing, maar bij de Franse filosoof Claude Lefort. Voor Lefort was de fundamentele politieke tegenstelling die tussen democratie en totalitarisme. En dan is het simpel: mensen vastzetten in een onveranderlijke orde is totalitair.

Programma van de samenleving

‘Trust no one’, fluistert een gruizelige mannenstem bij het aankondigingsfilmpje van Wie is de Mol. Het dient als motto voor het populaire spelprogramma waarin een groep spontane, sociaal vaardige mensen in een ver oord geld moet verdienen voor de pot – een pot die uiteindelijk zal toevallen aan de winnaar. Alle deelnemers weten dat één van hen de gang van zaken stiekem aan het ondermijnen is, en hen waar mogelijk tegenwerkt. Dat kale gegeven maakt hen calculerend: als ze nu zelf verdacht gaan doen, denken de andere kandidaten misschien dat zij de mol zijn, wat hun kansen vergroot om de pot te winnen, enzovoort. De toonsoort van de dubbele agenda.

Sinds zaterdag weten we dat Ruben de winnaar is van dit seizoen, en Jan de mol. Er zijn tal van redenen waarom WIDM zo’n kijkershit is: het is mooi gemaakt, spannend, en leent zich goed voor eindeloos napraten. Ik heb zelf eerst en vooral genoten. Maar ik vermoed ook dat het programma mede zo aanslaat omdat WIDM een recente tendens in onze samenleving uitvergroot. De deelnemers demonstreren wat er met een groep gebeurt onder de conditie dat a) wantrouwen de norm is en b) gezamenlijk verdiend geld louter aan de winnaar toevalt – het Winner Takes All-principe. Nou, dan gaan de remmen dus los. Dan gaan die o zo aardige mensen speculeren op de vermoedens van anderen, en zichzelf manipulatief gedragen in de hoop winst uit andermans verkeerde verwachtingen te persen. Met andere woorden: je krijgt vrij exact het psychologische mechanisme dat ten grondslag lag aan de kredietcrisis. Voor de camera biechten de kandidaten wel op er een beetje moeite mee te hebben om die vrienden die ze hebben gemaakt op het verkeerde been te zetten. Maar ja, dat is het spel hè. Ondertussen zien wij kijkers hoe mensen zich gedragen onder hard-kapitalistische condities. Educatief hoor, NPO.

Ook de commerciële omroep kent een populair programma met eigen afkorting waar ik met onbeschaamd plezier naar heb gekeken: The Voice of Holland, ofwel TVOH. En ook dit programma ervaar ik als een bouillonblokje dat de basis vormt voor de soep van onze huidige samenleving. TVOH zou je namelijk kunnen zien als propaganda voor het meritocratische ideaal. Als je maar zangtalent hebt en inzet toont, kan iedereen het daar maken. En dat heeft bevrijdende kanten. Het is mooi, zelfs ontroerend om te zien dat dit programma op totaal ongeforceerde wijze een podium biedt aan allerlei soorten Nederlanders; afkomst, gezindheid of kleur maken werkelijk niet uit.

TVOH markeert voor mij ook het welkome einde van het antiautoritaire denken. Om te winnen moeten de zangtalenten zich voegen naar hun coach. En dat doen ze dan ook braaf. Te zelfingenomen types worden onverbiddelijk naar huis gestuurd. De moraal die het programma uitdraagt: je wordt alleen echt goed als je kritiek kunt incasseren en bereid bent om te luisteren. Dat jij zo graag iets wilt of zo goed bedoelt, wil nog niet zeggen dat je applaus verdient. Het vereist discipline om tot ware zelfexpressie te komen en anderen echt te bereiken. Dat lijken me nuchtere, nuttige lessen maatschappijleer.

Tegelijkertijd was daar het drama van Kimberley, de topzangeres die in de halve finale afviel omdat ze te weinig publieksstemmen binnenhaalde. Coach Anouk trok ter plekke van leer tegen het hele TVOH-format. “Het is gewoon een idioot volk”, zei ze. Beslissingen over wie verdient te blijven “moet je dus aan mensen overlaten die er een beetje verstand van hebben.” Dat hoor ik in deze verkiezingstijd wel vaker om mij heen mompelen: het systeem deugt niet, want stemmers zonder enig benul kiezen voor de verkeerde mensen. Er zouden deskundigen aan het roer moeten staan.

Anouk laat ons de schrille keuze tussen populisme of technocratie, en geeft daarmee blijk van wel heel weinig vertrouwen in het volk. Wellicht werd Kimberley ten onrechte afgeserveerd, maar dat neemt niet weg dat de winnaars die het programma heeft opgeleverd echt wel wat kunnen. Het volk herkent kennelijk toch kwaliteit, en waardeert juist vaak ook eigenheid. Jim, de winnaar van dit seizoen, was misschien wel de minst kapotgestylede kandidaat die erbij zat.

Een mooie les voor politici: om te winnen moet je niet alleen iets kunnen, maar ook authentiek blijven. Gladjanussen zijn passé.