Oh God der hygiëne

Als ik zoete tranen over mijn wangen wil voelen biggelen, dan kijk ik naar dat filmpje waarin stervende chimpansee Mama haar oude verzorger Jan van Hooff omhelst. Ik smelt geheid weg bij die liefde tussen mens en dier. Zie je wel, verschillende levensvormen kunnen echt contact met elkaar maken!

Inmiddels heeft die verbondenheid van al het leven zich getoond in een minder zoete variant. Wij worden collectief omhelsd – maar op knellende wijze, door een virus dat uit het oerwoud tot ons is gekomen.

Covid-19 is het zoveelste virus dat deze weg heeft afgelegd. Ook SARS, de Mexicaanse griep, zika en ebola hadden eerst de cellen van de wilde dieren in de wouden geënterd, en doen nu hetzelfde bij mensen. Wat hadden we dan gedacht? Wij dringen ons aan die wilde dieren op. We kappen de bossen waarin ze leven, en slepen ze naar vochtige, bedompte markten om ze op te eten. De virussen komen gewoon mee als blindgangers, en doen hun ding. Dat heet leven. Dat is verbondenheid.

In ons hoekje van de wereld komen we langzaam uit de coronakramp. Op straat hoor ik weer gekwetter. En hoe blij me dat ook stemt, nu pas kom ik echt toe aan mijn verbijstering over de snel ingevoerde veranderingen. Ik ontken niet dat dit virus voor mensen een ramp is – maar ik schrik haast nog meer van de reacties op die ramp. Natuurlijk moesten we maatregelen nemen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. En dat moesten we doen in onzekerheid: niemand kon precies voorspellen wat zou werken en wat niet. Struikelend leren we bij. Dat kan ik allemaal accepteren, en ik vind dat onze regering eigenlijk behoorlijk fatsoenlijk opereert.

Het is een subgroep van medeburgers die me de stuipen op het lijf jaagt. Angst verstart, heet het, en het is precies dat wat ik bij hen voel. Fixatie. Alles, álles draaide om dat stomme virus. In een Ikje onlangs in de NRC vertelt een vrouw dat ze bij de gemeente het overlijden van haar man kwam aangeven. ‘Was het corona?’, vroeg de ambtenaar. De weduwe ontkende, waarop de ambtenaar zei: ‘O, gelukkig!’ Dat bedoel ik. Blikvernauwing.

Die angst gaat gepaard met een totalitaire inzet op niet-besmet-raken – een inzet die geen kritische noot meer toelaat, omdat je dan ‘niet solidair’ zou zijn, en met je koude hart het leed van andere mensen zou bagatelliseren. Bepaalde potsierlijke maatregelen word je geacht met religieuze ernst uit te voeren. Zo stapte ik pas in het gemeentelijke zwembad, waar ik eindelijk weer mijn baantjes mocht trekken, toen er een fluitje snerpte. ‘U mag daar niet van het trapje af!’, riep de badmeester. Via de afgeplakte looplijnen moest ik naar het volgende trapje om opstoppingen op de rand te vermijden. Er stond op dat moment alleen niemand aan de rand van het zwembad. Niemand.

Het is gevaarlijk om laks op het virus te reageren. Maar het is evengoed gevaarlijk om maatregelen te overdrijven; als je die te strak en te ver doorvoert zullen elders nieuwe problemen ontstaan. Zo werkt dat in een vibrerend, levend web waarin alles met alles samenhangt. Over mijn eigen kleine leed in het zwembad kan ik heus mijn schouders nog wel ophalen, maar daar slaag ik minder in als ik denk aan gedeprimeerde jongeren en uitvoerend kunstenaars die nu massaal en serieus van perspectief zijn beroofd. Better safe than sorry is een domme strategie in een levend web, want de gevolgen van overtrokken maatregelen zijn nooit alleen voor je eigen rekening. Het komt aan op een juiste maatvoering – alleen weet niemand momenteel precies wat de juiste maat is.

Zelf zou ik deze crisis eerder ecologisch duiden dan medisch. Persoonlijk vind ik het zoeken naar evenwicht een zinniger ‘nieuw normaal’ dan inzetten op een strikt hygiënisch regime. Als het aan mij ligt, zou er structureel meer zorgbudget gaan naar leefstijlcoaches en verzorgers, en minder naar het corps met de witte jassen. Zo voel ik dat. Met die waarden ben ik kennelijk in de minderheid. Ik leg me daar zuchtend – of eigenlijk knarsetandend – bij neer. Ik houd me aan de regels. Maar bespaar me dat moralisme als ik weiger om de god der hygiëne te aanbidden.

Vitaal

Sinds het virus regeert is mijn houding nog geen halve dag dezelfde geweest. Stemmingen verschieten van kleur, meningen en inschattingen veranderen voortdurend. Ik leer dus bij. Gisteren piepte ik per ongeluk voor in de rij voor de kassa. De vrouw die er al stond hield zoveel afstand van de caissière dat ik dacht dat ze nog wat zocht, en dus sprong ik met mijn halfje brood in het gat dat ze liet vallen. Dat zal me vandaag niet meer gebeuren.

Gefascineerd kijk ik om me heen. Het is alsof je opeens de verborgen code van de samenleving te zien krijgt. Alsof het maatschappelijke ‘onderwaterscherm’ oprijst uit de crisiskamers. Welke keuzes worden er gemaakt op het scherpst van de snede? En welke ethiek ligt daaraan ten grondslag? Tot nu toe is het nog niet nodig – en dankzij verstandig beleid wordt het dat wellicht ook niet – maar er liggen dus modellen klaar die bepalen wie wel én niet in aanmerking komt voor een bed op de intensive care als ziekenhuispersoneel een keuze moet maken. Mensen boven de tachtig en uitbehandelde kankerpatiënten zijn dan het haasje. Mijn moeder zou wel een bed krijgen, mijn vader niet. Je hart breekt als je het hoort.

Zo zijn er ook allang economische berekeningen (uitgedrukt in qaly’s of daly’s) die bepalen hoeveel geld uit de gezamenlijke pot een extra levensjaar in goede gezondheid zou mogen kosten. Tien dagen geleden – u weet wel, in die tijd dat de scholen nog open waren – zei hoogleraar Ira Helsloot in deze krant dat een bedrag van 60.000 euro reëel is. Meer uitgeven aan één mensenleven is goedbeschouwd (of welberekend) contraproductief, omdat ándere mensenlevens dan lichamelijk gaan lijden vanwege uitblijvende investeringen op andere vitale vlakken, aldus Helsloot. Dat is dus het schuitje waarin we ons bevinden.

Je kunt dit soort berekeningen kil vinden. Maar ze zijn eerder abstract. Het is de poging van de instituties om tot een soort verdelende rechtvaardigheid te komen. Om vriendjespolitiek de pas af te snijden. In het ziekenhuis waar mijn zus werkt, zijn tijdens het bezoekuur flessen desinfecteringsgel gestolen. Dat doet die visite vast uit de hartstochtelijke impuls om thuis hun eigen geliefden te beschermen. Maar als het ziekenhuispersoneel op dezelfde ‘spontane’ manier zou handelen, zouden ze helemaal niet meer naar hun werk gaan. Dat zij het hoofd koel houden, is onderdeel van hun abstracte ethos.

En toch. Geen idee wat de maatregelen precies kosten die onze bestuurders nu nemen, maar het lijkt mij dat zij zich momenteel weinig aantrekken van qaly’s en daly’s. We smijten er miljarden tegenaan. Dit is geen berekenen meer vanuit een abstract ethos. Dit is bezweren. Van doodsangst.

In een fabel van de Amerikaanse zenlerares Joko Beck valt een man naar beneden van een hoge wolkenkrabber. ‘Hoe voel je je?’ vraagt iemand onderweg, waarop de man antwoordt: ‘So far, so good!’ Leven is langzaam vallen, en vroeg of laat raak je de grond. Dat beeld kan verlammen. Tegelijkertijd borrelt er in mij een soort lust op. Op een dag zal ook ik de bodem raken. Het leven is niet te houden. Maar nu leef ik. Ik leef!

Het officiële beleid is defensief: ons wordt gevraagd om uit solidariteit met kwetsbare mensen aan lichamelijke onthouding te doen. Ik snap de redenering en heb geen enkele aandrang om het beter te weten dan de experts. Tegelijk is het wachten op de eerste overtredingen van dit nieuwe taboe. Ik woon in een studentenstad en voel gewoon de energie van de opgehokte jongeren. Zij gaan dit geen weken volhouden. En zo hoort het ook.

Precies een jaar geleden moesten we hier in Utrecht ook een tijdje binnenblijven. Er waren mensen doodgeschoten in een tram. Wellicht raasden er terroristen rond die nogmaals zouden toeslaan. Iedereen kon doelwit zijn. Dit virus is niet te vergelijken met zo’n sluipschutter, omdat het niet iedereen in gelijke mate treft. Voor energieke jongeren is het nog erger om contact te vermijden, en ze hebben er minder persoonlijk belang bij. Hun onvermijdelijke toekomstige ongehoorzaamheid is ook onze hoop. De beste manier om virussen onschadelijk te maken, komt van hun vitale lichamen – alle vaccins zijn uiteindelijk afgeleid van onze eigen afweer. Levenslust en dadendrang en erotiek zullen het gaan winnen. Het is lente buiten. Het leven is niet te houden.

Buiten de ruimte horen

De nacht lengt alweer, de vogels beginnen ‘s ochtends later met zingen. Maar het voordeel van de zomer is dat de maan wat hoger aan de hemel staat, waardoor de schaduwen die zij werpt minder lang zijn. Kortere schaduwen, dat helpt bij het nachtwandelen. Ik weet dat dankzij Chris Yates, in Engeland vooral beroemd als sportvisser, maar ook de auteur van Nightwalk, een lyrisch verslag van een nacht lang wandelen.

Bij het allerlaatste licht trekt Yates de deur van zijn huis achter zich dicht en gaat hij op pad door een glooiend boerenlandschap. Zijn zaklamp gebruikt hij zo min mogelijk. Hij luistert vooral. Naar het ritselen van een berk. Naar herkauwende schapen. Naar het gewoel van een veldmuis, het geschraap van insecten in een hoop dode bladeren. Hij wandelt tot de zon weer opkomt in de krappe zomernacht.

Het is dit subtiele luisteren wat volgens Yates een van de geneugten van het nachtwandelen uitmaakt. Geluid draagt ver, en de bron is niet onmiddellijk gegeven, zoals bij zicht. Dat maakt geluid spannend, ruimtelijk. Het is een genot om je gehoor op scherp te stellen. Je wereld wordt er groter van.

Daar moet het dan wel voldoende stil voor zijn, en dat is een probleempje. Akoestisch vuil dringt zich op. Wil je buiten de ruimte horen, dan blijk je verbannen naar de marge. Yates wandelt ‘s nachts. Koos van Zomeren trekt er bij voorkeur op uit als het regent, las ik ooit. Dan blijven andere mensen binnen en is het lekker stil.

Lawaai is ongewenst geluid, en dus per definitie iets om een hekel aan te hebben. En het is nog ongezond ook. (In feite gaat het mij hier om stilte als een manier om in een ander bestaansregister terecht te komen, maar ik haal schade aan de gezondheid er graag even bij, want gezondheidsgevaar is in Nederland hét argument dat indruk maakt). In een rapport uit 2011 noemt de Wereldgezondheidsorganisatie herrie het op één na grootste gevaar voor volksgezondheid (alleen luchtvervuiling is bedreigender). We verliezen in West-Europa volgens een voorzichtige schatting jaarlijks één miljoen gezonde levensjaren vanwege geluidsoverlast. Je valt natuurlijk niet dood van herrie, maar je krijgt er wel stress van, en dat vergroot de kans op hart- en vaatziekten. Die Japanners die ‘stilte gaan baden’ in het bos, shinrin yoku, zijn zo gek nog niet.

Wij hebben onze eigen stiltegebieden, en onze eigen Gezondheidsraad wijst op het belang ervan. Maar luister even naar de machteloze definitie van een stiltegebied: dat is een gebied dat ‘zo stil mogelijk’ wordt gehouden. Het streven is dat geluid er nooit luider klinkt dan 40 decibel. Geluiden die nodig zijn om het gebied in stand te houden, zoals die van trekkers, melkmachines of kettingzagen (in een bos), mogen dus wel. Het is de taak van provincies om de stilte te beschermen, en hoe ze dat precies doen, mogen ze zelf weten. “Uit onderzoek van de Randstedelijke Rekenkamer naar de staat van stiltegebieden in vier provincies in 2016, bleek de stilte in veel gevallen nauwelijks beschermd”, schreef Katja Keuchenius dit voorjaar in Down to Earth. Provinciebestuurders geven beteuterd toe dat het handhaven van stilte weinig prioriteit krijgt. Recreanten weten trouwens vaak niet eens dat ze in een stiltegebied aan het kakelen zijn, want de bordjes ‘stiltegebied’ zijn populair in kroegen en studentenhuizen en worden dus vaak gejat.

In 1958 introduceerde de liberale filosoof Isaiah Berlin het idee van ‘negatieve vrijheid’, ofwel de vrijheid om met rust gelaten te worden. Door de staat, bedoelde Berlin vooral. Door andere mensen, voeg ik daar aan toe. Ik wil het niet horen: de motorclub die brullend over de dijk toert, de railcateraar die de stiltecoupé binnenvalt en monter gaat opsommen wat er allemaal te koop is, de dames van de Rode Hoeden Club die in het museum uitgelaten een schilderij bespreken, de babbel van de jongen die op me afspringt met de vraag of ik misschien een gratis krantje wil. Nee! Sluit me niet op in jullie lawaai!

Negatieve vrijheid is een mooi en bruikbaar idee. Maar hoe verdedig je de afwezigheid van lawaai? Hoe vraag je mensen om een ruimte te respecteren die ze kennelijk zelf niet ervaren? Dat zei Berlin er niet bij.

Kaartje

Een treinkaartje regelen in Kolkata is pittig. Eerst bracht de Uber ons naar het station. Bij een loket vulden we op aanraden van behulpzame Indiërs een formulier in; de beambten waren voor onbepaalde tijd met pauze. Na hun terugkomst bleken we in de verkeerde rij te staan. Bij het andere loket keek een bebrilde Indiër ons aan en concludeerde: buitenlanders. Die horen hun kaartje te kopen in een heel ander station. Daar kregen we een nieuw formulier. Wij waren nummer 125 van die dag; nummer 101 was in behandeling. Het was inmiddels al halverwege de middag en op een bordje stond duidelijk dat men hier om 5 uur ophield met werken.

Dan krijg je een oefening in gelatenheid. Wat valt er te doen? Wachten en hopen. Het verdragen van de gestolde gang van zaken. Zo gaat dit hier nu eenmaal. De klok tikt. Een treinkaartje verstrekken duurt minstens tien minuten, ook al werken er twee beambten tegelijk aan. Een simpele rekensom leert dat we het in dit tempo nooit gaan halen. Wacht: er komen een paar nummers niet opdagen! Wie weet.. en ja, we worden opgeroepen. Een dame schrijft het formulier over dat wij ingevuld hebben, waarna haar collega die gegevens nogmaals intikt in de computer. Zo bemachtigen we het laatste treinkaartje dat die dag wordt uitgegeven. Het Nepalese stel met nummer 126 heeft het nakijken.

Zodra iets tegen de verwachting in toch lukt, gebeurt er veel in een mens. Een tergende middag wordt plotsklaps een verhaal waarin wij figureren als de bijzondere hoofdpersonen die dit natuurlijk moest overkomen. Iets valt je toe, en binnen een mum van tijd denk je: ik zal het wel verdiend hebben. Zo’n verhaal laat geen ruimte voor het Nepalese stel, of voor toeval, of voor reflecties over rechtvaardigheid of efficiëntie. Verhalen zijn geen analyses. Verhalen zijn in hun aard egocentrische constructen, waarin de wereld draait rond de verteller.

Veel rijke Amerikanen schijnen te beweren dat hun rijkdom bewijst dat God van hen houdt. Dus hoeven ze in principe geen poot uit te steken naar arme Amerikanen waar God – om ondoorgrondelijke maar dus wel goddelijke redenen – kennelijk minder van houdt. Zou het niet juist hovaardig zijn om tegen Gods oordeel in te gaan? Om de wereld anders te maken dan God hem bedoeld heeft? Het is deze manier van redeneren die ik hier in India teveel om me heen voel. Sommige mensen bezingen de spiritualiteit van dit land, maar het is net of ik er geen toegang toe krijg. Ik voel me vooral opstandig.

Ik weet dat religie mensen kan helpen om de schoonheid van het leven te ervaren. Daar wil ik niets aan afdoen, en ik wens dat vooral de Indiërs in benarde omstandigheden van harte toe. Maar verder gaat mijn eerbied voor religie niet. Al die aandacht voor het hogere, voor de verticale lijn, leidt tot een soort mechanisch wereldbeeld, waarin mensen volgens een gegeven orde om elkaar heen draaien zonder zich werkelijk met elkaar te hoeven engageren, want alles ligt toch al vast. Die houding leidt ertoe dat mensen wel kansen pakken, maar geen alternatieven zoeken. Het staat waarlijk burgerschap in de weg. Die nadruk op de godgegeven orde maakt India tot de droom van Thatcher: There is no such thing as society.

Je verbinden met een maatschappij vraagt iets moeilijks en tegennatuurlijks van de menselijke psychologie: het waarlijk accepteren van het idee van willekeur. We maken liever een spannend verhaal van onze voor- of tegenspoed dan dat we het toevallige van ons eigen plekje onder ogen zien. Want toeval gooit ons uit het centrum van het verhaal.

De filosofie heeft een woord voor het besef dat de wereld om je heen net zo goed anders had kunnen zijn dan hij feitelijk is: radicale contingentie. Het begrip vraagt van je om toeval en willekeur te accepteren, en biedt bar weinig troost, want er is nergens voorzien in een vast plekje voor jou. Maar het schept wel ruimte voor verandering. Voor opstand in plaats van lijdzaamheid. Voor betrokkenheid in plaats van acceptatie.

Anders gezegd: ik kan ze even niet meer zien, die heilige mannen met hun eeuwenoude teksten en hun kosmische orde. Ze doen me aan Thatcher denken.

Hek

Het blijft een geniale titel: Regels voor het mensenpark. Onder die noemer schetst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk hoe de moderne overheid haar bevolking beschouwt als een kudde die zij beheert in een soort ‘mensenpark’. Overheidsbeleid is erop gericht om burgers tam, gezond, goed doorvoed en veilig te houden. Met de beste bedoelingen, daar niet van, en tot tevredenheid van het gros der kudde. Zolang je als burger binnen de omheining blijft en je aan de parkregels houdt, mag je rekenen op een herderlijke overheid. Maar buiten het park is het bar en gevaarlijk. Daar ben je aan jezelf overgeleverd.

Toch zijn er mensen die juist naar buiten verlangen. Een beroemd voorbeeld is Chris McCandless, wiens levensverhaal werd verfilmd in Into the Wild. Deze slimme en levenslustige twintiger besluit een seizoen lang in zijn eentje door te brengen in de woeste natuur van Alaska. Schaars bepakt trekt hij de wildernis in, waar hij bivakkeert in een ontmantelde oude stadsbus. Zijn dagboek rept lyrisch over het ‘zuivere’ leven tussen de besneeuwde bergtoppen, de hoge hemel, de wilde dieren. Maar als hij met het oog op de komende winter weer naar de bewoonde wereld wil, merkt Chris dat hij zichzelf heeft buitengesloten. Het kleine stroompje van de heenweg blijkt door smeltwater te zijn veranderd in een bulderende rivier die met geen mogelijkheid te passeren is. Chris is veroordeeld tot zijn oude bus, waar hij wegkwijnt en sterft. ‘Heb geen medelijden met mij’, schrijft hij in zijn afscheidsbriefje. ‘Ik heb geleefd zoals ik wilde.’

Into the Wild staat bij jongeren al jaren hoog op het lijstje van de beste films aller tijden, en dat lijkt me geen toeval. Voor jongeren is dat mensenpark van ons weinig aantrekkelijk. Zij hebben de parkregels niet bedacht, en worden bovendien nog niet geplaagd door de pijntjes en vermoeienissen die het comfortabele parkleven voor oudere lichamen zo belangrijk maakt. Een beetje drieste jongere voelt zich juist opgesloten door die omheining en waagt de sprong over het hek. Dramatisch gegeven: dan kan dus blijken dat je niet meer terug kunt.

Rond de Oostvaardersplassen voltrekt zich een ander drama rond een hek. Het is immers het hek om het gebied dat ons zo in verwarring brengt over de status van de grote grazers aan de andere kant: zijn ze nu tam of wild? ‘Ze zijn wild’, beweren de voorstanders van de Oostvaardersplassen. Deze mensen willen uit alle macht een plek buiten het mensenpark organiseren – niet zozeer om daar zelf te verblijven, zoals McCandless, maar omdat zij snakken naar het bestaan van leven los van menselijke bemoeienis. Ik denk dat zij namens een stervend hert het volgende afscheidsbriefje zouden schrijven: ‘Lieve mensen, heb geen medelijden met mij, want ik heb een waarachtig leven kunnen leiden in de vrije natuur. Wegkwijnen van de honger hoort daar nu eenmaal bij.’

De burgers die tranen plengen voor de herten zien dat heel anders. Zij zien uitgemergelde dieren op een kaalgevreten vlakte smachten naar het lange gras aan de andere kant van het hek – gras waar ze net niet bij kunnen. Voor deze mensen bestaat er geen buiten. Zij ervaren die kuddes als parkdieren binnen het grotere mensenpark. En voor je dieren moet je als beschaving natuurlijk zorgen! Waar de voorstanders met het optrekken van een hek de wilde dieren in feite willen beschermen tegen ons, zien de tegenstanders het hek als een wreed instrument om hongerende medeschepselen buiten te sluiten.

Ik voel verwarrende parallellen met het drama van de duizenden Hondurezen die via Mexico optrekken naar de Verenigde Staten. Deze mensen willen niets liever dan wonen in een vrediger en veiliger mensenpark dan Honduras momenteel is. Ironisch genoeg stelt president Trump hen juist voor als ‘wilde hordes’ die de Amerikaanse grazige weiden komen kaalvreten. Als Trump erin slaagt om een hek tegen hen op te richten, zullen we een bekend schouwspel beleven: patrouilles van de parkwacht, maar ook mensen die het leed niet aan kunnen zien en de verkommerende Hondurezen vanaf de andere kant van het hek te eten geven. Drama gegarandeerd.

Of je jezelf nu voelt opgesloten of buitengesloten, een hek maakt altijd zichtbaar dat je ergens niet bij kunt. Dat maakt het hek tot een centraal rekwisiet van onze politiek.

Opstand der hertjes

De oogst na wat grabbelen in het nieuws van de afgelopen dagen: voetballer Ronaldo moet vrezen voor zijn carrière omdat hij een vrouw heeft verkracht. Deeltjesinstituut Cern stelt natuurkundige Alessandro Stumia op non-actief na seksistische opmerkingen. Het Groningse corps Vindicat – bekend van de bangalijst met ‘hete hertjes’ – raakt zijn subsidie kwijt omdat de geëiste cultuurverandering op zich laat wachten. En natuurlijk Brett Kavanaugh, net benoemd tot het Amerikaanse hooggerechtshof, maar zwaar beschadigd door de beschuldiging dat hij meer dan 35 jaar geleden een vrouw heeft aangerand.

Het nieuws is niet dat deze mannen zich ongevoelig betonen voor wat hun gedrag bij vrouwen aanricht. Nieuw is dat deze mannen hier nu zelf nadeel van ondervinden. De Belgische politiek filosoof Chantal Mouffe zou volgens mij wel raad weten met deze omslag. Zij ziet een samenleving als de uitkomst van een strijd tussen groepen, waarbij de winnende club de spelregels bepaalt – spelregels die vaak weinig recht doen aan de belangen van ondergeschikte groepen. Elke maatschappelijke orde negeert daarmee volgens Mouffe de ervaringen van hele groepen mensen in haar midden. Vaak hebben de machthebbers dat niet eens in de gaten; als je je echt machtig waant, hoef je je immers niet te buigen over de vraag hoe jouw gedrag voor anderen uitpakt. Maar zodra een onderdrukte groep een kans ruikt, zal zij een machtswisseling proberen te forceren – en als ze daar in slaagt, zal dat onvermijdelijk leiden tot een nieuw, ander soort onderdrukking, stelt Mouffe nuchter.

Ik denk dat er zo’n machtswisseling gaande is. Ik denk dat vrouwen hun kans ruiken. Nu de eerste de beste machine sterker is dan welke man dan ook, is fysiek overwicht echt geen argument meer voor de maatschappelijke hegemonie van mannen. En welk goed argument blijft er dan over? Geen enkel, merken we in de praktijk. Je kunt mannen nog steeds heel leuk vinden, maar waarom zouden vrouwen #MeToo-achtige situaties nog tolereren? Omdat het normaal is? Says who?

Het is niet aardig zoals twee vrouwelijke activisten de Republikeinse senator Jeff Flake klemzetten in de lift, vlak nadat hij zijn steun aan Kavanaugh heeft betuigd. ‘Jij laat zo iemand toe tot de hoogste rechtbank! Jij laat hem beslissen over wat er met het lichaam van een vrouw mag gebeuren!’, schreeuwt de een. De ander: ‘Het rechtssysteem is er om leed te erkennen, er verantwoordelijkheid voor te nemen, en een begin te maken met het herstel daarvan. En nu wil jij iemand nomineren die niet eens verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen daden!’ Echt onbeleefd zoals die vrouwen Flake in verlegenheid brengen, gewoon pijnlijk om te zien. Maar opstand vereist agressie. En het zijn de goede vragen.

Het probleem met Brett Kavanaugh is niet dat hij decennia geleden iets heeft gedaan wat niet deugt. Het probleem is dat hij zo’n raar en vlak verhaal vertelt over die gebeurtenissen. Een verhaal waarin hij die opgedrongen seks niet erkent en zich geen enkel moment lijkt open te stellen voor de ervaringen van het hertje van destijds. En hij gaat nu de normen in de samenleving tegen elkaar afwegen? Zijn opstelling geeft vrouwen geen enkel vertrouwen dat hij hun ervaringen en belangen zelfs maar ziet.

Interessante opmerking van cabaretier Peter Pannenkoek onlangs in Dit was het nieuws: ‘Nu zijn mannen ook bang, want ze kunnen beschuldigd worden.’ Ja. Iedereen die #MeToo wegzet als hysterisch wijvengedoe vergist zich dan ook gruwelijk. Dit is een serieuze politieke strijd: een strijd over de definitiemacht, over hoe je begrijpt wat er gebeurt en wat je daarvan vindt. Deze strijd gaat letterlijk over wie het daarbij voor het zeggen heeft. Vanaf nu is het haar verhaal tegen het jouwe – en hoe anders van toonzetting zijn die verhalen! Zij spreekt over misbruik, vernedering en angst, jij over lust en flirten en teveel bier. Zij zet haar verhaal zwaar aan, terwijl jij het gebeurde probeert weg te relativeren. Eén incident, twee belevenissen. En als de interpretatie van de vrouw het wint, is jouw carrière naar de knoppen.

Waar een nieuwe orde ontstaat, weten we allemaal even niet meer waar we aan toe zijn. Dat voelt onveilig. Dat is onveilig. En het spel wordt soms vuil gespeeld. Maar de strijd zelf is wat mij betreft goed nieuws.