Kaartje

Een treinkaartje regelen in Kolkata is pittig. Eerst bracht de Uber ons naar het station. Bij een loket vulden we op aanraden van behulpzame Indiërs een formulier in; de beambten waren voor onbepaalde tijd met pauze. Na hun terugkomst bleken we in de verkeerde rij te staan. Bij het andere loket keek een bebrilde Indiër ons aan en concludeerde: buitenlanders. Die horen hun kaartje te kopen in een heel ander station. Daar kregen we een nieuw formulier. Wij waren nummer 125 van die dag; nummer 101 was in behandeling. Het was inmiddels al halverwege de middag en op een bordje stond duidelijk dat men hier om 5 uur ophield met werken.

Dan krijg je een oefening in gelatenheid. Wat valt er te doen? Wachten en hopen. Het verdragen van de gestolde gang van zaken. Zo gaat dit hier nu eenmaal. De klok tikt. Een treinkaartje verstrekken duurt minstens tien minuten, ook al werken er twee beambten tegelijk aan. Een simpele rekensom leert dat we het in dit tempo nooit gaan halen. Wacht: er komen een paar nummers niet opdagen! Wie weet.. en ja, we worden opgeroepen. Een dame schrijft het formulier over dat wij ingevuld hebben, waarna haar collega die gegevens nogmaals intikt in de computer. Zo bemachtigen we het laatste treinkaartje dat die dag wordt uitgegeven. Het Nepalese stel met nummer 126 heeft het nakijken.

Zodra iets tegen de verwachting in toch lukt, gebeurt er veel in een mens. Een tergende middag wordt plotsklaps een verhaal waarin wij figureren als de bijzondere hoofdpersonen die dit natuurlijk moest overkomen. Iets valt je toe, en binnen een mum van tijd denk je: ik zal het wel verdiend hebben. Zo’n verhaal laat geen ruimte voor het Nepalese stel, of voor toeval, of voor reflecties over rechtvaardigheid of efficiëntie. Verhalen zijn geen analyses. Verhalen zijn in hun aard egocentrische constructen, waarin de wereld draait rond de verteller.

Veel rijke Amerikanen schijnen te beweren dat hun rijkdom bewijst dat God van hen houdt. Dus hoeven ze in principe geen poot uit te steken naar arme Amerikanen waar God – om ondoorgrondelijke maar dus wel goddelijke redenen – kennelijk minder van houdt. Zou het niet juist hovaardig zijn om tegen Gods oordeel in te gaan? Om de wereld anders te maken dan God hem bedoeld heeft? Het is deze manier van redeneren die ik hier in India teveel om me heen voel. Sommige mensen bezingen de spiritualiteit van dit land, maar het is net of ik er geen toegang toe krijg. Ik voel me vooral opstandig.

Ik weet dat religie mensen kan helpen om de schoonheid van het leven te ervaren. Daar wil ik niets aan afdoen, en ik wens dat vooral de Indiërs in benarde omstandigheden van harte toe. Maar verder gaat mijn eerbied voor religie niet. Al die aandacht voor het hogere, voor de verticale lijn, leidt tot een soort mechanisch wereldbeeld, waarin mensen volgens een gegeven orde om elkaar heen draaien zonder zich werkelijk met elkaar te hoeven engageren, want alles ligt toch al vast. Die houding leidt ertoe dat mensen wel kansen pakken, maar geen alternatieven zoeken. Het staat waarlijk burgerschap in de weg. Die nadruk op de godgegeven orde maakt India tot de droom van Thatcher: There is no such thing as society.

Je verbinden met een maatschappij vraagt iets moeilijks en tegennatuurlijks van de menselijke psychologie: het waarlijk accepteren van het idee van willekeur. We maken liever een spannend verhaal van onze voor- of tegenspoed dan dat we het toevallige van ons eigen plekje onder ogen zien. Want toeval gooit ons uit het centrum van het verhaal.

De filosofie heeft een woord voor het besef dat de wereld om je heen net zo goed anders had kunnen zijn dan hij feitelijk is: radicale contingentie. Het begrip vraagt van je om toeval en willekeur te accepteren, en biedt bar weinig troost, want er is nergens voorzien in een vast plekje voor jou. Maar het schept wel ruimte voor verandering. Voor opstand in plaats van lijdzaamheid. Voor betrokkenheid in plaats van acceptatie.

Anders gezegd: ik kan ze even niet meer zien, die heilige mannen met hun eeuwenoude teksten en hun kosmische orde. Ze doen me aan Thatcher denken.

Hek

Het blijft een geniale titel: Regels voor het mensenpark. Onder die noemer schetst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk hoe de moderne overheid haar bevolking beschouwt als een kudde die zij beheert in een soort ‘mensenpark’. Overheidsbeleid is erop gericht om burgers tam, gezond, goed doorvoed en veilig te houden. Met de beste bedoelingen, daar niet van, en tot tevredenheid van het gros der kudde. Zolang je als burger binnen de omheining blijft en je aan de parkregels houdt, mag je rekenen op een herderlijke overheid. Maar buiten het park is het bar en gevaarlijk. Daar ben je aan jezelf overgeleverd.

Toch zijn er mensen die juist naar buiten verlangen. Een beroemd voorbeeld is Chris McCandless, wiens levensverhaal werd verfilmd in Into the Wild. Deze slimme en levenslustige twintiger besluit een seizoen lang in zijn eentje door te brengen in de woeste natuur van Alaska. Schaars bepakt trekt hij de wildernis in, waar hij bivakkeert in een ontmantelde oude stadsbus. Zijn dagboek rept lyrisch over het ‘zuivere’ leven tussen de besneeuwde bergtoppen, de hoge hemel, de wilde dieren. Maar als hij met het oog op de komende winter weer naar de bewoonde wereld wil, merkt Chris dat hij zichzelf heeft buitengesloten. Het kleine stroompje van de heenweg blijkt door smeltwater te zijn veranderd in een bulderende rivier die met geen mogelijkheid te passeren is. Chris is veroordeeld tot zijn oude bus, waar hij wegkwijnt en sterft. ‘Heb geen medelijden met mij’, schrijft hij in zijn afscheidsbriefje. ‘Ik heb geleefd zoals ik wilde.’

Into the Wild staat bij jongeren al jaren hoog op het lijstje van de beste films aller tijden, en dat lijkt me geen toeval. Voor jongeren is dat mensenpark van ons weinig aantrekkelijk. Zij hebben de parkregels niet bedacht, en worden bovendien nog niet geplaagd door de pijntjes en vermoeienissen die het comfortabele parkleven voor oudere lichamen zo belangrijk maakt. Een beetje drieste jongere voelt zich juist opgesloten door die omheining en waagt de sprong over het hek. Dramatisch gegeven: dan kan dus blijken dat je niet meer terug kunt.

Rond de Oostvaardersplassen voltrekt zich een ander drama rond een hek. Het is immers het hek om het gebied dat ons zo in verwarring brengt over de status van de grote grazers aan de andere kant: zijn ze nu tam of wild? ‘Ze zijn wild’, beweren de voorstanders van de Oostvaardersplassen. Deze mensen willen uit alle macht een plek buiten het mensenpark organiseren – niet zozeer om daar zelf te verblijven, zoals McCandless, maar omdat zij snakken naar het bestaan van leven los van menselijke bemoeienis. Ik denk dat zij namens een stervend hert het volgende afscheidsbriefje zouden schrijven: ‘Lieve mensen, heb geen medelijden met mij, want ik heb een waarachtig leven kunnen leiden in de vrije natuur. Wegkwijnen van de honger hoort daar nu eenmaal bij.’

De burgers die tranen plengen voor de herten zien dat heel anders. Zij zien uitgemergelde dieren op een kaalgevreten vlakte smachten naar het lange gras aan de andere kant van het hek – gras waar ze net niet bij kunnen. Voor deze mensen bestaat er geen buiten. Zij ervaren die kuddes als parkdieren binnen het grotere mensenpark. En voor je dieren moet je als beschaving natuurlijk zorgen! Waar de voorstanders met het optrekken van een hek de wilde dieren in feite willen beschermen tegen ons, zien de tegenstanders het hek als een wreed instrument om hongerende medeschepselen buiten te sluiten.

Ik voel verwarrende parallellen met het drama van de duizenden Hondurezen die via Mexico optrekken naar de Verenigde Staten. Deze mensen willen niets liever dan wonen in een vrediger en veiliger mensenpark dan Honduras momenteel is. Ironisch genoeg stelt president Trump hen juist voor als ‘wilde hordes’ die de Amerikaanse grazige weiden komen kaalvreten. Als Trump erin slaagt om een hek tegen hen op te richten, zullen we een bekend schouwspel beleven: patrouilles van de parkwacht, maar ook mensen die het leed niet aan kunnen zien en de verkommerende Hondurezen vanaf de andere kant van het hek te eten geven. Drama gegarandeerd.

Of je jezelf nu voelt opgesloten of buitengesloten, een hek maakt altijd zichtbaar dat je ergens niet bij kunt. Dat maakt het hek tot een centraal rekwisiet van onze politiek.

Opstand der hertjes

De oogst na wat grabbelen in het nieuws van de afgelopen dagen: voetballer Ronaldo moet vrezen voor zijn carrière omdat hij een vrouw heeft verkracht. Deeltjesinstituut Cern stelt natuurkundige Alessandro Stumia op non-actief na seksistische opmerkingen. Het Groningse corps Vindicat – bekend van de bangalijst met ‘hete hertjes’ – raakt zijn subsidie kwijt omdat de geëiste cultuurverandering op zich laat wachten. En natuurlijk Brett Kavanaugh, net benoemd tot het Amerikaanse hooggerechtshof, maar zwaar beschadigd door de beschuldiging dat hij meer dan 35 jaar geleden een vrouw heeft aangerand.

Het nieuws is niet dat deze mannen zich ongevoelig betonen voor wat hun gedrag bij vrouwen aanricht. Nieuw is dat deze mannen hier nu zelf nadeel van ondervinden. De Belgische politiek filosoof Chantal Mouffe zou volgens mij wel raad weten met deze omslag. Zij ziet een samenleving als de uitkomst van een strijd tussen groepen, waarbij de winnende club de spelregels bepaalt – spelregels die vaak weinig recht doen aan de belangen van ondergeschikte groepen. Elke maatschappelijke orde negeert daarmee volgens Mouffe de ervaringen van hele groepen mensen in haar midden. Vaak hebben de machthebbers dat niet eens in de gaten; als je je echt machtig waant, hoef je je immers niet te buigen over de vraag hoe jouw gedrag voor anderen uitpakt. Maar zodra een onderdrukte groep een kans ruikt, zal zij een machtswisseling proberen te forceren – en als ze daar in slaagt, zal dat onvermijdelijk leiden tot een nieuw, ander soort onderdrukking, stelt Mouffe nuchter.

Ik denk dat er zo’n machtswisseling gaande is. Ik denk dat vrouwen hun kans ruiken. Nu de eerste de beste machine sterker is dan welke man dan ook, is fysiek overwicht echt geen argument meer voor de maatschappelijke hegemonie van mannen. En welk goed argument blijft er dan over? Geen enkel, merken we in de praktijk. Je kunt mannen nog steeds heel leuk vinden, maar waarom zouden vrouwen #MeToo-achtige situaties nog tolereren? Omdat het normaal is? Says who?

Het is niet aardig zoals twee vrouwelijke activisten de Republikeinse senator Jeff Flake klemzetten in de lift, vlak nadat hij zijn steun aan Kavanaugh heeft betuigd. ‘Jij laat zo iemand toe tot de hoogste rechtbank! Jij laat hem beslissen over wat er met het lichaam van een vrouw mag gebeuren!’, schreeuwt de een. De ander: ‘Het rechtssysteem is er om leed te erkennen, er verantwoordelijkheid voor te nemen, en een begin te maken met het herstel daarvan. En nu wil jij iemand nomineren die niet eens verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen daden!’ Echt onbeleefd zoals die vrouwen Flake in verlegenheid brengen, gewoon pijnlijk om te zien. Maar opstand vereist agressie. En het zijn de goede vragen.

Het probleem met Brett Kavanaugh is niet dat hij decennia geleden iets heeft gedaan wat niet deugt. Het probleem is dat hij zo’n raar en vlak verhaal vertelt over die gebeurtenissen. Een verhaal waarin hij die opgedrongen seks niet erkent en zich geen enkel moment lijkt open te stellen voor de ervaringen van het hertje van destijds. En hij gaat nu de normen in de samenleving tegen elkaar afwegen? Zijn opstelling geeft vrouwen geen enkel vertrouwen dat hij hun ervaringen en belangen zelfs maar ziet.

Interessante opmerking van cabaretier Peter Pannenkoek onlangs in Dit was het nieuws: ‘Nu zijn mannen ook bang, want ze kunnen beschuldigd worden.’ Ja. Iedereen die #MeToo wegzet als hysterisch wijvengedoe vergist zich dan ook gruwelijk. Dit is een serieuze politieke strijd: een strijd over de definitiemacht, over hoe je begrijpt wat er gebeurt en wat je daarvan vindt. Deze strijd gaat letterlijk over wie het daarbij voor het zeggen heeft. Vanaf nu is het haar verhaal tegen het jouwe – en hoe anders van toonzetting zijn die verhalen! Zij spreekt over misbruik, vernedering en angst, jij over lust en flirten en teveel bier. Zij zet haar verhaal zwaar aan, terwijl jij het gebeurde probeert weg te relativeren. Eén incident, twee belevenissen. En als de interpretatie van de vrouw het wint, is jouw carrière naar de knoppen.

Waar een nieuwe orde ontstaat, weten we allemaal even niet meer waar we aan toe zijn. Dat voelt onveilig. Dat is onveilig. En het spel wordt soms vuil gespeeld. Maar de strijd zelf is wat mij betreft goed nieuws.

Chef Ellende

Het lijkt wel alsof de wereld uit een dutje is ontwaakt. Opeens dringt in volle hevigheid door dat technologie kan worden ingezet om ons stilletjes een bepaalde kant op te duwen – en vooral dat dit geen ver-weg-show is, maar het verdienmodel van bedrijven waar we mee opstaan en mee naar bed gaan. Kop van Jut afgelopen week was Mark Zuckerberg, de grote baas van Facebook, die zich moest verantwoorden voor het misbruik dat zijn betalende klanten maken van de persoonsgegevens die hij oogst van zijn niet-betalende klanten. Zuckerberg werd op het matje geroepen bij het Amerikaanse Congres. Zijn reactie: ‘We gaan het uitzoeken’, of: ‘Sorry’.

Voorafgaand aan zijn verhoor had Mark al een charmeoffensief ingezet. ‘We hebben niet genoeg gedaan om misbruik te voorkomen. We zagen niet volledig in wat onze verantwoordelijkheid was. En dat was een grote fout, het was mijn fout.’ Tja, zal Mark hebben gedacht, als je chef bent, ben je ook chef ellende.

Er is de afgelopen weken veel, heel veel gezegd over Facebook. Daarbij ging het vooral over de manier waarop de netwerksite technisch werkt, over hoe het bedrijf razendsnel deel is gaan uitmaken van ons dagelijkse leven, over hoe moeilijk het is om er uit te stappen. Allemaal zinnig, allemaal waar. En toch zit me iets dwars in het verhaal dat we elkaar collectief vertellen rond Facebook. Dat verhaal maakt Mark ironisch genoeg té verantwoordelijk voor de gang van zaken, waardoor het probleem in de discussie beperkt blijft tot zijn fouten als manager. Precies die fictie stelt Mark in staat om weg te komen met dat lamme ‘sorry’. Dat verhaal houdt namelijk de illusie in stand dat hij de baas is over wat Facebook met ons doet. Hij belooft beterschap en meer scherpte, en de toezichthouders zijn weer gerustgesteld.

Zo’n voorstelling van zaken begrijpt volgens mij niet goed wat Facebook is. Facebook is geen technologie die onder het beheer valt van een ‘hyperintelligente’ CEO van 33, genaamd Mark, zoals deze krant hem vorige week nog in een commentaar typeerde. Facebook is een typisch voorbeeld van een hybride: een versmelting van mens en technologie. En een hybride glibbert gewoon door de matrixen van managers heen, intelligent of niet.

De term ‘hybride’ werd vijfentwintig jaar geleden in de techniekfilosofie geïntroduceerd door Bruno Latour. In Wij zijn nooit modern geweest stelt Latour dat de moderne samenleving berust op een ideologisch onderscheid tussen subjecten versus objecten, mensen versus dingen, cultuur versus natuur. Grondslag van deze Constitutionele Orde (Latours frase) is het uitgangspunt dat mensen handelen, en dingen niet. Moderne mensen denken dat zij de baas zijn over de gereedschappen en technologieën waarmee ze de natuur naar hun hand proberen te zetten.

Dit moderne raamwerk was altijd al een fictie, volgens Latour. Technologieën raken verkleefd met manieren van doen, waardoor leefwerelden ontstaan die niet meer zo gemakkelijk verdeeld kunnen worden in natuur óf cultuur. Een boer die zijn dag indeelt rondom – of eigenlijk mét – zijn melkmachine weet dat. Net als de kankerpatiënt die nog even afspreekt met een vriend voordat de volgende chemo gepland staat. Het onderscheid tussen (passieve) technologie en (actieve) gebruiker is een sprookje. Technologieën nestelen zich in je leefwereld. Je maakt keuzes vanuit die technologie, niet over die technologie.

Facebook is typisch een voorbeeld van een hybride. De technologie is menselijk, want het is ons product. En zij is natuurlijk, want ze is niet onze activiteit. Je kunt er voor kiezen om al dan niet te facebooken, maar niemand van ons – ook Mark niet – heeft in de hand wat Facebook met de sociale orde doet. Niemand heeft de effecten van Facebook bedacht. Prima dat Mark aan de tand wordt gevoeld, maar het is een farce om hem aan te spreken vanuit een soort modernistisch sturingsmodel waarin mensen zonder meer de baas zijn over de dingen. Toch was dat de rode draad in het toneelstuk dat CEO en Congresleden afgelopen week opvoerde. Tja, zo komen we nooit tot de kern van het probleem – en dus ook niet tot een zinvolle reactie op een uit de hand lopende technologie.

Mark is liever Chef Ellende dan te erkennen dat hij geen grip heeft op wat Facebook in gang heeft gezet. Vraag je af waarom.

Zelfstandig

Ze doen heel geheimzinnig over hun agenda, maar misschien hebben de politici die op dit moment onderhandelen over toekomstig Nederland het nu wel over zzp’ers. Bij die gedachte lopen de rillingen me over de rug. Ik verwacht er niets goeds van.

Al jaren word ik als werkend burger geschaard onder de noemer ‘zelfstandige zonder personeel’. Het ongemak dat uit die term spreekt – je bent kennelijk vooral iets niet, zoals ‘vrouw zonder kind’ of ‘fietser zonder licht’ – toont wat mij betreft de ideeënarmoede over de plek van werk in een mensenleven. Klassiek rechts verdeelt werkenden onder in leiders en volgelingen, klassiek links in machtigen en zwakken. Zzp’ers passen niet lekker in een van beide schema’s, met als gevolg dat één miljoen Nederlanders verweesd rondsopt in de sociaal-economische polder.

De politiek probeert wel mij in een kamp te lokken. De VVD spreekt me aan als ondernemer en vleit me door te zeggen dat ik lef en ambitie heb, en natuurlijk wil genieten van het succes dat ik eigenhandig uit de markt pers. Nou, zo voelt het helemaal niet. Ik ben niet zo iemand die zegt: ‘Het maakt mij niet uit of ik een schoenenfabriek of een IT-bedrijf run, als ik er maar een succes van kan maken!’ Integendeel, ik ben iemand die verknocht is aan de inhoud van haar werk. Mijn werk is wie ik ben. Juist daarom vind ik het idee onverdraaglijk dat een baas zeggenschap zou hebben over wat ik doe – dat voelt als het uit handen geven van mijn autonomie. Ik weet dat er goede bazen bestaan; ik heb ze zelfs van dichtbij meegemaakt. Maar ik ga het risico niet nemen om me formeel onder het gezag te plaatsen van iemand die ik misschien moet gehoorzamen tegen mijn eigen beter weten in. Die radeloze eigenwijsheid is wat me tot een zzp’er maakt. En als dat betekent dat ik me ook enkele ondernemersvaardigheden eigen moet maken – zoals een boekhouding bijhouden, mijn eigen IT-shit oplossen, en mezelf als merk presenteren op een website – dan neem ik dat op de koop toe.

Ik identificeer mezelf dus als zelfstandige, niet als ondernemer. Maar ik herken me ook niet in het beeld dat klassiek links van zzp’ers schetst – sneue ex-werknemers die als rechteloze zelfstandigen nog beter uit te buiten zijn door opportunistische directies. Wie kan er met zo’n zelfbeeld leven? Bovendien doet dit geen enkel recht aan de trots die ik voel bij het werk dat ik doe, noch aan de drijfveer om iets te willen maken dat toont waarvoor ik sta.

Hier stuit ik op oud zeer. Als beginnend freelance journalist meldde ik me bij de vakbond. Het klinkt misschien heel onnozel, maar ik had verwacht dat ik verwelkomd zou worden met woorden in de trant van: ‘Wat leuk dat ook jij voor een leven als journalist hebt gekozen! Kom bij de club, dan gaan we zorgen dat wij niet tegen elkaar uitgespeeld kunnen worden.’ In plaats daarvan kreeg ik een absurde contributie voorgelegd, afgestemd op het inkomen van journalisten die veilig onder een CAO vielen – en liet de bond verder in alles merken eigenlijk niets van freelancers te willen weten. Met een schok realiseerde ik me dat die solidariteit waar de vakbond voor heet te staan zich slechts uitstrekt tot de binnenring van journalisten met een vast contract. En dat het de bond om het beschermen van (gevestigde) belangen ging, niet om het verenigen rond een gilde.

De hele term zzp’er is een vergaarbak, dus ik weet niet hoeveel zelfstandigen hun werk beleven zoals ik. Maar voor mijn type draait werk in essentie noch om succes, noch om goede arbeidsvoorwaarden. Het allerbelangrijkste is om via werk uit te drukken wie je bent. En tsja, als je werk zo nauw verknoopt is met je identiteit, kun je moeilijk toestaan dat iemand anders daar de macht over heeft. Ik weet niet of deze kijk op werk handig of wijs is – soms denk ik dat een meer ontspannen houding beter zou zijn – maar dit is de logica van een zelfstandige. Misschien iets voor de onderhandelaars om mee te nemen: heel veel kwesties raken anno 2017 aan identiteitspolitiek. En dat geldt zeker voor werk.  Erken dat in je beleid.