Tractorman

Kurkdroog is het land. Met lede ogen zien de pachtboeren aan hoe de tractor van de landeigenaar diepe voren trekt in de grond die zij al decennia bewonen en bewerken. De tractor maakt het land nog verder kapot, maar de hoge heren in de stad gaan voor de snelle winst. Hun strategie: ‘Eén man op een tractor kan het werk van twaalf of veertien families innemen. Betaal hem zijn loon en neem de hele oogst.’ In arren moede pakken de boerenfamilies hun boeltje op en vertrekken naar het westen, naar Californië. Daar zou volop werk zijn. Daar staan frisse witte huisjes. Daar pluk je druiventrossen en laat je het sap zo over je gezicht lopen. Zegt men.

In de grote Amerikaanse roman De druiven der gramschap (1939) vertelt John Steinbeck het verhaal van de families die moesten vluchten uit de dustbowl die de prairies waren geworden na jaren van droogte en domme landbouwmethoden. Steinbeck wist waarover hij sprak; hij had reportages gemaakt in de geïmproviseerde kampen die de berooide boerenfamilies onderweg opsloegen. Ik lees deze klassieker voor het eerst, en ik vind het een feest: de stijl is levendig en fris, het pleidooi voor gemeenschappelijk verzet tegen uitbuiters immer relevant. Jammer alleen dat Steinbeck een morele waarde lijkt toe te kennen aan ouderwets boerengeploeter.

Zo krijgt de tractor bij Steinbeck de schuld van de ellende, want die maakt het bewerken van het land veel te gemakkelijk. ‘Zo gemakkelijk dat het wonder van het werk eraf gaat (..) en met het wonder het diepe begrip en de relatie.’ Zo’n ‘machineman’ die ‘een dode tractor rijdt op het land dat hij niet kent en liefheeft, begrijpt alleen techniek en scheikunde’, sneert Steinbeck. En daarmee veracht hij in feite het land. ‘Want het land bestaat niet uit nitraten, net zomin als uit fosfaten.’ Het land is veel meer dan ‘een chemische analyse’.

Het is misschien weinig romantisch om land te zien in termen van nitraat en fosfaat. En toch put ik hoop uit deze kijk. Ons eigen platteland is inmiddels het equivalent van een dustbowl: het is een zure groene woestijn van eindeloos eenvormig Engels raaigras waarin steeds minder verschillende levensvormen het uithouden. Juist het stikstofarrest van de Raad van State kan dit tij misschien doen keren. Het arrest zelf straalt weinig romantiek uit, het is in feite verdomde technisch, maar het komt erop neer dat er in het licht van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vergunningen voor bouwplannen zijn verleend waarvan iedereen weet dat die gaan leiden tot extra neerslag van stikstof (geoxideerd nitraat) in beschermde natuurgebieden. Wat dus niet mag van Europa, omdat het zal leiden tot nog minder soortenrijkdom. Maar wat wel mocht van Nederland, omdat wij tegelijkertijd ook allerlei verbeteringen zouden doorvoeren die de schade aan de natuur – later, ooit, echt, heus! – zouden herstellen. Die slimme verbeteringen zijn tot op heden hopeloos onvoldoende gebleken. De Raad van State gelooft niet meer in het PAS-verhaal. Sinds zijn uitspraak liggen er 18.000 bouwprojecten stil. Achttienduizend!

Het arrest treft vooral de Nederlandse landbouw, want die stoot verreweg het meeste stikstof uit; bijna vier keer zoveel als de op één na grootste boosdoener, het verkeer. Woensdag zal de commissie-Remkes adviseren om de veestapel fors in te krimpen, meldde het AD dit weekend. De gigantische aantallen boerende, poepende en piesende landbouwhuisdieren zijn onhoudbaar in het licht van het stikstofarrest. Ze ontwrichten de mineralenbalans in de bodem.

De enige begaanbare weg is al jaren duidelijk: boeren moeten aan kringlooplandbouw gaan doen. Dat hoeft niet te betekenen dat boeren weer als vanouds zwetend met paard en wagen de grond gaan bewerken, zoals Steinbeck verlangt. Boeren hoeven geen show van kneuterigheid op te voeren. Ze kunnen prima tractorman blijven en grote bedrijven runnen. Zelfs megastallen zijn het probleem niet. Het enige wat kringlooplandbouw van boeren vraagt, is dat ze hun mineralenhuishouding sluiten. Hoe ze het doen, doen ze het.

Met Steinbeck geloof ik dat de ware boerenromantiek schuilt in ‘het diepe begrip’ van het land. Maar waar Steinbeck denkt dat ‘techniek en scheikunde’ die relatie met het land kapot maken, hoop ik juist dat boeren de band met hun land herstellen door mineralen te gaan tellen. Dat is de moderne manier van je grond liefhebben.

Buiten de ruimte horen

De nacht lengt alweer, de vogels beginnen ‘s ochtends later met zingen. Maar het voordeel van de zomer is dat de maan wat hoger aan de hemel staat, waardoor de schaduwen die zij werpt minder lang zijn. Kortere schaduwen, dat helpt bij het nachtwandelen. Ik weet dat dankzij Chris Yates, in Engeland vooral beroemd als sportvisser, maar ook de auteur van Nightwalk, een lyrisch verslag van een nacht lang wandelen.

Bij het allerlaatste licht trekt Yates de deur van zijn huis achter zich dicht en gaat hij op pad door een glooiend boerenlandschap. Zijn zaklamp gebruikt hij zo min mogelijk. Hij luistert vooral. Naar het ritselen van een berk. Naar herkauwende schapen. Naar het gewoel van een veldmuis, het geschraap van insecten in een hoop dode bladeren. Hij wandelt tot de zon weer opkomt in de krappe zomernacht.

Het is dit subtiele luisteren wat volgens Yates een van de geneugten van het nachtwandelen uitmaakt. Geluid draagt ver, en de bron is niet onmiddellijk gegeven, zoals bij zicht. Dat maakt geluid spannend, ruimtelijk. Het is een genot om je gehoor op scherp te stellen. Je wereld wordt er groter van.

Daar moet het dan wel voldoende stil voor zijn, en dat is een probleempje. Akoestisch vuil dringt zich op. Wil je buiten de ruimte horen, dan blijk je verbannen naar de marge. Yates wandelt ‘s nachts. Koos van Zomeren trekt er bij voorkeur op uit als het regent, las ik ooit. Dan blijven andere mensen binnen en is het lekker stil.

Lawaai is ongewenst geluid, en dus per definitie iets om een hekel aan te hebben. En het is nog ongezond ook. (In feite gaat het mij hier om stilte als een manier om in een ander bestaansregister terecht te komen, maar ik haal schade aan de gezondheid er graag even bij, want gezondheidsgevaar is in Nederland hét argument dat indruk maakt). In een rapport uit 2011 noemt de Wereldgezondheidsorganisatie herrie het op één na grootste gevaar voor volksgezondheid (alleen luchtvervuiling is bedreigender). We verliezen in West-Europa volgens een voorzichtige schatting jaarlijks één miljoen gezonde levensjaren vanwege geluidsoverlast. Je valt natuurlijk niet dood van herrie, maar je krijgt er wel stress van, en dat vergroot de kans op hart- en vaatziekten. Die Japanners die ‘stilte gaan baden’ in het bos, shinrin yoku, zijn zo gek nog niet.

Wij hebben onze eigen stiltegebieden, en onze eigen Gezondheidsraad wijst op het belang ervan. Maar luister even naar de machteloze definitie van een stiltegebied: dat is een gebied dat ‘zo stil mogelijk’ wordt gehouden. Het streven is dat geluid er nooit luider klinkt dan 40 decibel. Geluiden die nodig zijn om het gebied in stand te houden, zoals die van trekkers, melkmachines of kettingzagen (in een bos), mogen dus wel. Het is de taak van provincies om de stilte te beschermen, en hoe ze dat precies doen, mogen ze zelf weten. “Uit onderzoek van de Randstedelijke Rekenkamer naar de staat van stiltegebieden in vier provincies in 2016, bleek de stilte in veel gevallen nauwelijks beschermd”, schreef Katja Keuchenius dit voorjaar in Down to Earth. Provinciebestuurders geven beteuterd toe dat het handhaven van stilte weinig prioriteit krijgt. Recreanten weten trouwens vaak niet eens dat ze in een stiltegebied aan het kakelen zijn, want de bordjes ‘stiltegebied’ zijn populair in kroegen en studentenhuizen en worden dus vaak gejat.

In 1958 introduceerde de liberale filosoof Isaiah Berlin het idee van ‘negatieve vrijheid’, ofwel de vrijheid om met rust gelaten te worden. Door de staat, bedoelde Berlin vooral. Door andere mensen, voeg ik daar aan toe. Ik wil het niet horen: de motorclub die brullend over de dijk toert, de railcateraar die de stiltecoupé binnenvalt en monter gaat opsommen wat er allemaal te koop is, de dames van de Rode Hoeden Club die in het museum uitgelaten een schilderij bespreken, de babbel van de jongen die op me afspringt met de vraag of ik misschien een gratis krantje wil. Nee! Sluit me niet op in jullie lawaai!

Negatieve vrijheid is een mooi en bruikbaar idee. Maar hoe verdedig je de afwezigheid van lawaai? Hoe vraag je mensen om een ruimte te respecteren die ze kennelijk zelf niet ervaren? Dat zei Berlin er niet bij.

Schakeldier naar een vreemde wereld

Ik snap het wel, die consternatie over robots, maar ik word er ook een beetje moe van. Opeens moeten we ons kennelijk ethische vragen gaan stellen over hoe we intelligente machines behandelen, omdat het moeilijk zou zijn om precies te zeggen waarin ze van ons verschillen. De Britse schrijver Ian McEwan, die na publicatie van zijn nieuwe roman Machines zoals ik overal zijn zegje doet over robots, vindt dat ‘iets’ met bewustzijn ook aanspraak kan maken op mensenrechten. Voor robots is het daarvoor nog te vroeg, oordeelt de romancier. Het ontbreekt hun nog aan twee belangrijke menselijke eigenschappen: empathie en wraakgevoelens.

En dieren dan?’, denk ik. Bepaalde dieren slagen met gemak voor de kwalificatietest van McEwan: ze zijn onmiskenbaar intelligent en bovendien gevoelig genoeg om medelijden en wrok te kunnen tonen. Dat geldt voor mensapen, maar ook voor olifanten en wolven en voor wie weet welke diersoorten nog meer. Ik ervaar de heisa over een fatsoenlijke omgang met robots als een stofwolk die wordt opgetrokken om een andere, veel minder vrijblijvende en veel relevantere morele vraag aan het zicht te onttrekken: waarom denken we Dieren zoals wij te kunnen behandelen zoals we doen?

Van jongs af aan zijn we omringd door nepdieren in rare kleuren. We leggen beren en bunny’s bij baby’s in bed. Peutervoorleesboeken projecteren prille emoties bijna altijd op dieren. Donald Duck laat de kindertjes wennen aan de dwaasheid van het bestaan. Echte knuffeldieren halen we ook in huis. Maar ook al kloppen hun hartjes en ook al moeten ze worden verzorgd, ze zijn eerst en vooral een projectiescherm voor onze behoeften en fantasieën. Levend speelgoed, volkomen ingelijfd in de menselijke orde.

Vroeger gingen we anders met de dieren om, stelt John Berger, de Britse schrijver en kunstkenner die zo prachtig heeft geschreven over de teloorgang van het dorpsleven in de Franse Alpen. In een laat essay, Opening a gate, beschrijft hij de vleeshaken aan het plafond in zijn schrijfkamer aldaar. Het slachten van dieren was nooit ver weg, de worsten droogden aan de lucht. Stukken vlees van dieren wiens adem je ‘s nachts naast je had gehoord. Je was intiem met dieren, maar zonder hen als een verlengstuk van jezelf te zien. Dankzij dieren wist je juist dat jouw orde niet de enige was. Dieren lieten je merken dat sommige verschijnselen in de wereld niet bestemd zijn voor jouw zintuigen.

Honden kunnen die poort naar een andere belevingswereld voor ons openen, aldus nog steeds Berger. ‘Hun ogen, wiens boodschap ons vaak verwart omdat die dringend is en stom, zijn afgestemd op zowel de menselijke orde als op andere zichtbare ordes.’ Honden willen niet alleen iets van ons, maar ook iets met ons. Zij zijn het schakeldier.

Ik meen te begrijpen wat Berger bedoelt, want ik heb een hondje. En hoewel mijn Fien bijna niets wilds meer heeft, verleidt zij mij dagelijks om te kijken naar het niet-menselijke in het stadspark waar ik met haar wandel. Zij staat stil bij dingen waar ik geen weet van heb. En steeds weer vergeeft ze me mijn absurde onverschilligheid. Ze blijft me uitnodigen om het andere te ervaren.

Wat dieren betreft zijn we flink in de war. We hebben moeite om ze goed in focus te krijgen. De manier waarop we onze huisdieren vertroetelen en verkindsen wijst op teveel gelijkschakeling; we zien niet onder ogen hoe vreemd deze dieren ons ook zijn. En van onze productiedieren zien we juist niet graag hoezeer ze op ons lijken. De bulk van de grote dieren op aarde is inmiddels getemd en geteeld en woont in stallen en schuren; slaafdieren die wachten op de slacht. En de nog resterende grote wilde dieren van de wereld eten wij in rap tempo op, zo viel onlangs te lezen in deze krant.

Onze miskenning van dieren maakt dat we de meest prangende ethische vragen niet stellen over wat wij hen laten ervaren. En daarmee gaat ook voor ons iets belangrijks verloren. Gedachteloos maken we hun orde kapot. Waar wij het vroeger samen met de dieren moesten zien te rooien in een vreemde wereld, moeten de dieren nu overleven in onze wereld. Mijn hondje kan mij nauwelijks meer uitnodigen om het andere te zien. Ik vind dat onuitsprekelijk droevig.

Stuntelen

‘Ik stuntel dus ik ben’, was dit jaar het motto van de Maand van de Filosofie – en wat een heerlijk onderwerp om over te peinzen! Stuntelen is weliswaar al een tijdje hot, maar dan in de ‘kijk mij nu eens gek doen’-variant van de wittewijnbrigade. Dat soort Bridget-Jones-achtig stuntelen verklaart zichzelf bij voorbaat ongevaarlijk: in het beste geval amusant, in ieder geval oninteressant. Serieus stuntelen daarentegen betreft het in de bek kijken van onze eigen onvolkomen, tastende natuur. Serieus stuntelen is het leven – jouw leven – durven zien als een probeersel, om dan te midden van alle overduidelijke tekortkomingen in en om je heen toch je bijdrage te leveren en je geluk te vinden. Het is het onvermijdelijke falen aanvaarden zonder de handdoek in de ring te gooien. Het is volwassen zijn.

Wat zou ik graag zien dat onze democratie volwassen werd. En dan bedoel ik niet dat we ons nu eindelijk eens netjes gaan gedragen volgens de spelregels van de representatieve democratie, zoals veel beroepspolitici stiekem hopen. Nee, ik bedoel dat we onder ogen zien dat een perfecte democratie nooit en te nimmer zal bestaan – niet eens kán bestaan. Als we zouden kunnen aanvaarden dat we in feite maar wat aanklungelen in het licht van een democratisch ideaal, dan zouden we ons misschien wat minder vastbijten in woede over het feit dat de huidige democratie onvolmaakt is. Wat zo is. En wat dus altijd zo zal zijn. Niet alleen omdat elke tijd zijn ijdele, benepen, corrupte politici kent. Maar vooral omdat zelfs de meest bevlogen en integere politici – de besten onder ons – ook maar wat proberen.

Volwassenheid hangt voor mij samen met basale aannames over de aard van de wereld. Plaats je onze oorsprong in de oersoep, of in een machtige entiteit die de boel onder controle heeft? Oersoepdenkers zien het hele leven als hoger geklungel. Ons bestaan danken we aan toevallige combinaties en mutaties die in de loop van heel veel tijd uitgroeiden tot ons: een levensvorm met gedachten, emoties en intenties. Het is nog een hele klus om dat proces te begrijpen, maar duidelijk is wel dat wij mensen nergens naar toe bewegen. Er is geen beoogde orde die we moeten bereiken. We zijn er, dat is alles.

Hoe anders ervaar je de wereld als je gelooft dat jouw bestaan een uitvloeisel is van een of ander plan van hogerhand! Als er dan iets niet lekker loopt in je leven, hoef je het niet te wijten aan toeval, of geklungel van jezelf en je sukkelige evenknieën, maar kun je de schuld geven aan een ontaard of oneerlijk ontwerp. Zo’n in wezen infantiele kijk op de wereld voedt verongelijkte gevoelens. Je acht je tekortgedaan door iets of iemand. Om te beginnen door papa of mama natuurlijk. En als je niet gaandeweg leert leven met het menselijk tekort, blijf je teleurstellingen volgens dezelfde logica wijten aan ‘de politiek’, de diepe staat, of een heel gemene gedegenereerde engel. Complotdenkers kunnen simpelweg geen afscheid nemen van het idee van almacht. Ze hebben psychologisch behoefte aan de fantasie van een meesterhand. Ze willen zich beroofd voelen van een of andere volmaakte toestand die hun deel had moeten zijn. Het idee van een boosdoener vinden ze kennelijk beter te verdragen dan het idee van radicale openheid.

Ergens in de achttiende eeuw werd de moderne democratie in de steigers gezet. Een clubje mannen dat zich met geen mogelijkheid een voorstelling had kunnen (of willen) maken van de meervoudigheid en meerstemmigheid van onze huidige wereld, bedacht dat ‘het volk’ voortaan zichzelf zou gaan regeren. Dat clubje formuleerde enkele organisatieprincipes, zoals een strikte scheiding tussen rechters en regeerders, het cyclisch openbreken van de macht via verkiezingen, de stelregel dat deskundige ambtenaren zich onderschikken aan de politieke baas van het moment. Verdomd goede principes – en tegelijkertijd ook maar bedenksels waar we sinds die tijd mee verder klungelen. Het hele idee van democratie draagt zijn praktische tekortkomingen van meet af aan in zich, en van die tekortkomingen kun je als burger flink last hebben. Maar zie alsjeblieft ook hoe al dat geklungel in het licht staat van idealen zoals redelijkheid, gelijkheid en een open dialoog. En wat voor een prestatie het eigenlijk is dat dergelijk geklungel zomaar uit de oersoep is voortgekomen.

De wolf die terugkomt

Wolvin GW998f heeft het wolvenplan in werking gesteld. Door langer dan een half jaar op de Veluwe rond te lopen, is ze per definitie veranderd van een passant in een bewoner waartegen boeren geacht worden hun schaapjes te beschermen. Er schijnt inmiddels ook een mannelijke wolf om haar heen te snuffelen, dus wie weet jaagt er straks voor het eerst in honderdvijftig jaar weer een roedel wolven over de Nederlandse velden.

Beleidsmakers, wetenschappers en lobbygroepen vragen zich bezorgd af wat ons te wachten staat nu we de wolf weer in ons midden toelaten. Want hoewel de nu ronddolende wolven nog geen mens kwaad hebben gedaan, zit de angst voor de wolf er diep in. De wolf is ons wilde dier. Valt zo’n beest wel te beheersen? Anderzijds: moet echt alles in Nederland dan tam zijn? Persoonlijk vind ik dat een verstikkende gedachte.

In Europese sprookjes en mythen staat de wolf vaak voor het geweld in onszelf. Woeste Vikingkrijgers die naar het slagveld trokken, waren gehuld in een wolfsvel, ‘vaak met de kop er nog aan’, zoals Dik van der Meulen schrijft in zijn mooie wolvenboek De kinderen van de nacht. Deze krijgers werden ‘ulfhednar’ genoemd, wat wolfsmantel betekent. Sommigen zeggen dat de wolfsmantel er was om bedeesdere medesoldaten te waarschuwen: dit is het type krijger dat in een roes van geweld het verschil niet meer ziet tussen vriend en vijand, en jou dus zomaar kan aanvallen.

Homo homini lupus, ‘de mens is de mens een wolf’, wist ook Thomas Hobbes. De gewelddadige menselijke inborst maakt de samenleving gevaarlijk. Zonder beteugeling leeft iedereen in angst. De enige oplossing, zo redeneerde Hobbes in de vroege zeventiende eeuw, is dat mannen het uitoefenen van geweld overlaten aan de soeverein, die daar het monopolie op krijgt.

Met name voor jonge mannen blijkt dat een moeilijke opgave. Soms leerden zij grip op zichzelf te krijgen dankzij een soort inwijdingsritueel waarbij ze een tijd ronddoolden in de Europese wouden, gehuld in de pels van een gevilde wolf. Het adagium: zie jezelf onder ogen en kom terug als je je impulsen onder controle hebt. Sommigen kregen dat nooit helemaal voor elkaar en veranderen op gezette tijden weer in een wolf. De mythe van de weerwolf zou hier op geënt kunnen zijn.

De weerwolf heeft naast zijn woede ook zijn lust niet goed in bedwang. Zo verhaalt een Nederlandse sage van een knecht ‘op de achterste boerenhoeve’, die eigenlijk een weerwolf is. De knecht loopt met een meisje op en krijgt de drang om weerwolf te worden. Snel stuurt hij haar weg. Hij geeft het meisje nog wel een zakdoek mee, met de instructie die naar een grote hond te gooien, mocht ze aangevallen worden. En jawel, daar springt een groot woest beest uit de bosjes! Het meisje gooit de zakdoek in zijn snuit en rent naar huis. Daar zit de knecht al, met restjes zakdoek tussen zijn tanden.

Een vrouw in de late Middeleeuwen weet wat ze moet doen als haar man weerwolf wordt. Ze laat hem buiten uitrazen. Als hij weer bij haar aanklopt, reageert ze niet. Want als ze de deur wel opendoet, ziet ze haar man in wolvengedaante, vreet hij haar op, en verdwijnt hij voorgoed in de bossen. Bij de tweede keer kloppen moet ze ook nog niet opendoen; haar man heeft dan nog steeds een wolvenkop. Pas bij de derde keer is hij weer in zijn gewone doen en kan ze hem binnenlaten.

Europa valt gemakkelijk terug op een retoriek waarin mannen in wilde beesten veranderen. Eenmaal beest moeten ze vooral wegblijven (of sneuvelen). Het grote probleem is: wat doe je als ze terugkeren en weer man willen worden? Krijg je ze echt ingevoegd in de orde, of zullen ze gaan weerwolven? Het is precies dit probleem wat de regering heeft met terugkerende IS-strijders. Evenals voor de gewone wolven zijn er al plannen opgesteld en beheersteams ingericht. Maar die nemen de angst niet weg.

De wolvenenergie van jonge mannen krijg je (gelukkig) nooit helemaal ingetoomd. Logisch dat ze angst inboezemen. Wat doe je eraan? Fransiscus van Assisi, die heilige die met de dieren sprak, had een aanpak ik het navolgen waard vind. Tegen de wolf zei hij: ‘Broeder, ik ken uw honger’.

De waarheid en de koe

Het lastige van kennis is dat je er niet onnozel bij kunt blijven. Deels is dit een waarheid als een koe: wetenschap heft per definitie onnozelheid op. Maar er zit ook een ethische kant aan de uitspraak: je kunt het als mens niet maken om je ogen te sluiten voor wat je weet. Doe je dat wel, dan ga je moreel failliet.

Dat failliet dreigt in onze omgang met landbouwhuisdieren. Zolang je dieren oprecht kan zien als een soort machientjes die God heeft ontworpen om jou voedsel, bont en trekkracht te leveren, heb je geen moreel probleem. De zoveelste stalbrand is dan gewoon een vervelend – want duur – bedrijfsongeval. Maar op het moment dat je de evolutietheorie tot je door laat dringen, weet je dat productiedieren een lichaam hebben dat zeer vergelijkbaar is met het onze. We sluiten deze dieren op, buiten ze uit, slachten ze af – en met de kennis van nu staat vrijwel vast dat de dieren daaronder lijden. Wat je daar verder ook voor praktische consequenties aan verbindt, die kennis leidt tot een enorm moreel probleem.

Nog zo’n weetje met morele implicaties: onze leefwijze verandert het klimaat. En diezelfde productiedieren zijn daarbij een cruciale schakel. Gras omzetten in melk en vlees is een heel gedoe waarvoor een koe vier stevige magen nodig heeft en waarbij het beest een hoop methaangas produceert. Opgeteld leveren de scheten en boeren van het Nederlandse vee op dit moment meer broeikasgassen dan de tien megaton die de totale Nederlandse bedrijvigheid volgens de klimaatdoelen in 2050 zou mogen uitstoten. Dus: alleen als het ons lukt om volkomen klimaatneutraal te leven en werken, kunnen onze productiedieren op dezelfde schaal blijven gisten. Je kunt het wegzetten als klimaatdrammen, maar als je dit eenmaal weet, zul je toch echt moeten concluderen dat onze praktijken rond productiedieren onhoudbaar zijn.

De vraag is: op welke veranderingen koers je? Ga je jezelf aanpakken, of de productiedieren? Dat laatste is natuurlijk het meest gerieflijk voor ons. En dus zijn mensen in de sector naarstig op zoek naar koeien die minder scheten laten. Fokken ze zeugen die zo dociel zijn dat ze ook in een piepklein hok lief blijven voor hun biggetjes. Fantaseren ze over het kweken van blinde kippen, want een blinde kip zal haar buurvrouw niet pikken. En overwegen ze om het gen dat sommige koeien hoornloos ter wereld laat komen in het genoom van onze productiekoeien te monteren, zodat boeren hun hoorns niet meer hoeven weg te branden. Kortom: ze buigen de dieren om voor ons comfort. En in al deze voorbeelden zullen de dieren niet meer lijden dan nu, waarschijnlijk zelfs minder. Best slim eigenlijk!

Behalve dat ‘minder slecht’ wat anders is dan ‘goed’. Ik eet vlees en zuivel, en zit daar moreel niet mee in mijn maag. Maar naarmate ik meer weet over de manier waarop wij productiedieren houden, en wat dit betekent voor onze leefomgeving, groeit mijn schaamte bij de huidige praktijk alleen maar. Dit kan gewoon niet. Dit moet anders.

Dat betekent allereerst iets voor boeren. Boeren zijn niet kwaadaardig, maar het standaardverhaal van boeren die werken met dieren – dat ze hun best doen, maar knel zitten – is behoorlijk beroerd. Zodra een agrarisch ondernemer zich voornamelijk als slachtoffer van de omstandigheden gaat zien, heeft hij zijn eigen lot als ondernemer in feite bezegeld.

Ondertussen wordt van mij, als consument van vlees of dierlijke producten, wél ondernemerschap gevraagd, want ik krijg de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven. Ik koop dit, dus ik wil dit. Zeker, ik eet vlees en heb dus iets te verantwoorden. Maar ik kan inmiddels die kreet ‘de macht van de boodschappentas’ niet meer horen. Moet ik, wanneer ik aan de randen van mijn werkdag boodschappen doe – gehaast, bestookt door reclame, en met beperkte portemonnee – de verstandige keuzes maken die de partijen binnen het landbouwsysteem zelf uit de weg gaan? Mooi niet. Die aap mogen de professionals van dat systeem – boeren, maar zeker ook levensmiddelenbedrijven, supermarkten, adviseurs, de Rabobank – zelf op hun schouder houden. Het is tenslotte hun beroep.

De huidige omgang met productiedieren is onhoudbaar. Een modern mens hoort dat te durven weten. Wat daar praktisch uit volgt, moet je vooral zelf bedenken. Maar pak jezelf aan. Niet de dieren.