Hek

Het blijft een geniale titel: Regels voor het mensenpark. Onder die noemer schetst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk hoe de moderne overheid haar bevolking beschouwt als een kudde die zij beheert in een soort ‘mensenpark’. Overheidsbeleid is erop gericht om burgers tam, gezond, goed doorvoed en veilig te houden. Met de beste bedoelingen, daar niet van, en tot tevredenheid van het gros der kudde. Zolang je als burger binnen de omheining blijft en je aan de parkregels houdt, mag je rekenen op een herderlijke overheid. Maar buiten het park is het bar en gevaarlijk. Daar ben je aan jezelf overgeleverd.

Toch zijn er mensen die juist naar buiten verlangen. Een beroemd voorbeeld is Chris McCandless, wiens levensverhaal werd verfilmd in Into the Wild. Deze slimme en levenslustige twintiger besluit een seizoen lang in zijn eentje door te brengen in de woeste natuur van Alaska. Schaars bepakt trekt hij de wildernis in, waar hij bivakkeert in een ontmantelde oude stadsbus. Zijn dagboek rept lyrisch over het ‘zuivere’ leven tussen de besneeuwde bergtoppen, de hoge hemel, de wilde dieren. Maar als hij met het oog op de komende winter weer naar de bewoonde wereld wil, merkt Chris dat hij zichzelf heeft buitengesloten. Het kleine stroompje van de heenweg blijkt door smeltwater te zijn veranderd in een bulderende rivier die met geen mogelijkheid te passeren is. Chris is veroordeeld tot zijn oude bus, waar hij wegkwijnt en sterft. ‘Heb geen medelijden met mij’, schrijft hij in zijn afscheidsbriefje. ‘Ik heb geleefd zoals ik wilde.’

Into the Wild staat bij jongeren al jaren hoog op het lijstje van de beste films aller tijden, en dat lijkt me geen toeval. Voor jongeren is dat mensenpark van ons weinig aantrekkelijk. Zij hebben de parkregels niet bedacht, en worden bovendien nog niet geplaagd door de pijntjes en vermoeienissen die het comfortabele parkleven voor oudere lichamen zo belangrijk maakt. Een beetje drieste jongere voelt zich juist opgesloten door die omheining en waagt de sprong over het hek. Dramatisch gegeven: dan kan dus blijken dat je niet meer terug kunt.

Rond de Oostvaardersplassen voltrekt zich een ander drama rond een hek. Het is immers het hek om het gebied dat ons zo in verwarring brengt over de status van de grote grazers aan de andere kant: zijn ze nu tam of wild? ‘Ze zijn wild’, beweren de voorstanders van de Oostvaardersplassen. Deze mensen willen uit alle macht een plek buiten het mensenpark organiseren – niet zozeer om daar zelf te verblijven, zoals McCandless, maar omdat zij snakken naar het bestaan van leven los van menselijke bemoeienis. Ik denk dat zij namens een stervend hert het volgende afscheidsbriefje zouden schrijven: ‘Lieve mensen, heb geen medelijden met mij, want ik heb een waarachtig leven kunnen leiden in de vrije natuur. Wegkwijnen van de honger hoort daar nu eenmaal bij.’

De burgers die tranen plengen voor de herten zien dat heel anders. Zij zien uitgemergelde dieren op een kaalgevreten vlakte smachten naar het lange gras aan de andere kant van het hek – gras waar ze net niet bij kunnen. Voor deze mensen bestaat er geen buiten. Zij ervaren die kuddes als parkdieren binnen het grotere mensenpark. En voor je dieren moet je als beschaving natuurlijk zorgen! Waar de voorstanders met het optrekken van een hek de wilde dieren in feite willen beschermen tegen ons, zien de tegenstanders het hek als een wreed instrument om hongerende medeschepselen buiten te sluiten.

Ik voel verwarrende parallellen met het drama van de duizenden Hondurezen die via Mexico optrekken naar de Verenigde Staten. Deze mensen willen niets liever dan wonen in een vrediger en veiliger mensenpark dan Honduras momenteel is. Ironisch genoeg stelt president Trump hen juist voor als ‘wilde hordes’ die de Amerikaanse grazige weiden komen kaalvreten. Als Trump erin slaagt om een hek tegen hen op te richten, zullen we een bekend schouwspel beleven: patrouilles van de parkwacht, maar ook mensen die het leed niet aan kunnen zien en de verkommerende Hondurezen vanaf de andere kant van het hek te eten geven. Drama gegarandeerd.

Of je jezelf nu voelt opgesloten of buitengesloten, een hek maakt altijd zichtbaar dat je ergens niet bij kunt. Dat maakt het hek tot een centraal rekwisiet van onze politiek.

Band met de grond

Vermoedelijk maken Nederlandse boeren zich op dit moment vooral druk om de aanhoudende droogte, maar als ik boer was, dan zou ik ook zenuwachtig worden van de Landbouwbrief waaraan minister Carola Schouten deze zomer schrijft. Welke visie op de toekomst van de landbouw Schouten in haar brief ook gaat verwoorden, ze zal onvermijdelijk oproepen tot verandering. Het systeem waaraan het gros van de boeren zich met huid en haar heeft overgeleverd, is simpelweg onhoudbaar geworden.

Ik heb een zwak voor boeren. Niet alleen omdat ik geboren en getogen ben in het boerenlandschap van de Alblasserwaard, de polder met het mooiste licht ter wereld. Ook omdat ik houd van ondernemers die hun lot verbinden aan een concrete plek. Boeren zijn extreem geaard: ze gaan relaties aan met hun grond, met de lokale gemeenschap, met hun eigen traditie. Die diepe band met het land maakt hen in mijn ogen heel wat sympathieker en betrouwbaarder dan het type ondernemer dat zonder enige scrupules verkast zodra er elders meer winst te behalen valt.

Tegelijk is het die band met de grond die landbouwen in Nederland inmiddels zo problematisch maakt. Onze grond is simpelweg te schaars en te duur geworden voor het zakelijke model van de Nederlandse doorsneeboer. Een tijdje liep Nederland voorop in de strategie om tegen steeds lagere kosten steeds meer voedsel te produceren, en konden we op de wereldmarkt concurreren op kostprijs. Maar nu ook andere landen hypermoderne landbouwmethoden hanteren, blijken onze producten opeens relatief duur. In -zeg- Roemenië zijn grond en arbeid goedkoper, de milieueisen minder streng, en de buren klagen minder want ze wonen heel wat verder weg.

De Nederlandse landbouw staat onder druk, en boeren voelen dat. Uit een grote peiling die Trouw onlangs hield, blijkt dat bijna de helft van onze boeren weleens wakker ligt vanwege zorgen om de toekomst. Meer dan tachtig procent van hen zou graag overstappen op een meer natuurvriendelijke methode van boeren, maar ziet daar op eigen kracht geen mogelijkheden toe. Zij hebben hun hele hebben en houden geïnvesteerd in die voor Nederland failliete strategie van kostprijsreductie, al hun relaties en verplichtingen liggen daar, en nu kunnen ze (naar eigen zeggen) het voorbeeld niet volgen van de zes procent boeren die zijn overgeschakeld op een biologische productiewijze. De meeste boeren doen dus iets waar ze zelf niet meer in geloven. Tsja.

Ik denk dat Schouten wel weet dat de Nederlandse landbouw zijn verlies zal moeten nemen – met als interessante politieke vraag waar de rekening precies zal gaan belanden. Boeren zullen ondertussen hun band met de grond moeten herijken. Twee extreme verhalen liggen al klaar. In het ene verhaal knipt de Nederlandse landbouwsector zijn band met de grond min of meer door. De winnaars onder de boeren verhuizen naar het buitenland, waar ze eindeloos kunnen uitbreiden en rationaliseren. Nederland verkoopt ondertussen niet langer landbouwproducten, maar landbouwmethoden: hoogtechnologische kennis om de opbrengst per hectare te vergroten, kassen te rationaliseren, koeien automatisch te melken, varkens en kippen te fokken die niet opstandig zijn en snel spiermassa opbouwen, et cetera. De grond verdwijnt uit beeld.

In het andere verhaal richten boeren zich op de lokale belevingseconomie. Ze bedienen fietsende bejaarden die even komen uitblazen in de theetuin op het boerenerf, en wie weet ook nog wel een pondje kersen, een doosje eieren, een lokaal kaasje kopen. Ze beginnen een camping, laten hun koeien knuffelen, zetten een boerengolfcircuit uit. Allemaal best goed gevonden als je je bedrijf overeind wil houden, maar een serieuze strategie om de positie van de Nederlandse landbouw te herijken zie ik er niet in en het wereldvoedselvraagstuk los je er al helemaal niet mee op.

Wat Schouten nodig heeft, is een nieuwe kijk op de omgang met Nederlandse grond. Wat mij betreft zoekt ze haar heil niet in hoogtechnologische landbouw die zijn voeten niet hier in de delta heeft staan. Maar ik hoop dat ze haar kaarten ook niet zet op boeren die doen alsof we allemaal in een truttig hobbitland willen wonen. Mensen leven door stof uit te wisselen met de grond. Landbouwen is onze basale tovertruc om grond via planten of dieren eetbaar te maken voor mensen. Stel boeren in staat om dat duurzaam voor ons te doen.

Redenen van het hart

Een schot. Een gilletje. En dan: ‘Hij leeft nog!’ Vlak daarna: ‘Meneer, hij ademt nog. Schiet hem alstublieft nog een keer. Alstublieft!’ De camera zoomt in op een neergezegen hert. Op bezwerende toon zegt de medewerker van Staatsbosbeheer: ‘Mevrouw, geloof me, dat heeft geen zin. Dit zijn stuiptrekkingen.’ De vrouw barst in snikken uit.

Vijf jaar geleden vergaapten we ons in de bioscoop nog aan De Nieuwe Wildernis, een natuurfilm over de Oostvaardersplassen. We zagen ochtendmist optrekken, jonge dieren hun eerste wankele stapjes zetten, paarden feeëriek over de velden draven. We genoten van deze beelden van ‘ongerepte wildernis’ in onze eigen polder. Dat zoiets bestond in Nederland!

Een relatief strenge winter later bleek de schoonheid van natuur waar mensen nu eindelijk eens met hun tengels van afblijven zich ook te kunnen manifesteren als het drama van hongerende, lijdende dieren. De Oostvaardersplassen staan beide zienswijzen toe. Welk beeld domineert hangt af van wat je het meeste aan het hart gaat.

Wat is er eerst: een inzicht (waar dan een gevoel uit volgt) of een gevoel (waar dan een inzicht uit volgt)? Tijdens de hoogtijdagen van het rationalisme dachten veel filosofen dat inzicht in waarden en belangen tot passende gevoelens en handelingen zou leiden. Er is echter ook altijd een stroming geweest die zei dat het precies andersom werkt. Eerst voel je iets – en vervolgens ga je voor jezelf uitzoeken welke redenen je daar eigenlijk voor hebt. De Britse filosoof Simon Blackburn stelt dat dit nu zo’n zeldzaam filosofisch probleem is waarbij één groep het gelijk duidelijk aan zijn zijde heeft – en wel de laatste. Als mens reageer je eerst op de wereld om je heen, en dan volgt (soms) het redeneren.

Toen Staatsbosbeheer in 1996 het beheerplan voor de Oostvaardersplassen opstelde, baseerde de dienst zich op het verlangen om ‘natuurlijke ecologische processen maximaal de ruimte te geven’. Dat is een emotie die ik goed kan navoelen. Ja, laat me leven in een land dat ten minste één gebiedje kent waar de natuur haar gang kan gaan! Waar natuur er gewoon is voor zichzelf en niet functioneel hoeft te zijn voor mij – als wandelaar, recreant, agrariër, of wat dan ook. Ik snak naar gebieden buiten de menselijke invloedssfeer. Wereldwijd verdwijnen dergelijke plekken, en dat besef beknelt en doet pijn. Waar je ook kijkt, zie je jezelf gespiegeld. Een claustrofobische ervaring.

Ook de emoties van de actievoerders kan ik trouwens goed navoelen. Zij zien dieren lijden, en voelen de impuls om die dieren te helpen. Wat kan ik zeggen? Je ziet leed en je wilt het verzachten. Dat lijkt me een juiste reactie, die net zo goed verbondenheid uitdrukt met de natuur.

Waar emoties en waarderingen op elkaar botsen, begint het redeneren. Als ik op het spoor zit van verlangen naar een plek waar mensen bijzaak zijn, verdedig ik het schouwspel van de stervende dieren met het argument: ‘Lijden hoort bij de natuur.’ Als ik me richt op die kwijnende dieren, bijt ik mezelf toe: ‘Jij noemt een gebied met een hek eromheen in een door mensen gemaakte polder natuur?’ Tja, die zit. En toch zegt mijn andere ik even later verdrietig: ‘Moet ik het verlangen naar plekken zonder menselijke bemoeienis dan maar helemaal opgeven? Moet echt de hele aarde betrekking hebben op ons? Zo wil ik niet kijken!’

De Oostvaardersplassen zijn politiek geworden. Politiek is onze manier om conflicterende emoties en hun bijbehorende waarden maatschappelijk vorm te geven. Daarbij maakt het weinig uit of die emoties nu rauw tot uitdrukking komen, zoals bij de uitzinnige actievoerders, of meer gepolijst, zoals bij ideologische ecologen. Ik weiger dit conflict te zien als een botsing tussen emotie en ratio. De experts zijn ook emotioneel. Ze hebben alleen andere emoties, die opborrelen uit andere waarden. Emoties die getuigen van een ander inzicht en een andere beleving. En aangezien experts van die waarden hun werk hebben gemaakt, kunnen zij het inzicht dat in hun beleving besloten zit wat beter met feiten en argumenten bekleden. Dat maakt hun inzicht misschien sterker, maar daarmee nog niet waardevoller.

Ik bedoel maar: de politiek kan zich in het geval van de Oostvaardersplassen niet verlaten op feiten. Ze zal een koers moeten kiezen op grond van waarden.

Denken over natuur

Mensen verschillen flink in de manier waarop ze tegen de natuur aankijken. Hoe kunnen die uiteenlopende visies en behoeften een plek krijgen in het Europese natuurbeleid? Met het Planbureau voor de Leefomgeving diep ik die vraag uit.
Ik denk mee over een groot symposium (sprekers: Latour, Mol, Scruton en Schmid), redigeer het bijbehorende rapport en maak verlevendigende portretten van Europeanen die ‘iets hebben’ met natuur.