Schakeldier naar een vreemde wereld

Ik snap het wel, die consternatie over robots, maar ik word er ook een beetje moe van. Opeens moeten we ons kennelijk ethische vragen gaan stellen over hoe we intelligente machines behandelen, omdat het moeilijk zou zijn om precies te zeggen waarin ze van ons verschillen. De Britse schrijver Ian McEwan, die na publicatie van zijn nieuwe roman Machines zoals ik overal zijn zegje doet over robots, vindt dat ‘iets’ met bewustzijn ook aanspraak kan maken op mensenrechten. Voor robots is het daarvoor nog te vroeg, oordeelt de romancier. Het ontbreekt hun nog aan twee belangrijke menselijke eigenschappen: empathie en wraakgevoelens.

En dieren dan?’, denk ik. Bepaalde dieren slagen met gemak voor de kwalificatietest van McEwan: ze zijn onmiskenbaar intelligent en bovendien gevoelig genoeg om medelijden en wrok te kunnen tonen. Dat geldt voor mensapen, maar ook voor olifanten en wolven en voor wie weet welke diersoorten nog meer. Ik ervaar de heisa over een fatsoenlijke omgang met robots als een stofwolk die wordt opgetrokken om een andere, veel minder vrijblijvende en veel relevantere morele vraag aan het zicht te onttrekken: waarom denken we Dieren zoals wij te kunnen behandelen zoals we doen?

Van jongs af aan zijn we omringd door nepdieren in rare kleuren. We leggen beren en bunny’s bij baby’s in bed. Peutervoorleesboeken projecteren prille emoties bijna altijd op dieren. Donald Duck laat de kindertjes wennen aan de dwaasheid van het bestaan. Echte knuffeldieren halen we ook in huis. Maar ook al kloppen hun hartjes en ook al moeten ze worden verzorgd, ze zijn eerst en vooral een projectiescherm voor onze behoeften en fantasieën. Levend speelgoed, volkomen ingelijfd in de menselijke orde.

Vroeger gingen we anders met de dieren om, stelt John Berger, de Britse schrijver en kunstkenner die zo prachtig heeft geschreven over de teloorgang van het dorpsleven in de Franse Alpen. In een laat essay, Opening a gate, beschrijft hij de vleeshaken aan het plafond in zijn schrijfkamer aldaar. Het slachten van dieren was nooit ver weg, de worsten droogden aan de lucht. Stukken vlees van dieren wiens adem je ‘s nachts naast je had gehoord. Je was intiem met dieren, maar zonder hen als een verlengstuk van jezelf te zien. Dankzij dieren wist je juist dat jouw orde niet de enige was. Dieren lieten je merken dat sommige verschijnselen in de wereld niet bestemd zijn voor jouw zintuigen.

Honden kunnen die poort naar een andere belevingswereld voor ons openen, aldus nog steeds Berger. ‘Hun ogen, wiens boodschap ons vaak verwart omdat die dringend is en stom, zijn afgestemd op zowel de menselijke orde als op andere zichtbare ordes.’ Honden willen niet alleen iets van ons, maar ook iets met ons. Zij zijn het schakeldier.

Ik meen te begrijpen wat Berger bedoelt, want ik heb een hondje. En hoewel mijn Fien bijna niets wilds meer heeft, verleidt zij mij dagelijks om te kijken naar het niet-menselijke in het stadspark waar ik met haar wandel. Zij staat stil bij dingen waar ik geen weet van heb. En steeds weer vergeeft ze me mijn absurde onverschilligheid. Ze blijft me uitnodigen om het andere te ervaren.

Wat dieren betreft zijn we flink in de war. We hebben moeite om ze goed in focus te krijgen. De manier waarop we onze huisdieren vertroetelen en verkindsen wijst op teveel gelijkschakeling; we zien niet onder ogen hoe vreemd deze dieren ons ook zijn. En van onze productiedieren zien we juist niet graag hoezeer ze op ons lijken. De bulk van de grote dieren op aarde is inmiddels getemd en geteeld en woont in stallen en schuren; slaafdieren die wachten op de slacht. En de nog resterende grote wilde dieren van de wereld eten wij in rap tempo op, zo viel onlangs te lezen in deze krant.

Onze miskenning van dieren maakt dat we de meest prangende ethische vragen niet stellen over wat wij hen laten ervaren. En daarmee gaat ook voor ons iets belangrijks verloren. Gedachteloos maken we hun orde kapot. Waar wij het vroeger samen met de dieren moesten zien te rooien in een vreemde wereld, moeten de dieren nu overleven in onze wereld. Mijn hondje kan mij nauwelijks meer uitnodigen om het andere te zien. Ik vind dat onuitsprekelijk droevig.

Stuntelen

‘Ik stuntel dus ik ben’, was dit jaar het motto van de Maand van de Filosofie – en wat een heerlijk onderwerp om over te peinzen! Stuntelen is weliswaar al een tijdje hot, maar dan in de ‘kijk mij nu eens gek doen’-variant van de wittewijnbrigade. Dat soort Bridget-Jones-achtig stuntelen verklaart zichzelf bij voorbaat ongevaarlijk: in het beste geval amusant, in ieder geval oninteressant. Serieus stuntelen daarentegen betreft het in de bek kijken van onze eigen onvolkomen, tastende natuur. Serieus stuntelen is het leven – jouw leven – durven zien als een probeersel, om dan te midden van alle overduidelijke tekortkomingen in en om je heen toch je bijdrage te leveren en je geluk te vinden. Het is het onvermijdelijke falen aanvaarden zonder de handdoek in de ring te gooien. Het is volwassen zijn.

Wat zou ik graag zien dat onze democratie volwassen werd. En dan bedoel ik niet dat we ons nu eindelijk eens netjes gaan gedragen volgens de spelregels van de representatieve democratie, zoals veel beroepspolitici stiekem hopen. Nee, ik bedoel dat we onder ogen zien dat een perfecte democratie nooit en te nimmer zal bestaan – niet eens kán bestaan. Als we zouden kunnen aanvaarden dat we in feite maar wat aanklungelen in het licht van een democratisch ideaal, dan zouden we ons misschien wat minder vastbijten in woede over het feit dat de huidige democratie onvolmaakt is. Wat zo is. En wat dus altijd zo zal zijn. Niet alleen omdat elke tijd zijn ijdele, benepen, corrupte politici kent. Maar vooral omdat zelfs de meest bevlogen en integere politici – de besten onder ons – ook maar wat proberen.

Volwassenheid hangt voor mij samen met basale aannames over de aard van de wereld. Plaats je onze oorsprong in de oersoep, of in een machtige entiteit die de boel onder controle heeft? Oersoepdenkers zien het hele leven als hoger geklungel. Ons bestaan danken we aan toevallige combinaties en mutaties die in de loop van heel veel tijd uitgroeiden tot ons: een levensvorm met gedachten, emoties en intenties. Het is nog een hele klus om dat proces te begrijpen, maar duidelijk is wel dat wij mensen nergens naar toe bewegen. Er is geen beoogde orde die we moeten bereiken. We zijn er, dat is alles.

Hoe anders ervaar je de wereld als je gelooft dat jouw bestaan een uitvloeisel is van een of ander plan van hogerhand! Als er dan iets niet lekker loopt in je leven, hoef je het niet te wijten aan toeval, of geklungel van jezelf en je sukkelige evenknieën, maar kun je de schuld geven aan een ontaard of oneerlijk ontwerp. Zo’n in wezen infantiele kijk op de wereld voedt verongelijkte gevoelens. Je acht je tekortgedaan door iets of iemand. Om te beginnen door papa of mama natuurlijk. En als je niet gaandeweg leert leven met het menselijk tekort, blijf je teleurstellingen volgens dezelfde logica wijten aan ‘de politiek’, de diepe staat, of een heel gemene gedegenereerde engel. Complotdenkers kunnen simpelweg geen afscheid nemen van het idee van almacht. Ze hebben psychologisch behoefte aan de fantasie van een meesterhand. Ze willen zich beroofd voelen van een of andere volmaakte toestand die hun deel had moeten zijn. Het idee van een boosdoener vinden ze kennelijk beter te verdragen dan het idee van radicale openheid.

Ergens in de achttiende eeuw werd de moderne democratie in de steigers gezet. Een clubje mannen dat zich met geen mogelijkheid een voorstelling had kunnen (of willen) maken van de meervoudigheid en meerstemmigheid van onze huidige wereld, bedacht dat ‘het volk’ voortaan zichzelf zou gaan regeren. Dat clubje formuleerde enkele organisatieprincipes, zoals een strikte scheiding tussen rechters en regeerders, het cyclisch openbreken van de macht via verkiezingen, de stelregel dat deskundige ambtenaren zich onderschikken aan de politieke baas van het moment. Verdomd goede principes – en tegelijkertijd ook maar bedenksels waar we sinds die tijd mee verder klungelen. Het hele idee van democratie draagt zijn praktische tekortkomingen van meet af aan in zich, en van die tekortkomingen kun je als burger flink last hebben. Maar zie alsjeblieft ook hoe al dat geklungel in het licht staat van idealen zoals redelijkheid, gelijkheid en een open dialoog. En wat voor een prestatie het eigenlijk is dat dergelijk geklungel zomaar uit de oersoep is voortgekomen.

De wolf die terugkomt

Wolvin GW998f heeft het wolvenplan in werking gesteld. Door langer dan een half jaar op de Veluwe rond te lopen, is ze per definitie veranderd van een passant in een bewoner waartegen boeren geacht worden hun schaapjes te beschermen. Er schijnt inmiddels ook een mannelijke wolf om haar heen te snuffelen, dus wie weet jaagt er straks voor het eerst in honderdvijftig jaar weer een roedel wolven over de Nederlandse velden.

Beleidsmakers, wetenschappers en lobbygroepen vragen zich bezorgd af wat ons te wachten staat nu we de wolf weer in ons midden toelaten. Want hoewel de nu ronddolende wolven nog geen mens kwaad hebben gedaan, zit de angst voor de wolf er diep in. De wolf is ons wilde dier. Valt zo’n beest wel te beheersen? Anderzijds: moet echt alles in Nederland dan tam zijn? Persoonlijk vind ik dat een verstikkende gedachte.

In Europese sprookjes en mythen staat de wolf vaak voor het geweld in onszelf. Woeste Vikingkrijgers die naar het slagveld trokken, waren gehuld in een wolfsvel, ‘vaak met de kop er nog aan’, zoals Dik van der Meulen schrijft in zijn mooie wolvenboek De kinderen van de nacht. Deze krijgers werden ‘ulfhednar’ genoemd, wat wolfsmantel betekent. Sommigen zeggen dat de wolfsmantel er was om bedeesdere medesoldaten te waarschuwen: dit is het type krijger dat in een roes van geweld het verschil niet meer ziet tussen vriend en vijand, en jou dus zomaar kan aanvallen.

Homo homini lupus, ‘de mens is de mens een wolf’, wist ook Thomas Hobbes. De gewelddadige menselijke inborst maakt de samenleving gevaarlijk. Zonder beteugeling leeft iedereen in angst. De enige oplossing, zo redeneerde Hobbes in de vroege zeventiende eeuw, is dat mannen het uitoefenen van geweld overlaten aan de soeverein, die daar het monopolie op krijgt.

Met name voor jonge mannen blijkt dat een moeilijke opgave. Soms leerden zij grip op zichzelf te krijgen dankzij een soort inwijdingsritueel waarbij ze een tijd ronddoolden in de Europese wouden, gehuld in de pels van een gevilde wolf. Het adagium: zie jezelf onder ogen en kom terug als je je impulsen onder controle hebt. Sommigen kregen dat nooit helemaal voor elkaar en veranderen op gezette tijden weer in een wolf. De mythe van de weerwolf zou hier op geënt kunnen zijn.

De weerwolf heeft naast zijn woede ook zijn lust niet goed in bedwang. Zo verhaalt een Nederlandse sage van een knecht ‘op de achterste boerenhoeve’, die eigenlijk een weerwolf is. De knecht loopt met een meisje op en krijgt de drang om weerwolf te worden. Snel stuurt hij haar weg. Hij geeft het meisje nog wel een zakdoek mee, met de instructie die naar een grote hond te gooien, mocht ze aangevallen worden. En jawel, daar springt een groot woest beest uit de bosjes! Het meisje gooit de zakdoek in zijn snuit en rent naar huis. Daar zit de knecht al, met restjes zakdoek tussen zijn tanden.

Een vrouw in de late Middeleeuwen weet wat ze moet doen als haar man weerwolf wordt. Ze laat hem buiten uitrazen. Als hij weer bij haar aanklopt, reageert ze niet. Want als ze de deur wel opendoet, ziet ze haar man in wolvengedaante, vreet hij haar op, en verdwijnt hij voorgoed in de bossen. Bij de tweede keer kloppen moet ze ook nog niet opendoen; haar man heeft dan nog steeds een wolvenkop. Pas bij de derde keer is hij weer in zijn gewone doen en kan ze hem binnenlaten.

Europa valt gemakkelijk terug op een retoriek waarin mannen in wilde beesten veranderen. Eenmaal beest moeten ze vooral wegblijven (of sneuvelen). Het grote probleem is: wat doe je als ze terugkeren en weer man willen worden? Krijg je ze echt ingevoegd in de orde, of zullen ze gaan weerwolven? Het is precies dit probleem wat de regering heeft met terugkerende IS-strijders. Evenals voor de gewone wolven zijn er al plannen opgesteld en beheersteams ingericht. Maar die nemen de angst niet weg.

De wolvenenergie van jonge mannen krijg je (gelukkig) nooit helemaal ingetoomd. Logisch dat ze angst inboezemen. Wat doe je eraan? Fransiscus van Assisi, die heilige die met de dieren sprak, had een aanpak ik het navolgen waard vind. Tegen de wolf zei hij: ‘Broeder, ik ken uw honger’.

De waarheid en de koe

Het lastige van kennis is dat je er niet onnozel bij kunt blijven. Deels is dit een waarheid als een koe: wetenschap heft per definitie onnozelheid op. Maar er zit ook een ethische kant aan de uitspraak: je kunt het als mens niet maken om je ogen te sluiten voor wat je weet. Doe je dat wel, dan ga je moreel failliet.

Dat failliet dreigt in onze omgang met landbouwhuisdieren. Zolang je dieren oprecht kan zien als een soort machientjes die God heeft ontworpen om jou voedsel, bont en trekkracht te leveren, heb je geen moreel probleem. De zoveelste stalbrand is dan gewoon een vervelend – want duur – bedrijfsongeval. Maar op het moment dat je de evolutietheorie tot je door laat dringen, weet je dat productiedieren een lichaam hebben dat zeer vergelijkbaar is met het onze. We sluiten deze dieren op, buiten ze uit, slachten ze af – en met de kennis van nu staat vrijwel vast dat de dieren daaronder lijden. Wat je daar verder ook voor praktische consequenties aan verbindt, die kennis leidt tot een enorm moreel probleem.

Nog zo’n weetje met morele implicaties: onze leefwijze verandert het klimaat. En diezelfde productiedieren zijn daarbij een cruciale schakel. Gras omzetten in melk en vlees is een heel gedoe waarvoor een koe vier stevige magen nodig heeft en waarbij het beest een hoop methaangas produceert. Opgeteld leveren de scheten en boeren van het Nederlandse vee op dit moment meer broeikasgassen dan de tien megaton die de totale Nederlandse bedrijvigheid volgens de klimaatdoelen in 2050 zou mogen uitstoten. Dus: alleen als het ons lukt om volkomen klimaatneutraal te leven en werken, kunnen onze productiedieren op dezelfde schaal blijven gisten. Je kunt het wegzetten als klimaatdrammen, maar als je dit eenmaal weet, zul je toch echt moeten concluderen dat onze praktijken rond productiedieren onhoudbaar zijn.

De vraag is: op welke veranderingen koers je? Ga je jezelf aanpakken, of de productiedieren? Dat laatste is natuurlijk het meest gerieflijk voor ons. En dus zijn mensen in de sector naarstig op zoek naar koeien die minder scheten laten. Fokken ze zeugen die zo dociel zijn dat ze ook in een piepklein hok lief blijven voor hun biggetjes. Fantaseren ze over het kweken van blinde kippen, want een blinde kip zal haar buurvrouw niet pikken. En overwegen ze om het gen dat sommige koeien hoornloos ter wereld laat komen in het genoom van onze productiekoeien te monteren, zodat boeren hun hoorns niet meer hoeven weg te branden. Kortom: ze buigen de dieren om voor ons comfort. En in al deze voorbeelden zullen de dieren niet meer lijden dan nu, waarschijnlijk zelfs minder. Best slim eigenlijk!

Behalve dat ‘minder slecht’ wat anders is dan ‘goed’. Ik eet vlees en zuivel, en zit daar moreel niet mee in mijn maag. Maar naarmate ik meer weet over de manier waarop wij productiedieren houden, en wat dit betekent voor onze leefomgeving, groeit mijn schaamte bij de huidige praktijk alleen maar. Dit kan gewoon niet. Dit moet anders.

Dat betekent allereerst iets voor boeren. Boeren zijn niet kwaadaardig, maar het standaardverhaal van boeren die werken met dieren – dat ze hun best doen, maar knel zitten – is behoorlijk beroerd. Zodra een agrarisch ondernemer zich voornamelijk als slachtoffer van de omstandigheden gaat zien, heeft hij zijn eigen lot als ondernemer in feite bezegeld.

Ondertussen wordt van mij, als consument van vlees of dierlijke producten, wél ondernemerschap gevraagd, want ik krijg de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven. Ik koop dit, dus ik wil dit. Zeker, ik eet vlees en heb dus iets te verantwoorden. Maar ik kan inmiddels die kreet ‘de macht van de boodschappentas’ niet meer horen. Moet ik, wanneer ik aan de randen van mijn werkdag boodschappen doe – gehaast, bestookt door reclame, en met beperkte portemonnee – de verstandige keuzes maken die de partijen binnen het landbouwsysteem zelf uit de weg gaan? Mooi niet. Die aap mogen de professionals van dat systeem – boeren, maar zeker ook levensmiddelenbedrijven, supermarkten, adviseurs, de Rabobank – zelf op hun schouder houden. Het is tenslotte hun beroep.

De huidige omgang met productiedieren is onhoudbaar. Een modern mens hoort dat te durven weten. Wat daar praktisch uit volgt, moet je vooral zelf bedenken. Maar pak jezelf aan. Niet de dieren.

Hek

Het blijft een geniale titel: Regels voor het mensenpark. Onder die noemer schetst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk hoe de moderne overheid haar bevolking beschouwt als een kudde die zij beheert in een soort ‘mensenpark’. Overheidsbeleid is erop gericht om burgers tam, gezond, goed doorvoed en veilig te houden. Met de beste bedoelingen, daar niet van, en tot tevredenheid van het gros der kudde. Zolang je als burger binnen de omheining blijft en je aan de parkregels houdt, mag je rekenen op een herderlijke overheid. Maar buiten het park is het bar en gevaarlijk. Daar ben je aan jezelf overgeleverd.

Toch zijn er mensen die juist naar buiten verlangen. Een beroemd voorbeeld is Chris McCandless, wiens levensverhaal werd verfilmd in Into the Wild. Deze slimme en levenslustige twintiger besluit een seizoen lang in zijn eentje door te brengen in de woeste natuur van Alaska. Schaars bepakt trekt hij de wildernis in, waar hij bivakkeert in een ontmantelde oude stadsbus. Zijn dagboek rept lyrisch over het ‘zuivere’ leven tussen de besneeuwde bergtoppen, de hoge hemel, de wilde dieren. Maar als hij met het oog op de komende winter weer naar de bewoonde wereld wil, merkt Chris dat hij zichzelf heeft buitengesloten. Het kleine stroompje van de heenweg blijkt door smeltwater te zijn veranderd in een bulderende rivier die met geen mogelijkheid te passeren is. Chris is veroordeeld tot zijn oude bus, waar hij wegkwijnt en sterft. ‘Heb geen medelijden met mij’, schrijft hij in zijn afscheidsbriefje. ‘Ik heb geleefd zoals ik wilde.’

Into the Wild staat bij jongeren al jaren hoog op het lijstje van de beste films aller tijden, en dat lijkt me geen toeval. Voor jongeren is dat mensenpark van ons weinig aantrekkelijk. Zij hebben de parkregels niet bedacht, en worden bovendien nog niet geplaagd door de pijntjes en vermoeienissen die het comfortabele parkleven voor oudere lichamen zo belangrijk maakt. Een beetje drieste jongere voelt zich juist opgesloten door die omheining en waagt de sprong over het hek. Dramatisch gegeven: dan kan dus blijken dat je niet meer terug kunt.

Rond de Oostvaardersplassen voltrekt zich een ander drama rond een hek. Het is immers het hek om het gebied dat ons zo in verwarring brengt over de status van de grote grazers aan de andere kant: zijn ze nu tam of wild? ‘Ze zijn wild’, beweren de voorstanders van de Oostvaardersplassen. Deze mensen willen uit alle macht een plek buiten het mensenpark organiseren – niet zozeer om daar zelf te verblijven, zoals McCandless, maar omdat zij snakken naar het bestaan van leven los van menselijke bemoeienis. Ik denk dat zij namens een stervend hert het volgende afscheidsbriefje zouden schrijven: ‘Lieve mensen, heb geen medelijden met mij, want ik heb een waarachtig leven kunnen leiden in de vrije natuur. Wegkwijnen van de honger hoort daar nu eenmaal bij.’

De burgers die tranen plengen voor de herten zien dat heel anders. Zij zien uitgemergelde dieren op een kaalgevreten vlakte smachten naar het lange gras aan de andere kant van het hek – gras waar ze net niet bij kunnen. Voor deze mensen bestaat er geen buiten. Zij ervaren die kuddes als parkdieren binnen het grotere mensenpark. En voor je dieren moet je als beschaving natuurlijk zorgen! Waar de voorstanders met het optrekken van een hek de wilde dieren in feite willen beschermen tegen ons, zien de tegenstanders het hek als een wreed instrument om hongerende medeschepselen buiten te sluiten.

Ik voel verwarrende parallellen met het drama van de duizenden Hondurezen die via Mexico optrekken naar de Verenigde Staten. Deze mensen willen niets liever dan wonen in een vrediger en veiliger mensenpark dan Honduras momenteel is. Ironisch genoeg stelt president Trump hen juist voor als ‘wilde hordes’ die de Amerikaanse grazige weiden komen kaalvreten. Als Trump erin slaagt om een hek tegen hen op te richten, zullen we een bekend schouwspel beleven: patrouilles van de parkwacht, maar ook mensen die het leed niet aan kunnen zien en de verkommerende Hondurezen vanaf de andere kant van het hek te eten geven. Drama gegarandeerd.

Of je jezelf nu voelt opgesloten of buitengesloten, een hek maakt altijd zichtbaar dat je ergens niet bij kunt. Dat maakt het hek tot een centraal rekwisiet van onze politiek.

Band met de grond

Vermoedelijk maken Nederlandse boeren zich op dit moment vooral druk om de aanhoudende droogte, maar als ik boer was, dan zou ik ook zenuwachtig worden van de Landbouwbrief waaraan minister Carola Schouten deze zomer schrijft. Welke visie op de toekomst van de landbouw Schouten in haar brief ook gaat verwoorden, ze zal onvermijdelijk oproepen tot verandering. Het systeem waaraan het gros van de boeren zich met huid en haar heeft overgeleverd, is simpelweg onhoudbaar geworden.

Ik heb een zwak voor boeren. Niet alleen omdat ik geboren en getogen ben in het boerenlandschap van de Alblasserwaard, de polder met het mooiste licht ter wereld. Ook omdat ik houd van ondernemers die hun lot verbinden aan een concrete plek. Boeren zijn extreem geaard: ze gaan relaties aan met hun grond, met de lokale gemeenschap, met hun eigen traditie. Die diepe band met het land maakt hen in mijn ogen heel wat sympathieker en betrouwbaarder dan het type ondernemer dat zonder enige scrupules verkast zodra er elders meer winst te behalen valt.

Tegelijk is het die band met de grond die landbouwen in Nederland inmiddels zo problematisch maakt. Onze grond is simpelweg te schaars en te duur geworden voor het zakelijke model van de Nederlandse doorsneeboer. Een tijdje liep Nederland voorop in de strategie om tegen steeds lagere kosten steeds meer voedsel te produceren, en konden we op de wereldmarkt concurreren op kostprijs. Maar nu ook andere landen hypermoderne landbouwmethoden hanteren, blijken onze producten opeens relatief duur. In -zeg- Roemenië zijn grond en arbeid goedkoper, de milieueisen minder streng, en de buren klagen minder want ze wonen heel wat verder weg.

De Nederlandse landbouw staat onder druk, en boeren voelen dat. Uit een grote peiling die Trouw onlangs hield, blijkt dat bijna de helft van onze boeren weleens wakker ligt vanwege zorgen om de toekomst. Meer dan tachtig procent van hen zou graag overstappen op een meer natuurvriendelijke methode van boeren, maar ziet daar op eigen kracht geen mogelijkheden toe. Zij hebben hun hele hebben en houden geïnvesteerd in die voor Nederland failliete strategie van kostprijsreductie, al hun relaties en verplichtingen liggen daar, en nu kunnen ze (naar eigen zeggen) het voorbeeld niet volgen van de zes procent boeren die zijn overgeschakeld op een biologische productiewijze. De meeste boeren doen dus iets waar ze zelf niet meer in geloven. Tsja.

Ik denk dat Schouten wel weet dat de Nederlandse landbouw zijn verlies zal moeten nemen – met als interessante politieke vraag waar de rekening precies zal gaan belanden. Boeren zullen ondertussen hun band met de grond moeten herijken. Twee extreme verhalen liggen al klaar. In het ene verhaal knipt de Nederlandse landbouwsector zijn band met de grond min of meer door. De winnaars onder de boeren verhuizen naar het buitenland, waar ze eindeloos kunnen uitbreiden en rationaliseren. Nederland verkoopt ondertussen niet langer landbouwproducten, maar landbouwmethoden: hoogtechnologische kennis om de opbrengst per hectare te vergroten, kassen te rationaliseren, koeien automatisch te melken, varkens en kippen te fokken die niet opstandig zijn en snel spiermassa opbouwen, et cetera. De grond verdwijnt uit beeld.

In het andere verhaal richten boeren zich op de lokale belevingseconomie. Ze bedienen fietsende bejaarden die even komen uitblazen in de theetuin op het boerenerf, en wie weet ook nog wel een pondje kersen, een doosje eieren, een lokaal kaasje kopen. Ze beginnen een camping, laten hun koeien knuffelen, zetten een boerengolfcircuit uit. Allemaal best goed gevonden als je je bedrijf overeind wil houden, maar een serieuze strategie om de positie van de Nederlandse landbouw te herijken zie ik er niet in en het wereldvoedselvraagstuk los je er al helemaal niet mee op.

Wat Schouten nodig heeft, is een nieuwe kijk op de omgang met Nederlandse grond. Wat mij betreft zoekt ze haar heil niet in hoogtechnologische landbouw die zijn voeten niet hier in de delta heeft staan. Maar ik hoop dat ze haar kaarten ook niet zet op boeren die doen alsof we allemaal in een truttig hobbitland willen wonen. Mensen leven door stof uit te wisselen met de grond. Landbouwen is onze basale tovertruc om grond via planten of dieren eetbaar te maken voor mensen. Stel boeren in staat om dat duurzaam voor ons te doen.