Mollen

Het gonsde al rond, en zaterdag wisten we het zeker: er zijn dit jaar vier finalisten van Wie is de Mol. Knappe televisie die kijkers zo vurig aan het speculeren krijgt over de betekenis van een dergelijke non-gebeurtenis! Het programma dwingt die betrokkenheid slim af. Je weet dat een van de deelnemers een dubbele agenda heeft, dus speur je naar verdacht gedrag. Maar alle moltalk over ‘aanwijzingen’ ten spijt, kun je daarbij eigenlijk alleen op je intuïtie afgaan. Elke speler zou zich immers expres verdacht kunnen gedragen om andere kandidaten op het verkeerde been te zetten, waardoor zowel een rare fout als een goed uitgevoerde opdracht op meerdere manieren te interpreteren is. Niets hoeft te zijn wat het lijkt. Ook intieme onderonsjes van deelnemers die ‘een bondje’ hebben, zien we alleen maar doordat er een cameraploeg omheen stond en moeten dus deels zijn gepland. Uiteindelijk beslist het productieteam welke aanwijzingen wij voorgeschoteld krijgen.

Wie is de Mol is een spel dat drijft op wantrouwen, dubbele bodems en soms behoorlijk vergezochte ‘aanwijzingen’, die allemaal zin hebben (en leuke televisie opleveren) omdat je weet dat er echt een mol is. Eigenaardiger (en minder leuk) wordt het als mensen diezelfde achterdochtige kijkhouding loslaten op de maatschappij. En dat gebeurt in overvloed. Zo werd direct na de uitbraak van het coronavirus gefluisterd dat de VS het virus hadden uitgezet om China economisch te verzwakken, dan wel dat farmaceutische bedrijven ons moedwillig besmetten om straks te kunnen verdienen aan een vaccin. Wat de mare ook moge zijn, het patroon is hetzelfde: er gaat iets flink mis, dus moet er gemold zijn. En van Wie is de Mol weet je wat dan de ‘slimme’ vraag is: hoe staat het met de pot? Het wereldbeeld van complotdenkers heeft geen ruimte voor blind toeval of botte pech. Als iemand profiteert van een akelige situatie, dan moet die toestand wel de bedoeling zijn van de profiteur.

Volgens de Britse politicoloog David Runciman vervult complotdenken een psychologische behoefte van maatschappelijk losers. Als je in de penarie zit, is het gerieflijker om te denken dat iets of iemand dit op zijn geweten heeft, dan te moeten aanvaarden dat je niet eens belangrijk genoeg bent om kwade bedoelingen mee te hebben. Tegen een vijand (hoe ‘onzichtbaar’ ook) valt bovendien nog eervol te strijden. Tegen desinteresse veel minder. ‘Veel mensen hebben het gevoel dat ze genaaid worden. En als niet duidelijk is wie hen naait, dan moet dat wel komen omdat de daders hun sporen wissen’, verklaart Runciman. Om daar droogjes aan toe te voegen dat onze maatschappij de elite ook echt bevoordeelt, dat veel belangrijke zaken daadwerkelijk achter gesloten deuren worden afgehandeld, en dat belastende sporen vaak genoeg worden gewist door bedrijven of overijverige ambtenaren. Complottheorieën zijn zo hardnekkig omdat ze zich hechten aan een brok van de waarheid.

Toch is achterdocht giftig. Denken in complotten geeft je reden om – met een air van wereldwijsheid – je eigen kwaadaardige gedachten te ventileren. Het maakt dat je onbekenden standaard niet vertrouwt, en dat je er zelfs rekening mee houdt dat je vrienden je zullen laten vallen. Gewiekste kandidaat Miljuschka liet haar maatje Buddy toch ook een paar keer barsten terwijl ze ervoor had kunnen kiezen hem te beschermen? Nou dan. Het is naar, het doet zelfs een beetje pijn, maar je moet uiteindelijk voor jezelf gaan. Want dat is het spel.

Binnen Wie is de Mol is het rationeel om voluit voor eigen gewin te gaan. Maar de kandidaten hebben meer zekerheden dan wij als leden van de samenleving. Zo weten zij dus dat er echt een mol is. En, belangrijker nog, ze weten dat het spel binnenkort tot een einde komt. Onze situatie is radicaal anders. Wij nemen deel aan een matig ontworpen, rommelig ‘spel’ dat nooit ophoudt. En juist dat open einde verandert totaal wat telt als rationeel gedrag. Als Miljuschka niet wist dat het spel snel stopt, zou ze wel zuiniger zijn geweest op haar Buddy.

Mensen die de maatschappij benaderen als een soort mollenspel, ondermijnen de waarde van informatie en werken egoïsme alleen maar verder in de hand. Het alternatief is simpel, en eigenlijk doodeng: democratie vraagt om deelnemers die de moed hebben om elkaar in onzekerheid vertrouwen te schenken.

Griezelig transparant

In het Wassenaarse Museum Voorlinden zijn vijf enorme glazen cilinders van de Amerikaanse kunstenares Roni Horn te zien. De manshoge sculpturen in tere poederkleuren wegen zo’n vijfduizend kilo elk. Daar staan ze, in al hun massieve transparantie. Het lijkt wel alsof ze een spookachtig licht afgeven. Je kunt eromheen lopen en er van bovenaf net op kijken. Maar je krijgt geen vat op ze. Je blik glibbert ervan af.

‘Ik vind die dingen eng’, hoor ik een kind in het museum tegen haar moeder zeggen. En dat kan ik me voorstellen. De sculpturen zijn onontkoombaar, maar ze hebben geen kern. Je ziet één overweldigende klont plasma, zonder te weten wat zich met dit spul voedt. De kunstenares vertelt dat mensen van haar willen weten wat er in die cilinders zit. ‘Niets’, zegt ze dan. En juist dat verontrust de vragers. Horn vindt die reactie interessant. ‘Transparantie is niet zo transparant als je denkt’, concludeert ze.

Zodra er iets misgaat – of het nu een schimmige politieke deal is, een ondoorzichtige factuur, of een schooladvies dat slecht valt – klinkt de boze roep om meer transparantie. Geschrokken managers reageren door de processen die zij beheren nog uitvoeriger te (laten) documenteren. Hun vakmensen zuchten vervolgens onder de enorme administratielast die dit met zich meebrengt. Huisartsen zijn een idioot groot deel van hun tijd kwijt met het bijhouden van dossiers. Docenten worden gek van het feit dat hun beoordelingen soms al door twee collega’s moet worden gecontroleerd. En verzorgenden moeten zo ongeveer per vijf minuten registreren wat ze aan het doen zijn.

Transparantie is een bureaucratische deugd. Ik bedoel dit niet ironisch – het is echt een deugd. Als processen niet toegankelijk worden gemaakt, kan een samenleving ook niet garanderen dat mensen in gelijke situaties gelijk behandeld worden. Dat democratisch grondprincipe mag wat mij betreft wel wat werktijd kosten. Maar daarmee ben je er nog niet. Willen al die dossiers, notulen en Excelsheets betekenisvol zijn, dan moeten die je ook enige grip bieden. Als niet duidelijk is welk doel die administratie dient, maakt informatie je alleen maar murw.

De schrille roep om transparantie begrijpt zichzelf niet goed. Waar we volgens mij naar verlangen, is niet zozeer transparantie, als wel leesbaarheid. Dat woord leen ik uit De nieuwe politiek van Europa, het flitsende boek van politiek filosoof Luuk van Middelaar over het reilen en zeilen van de Europese Unie. Over de Europese bureaucreatie wordt zoals bekend enorm geklaagd en ook hier zou meer transparantie de remedie zijn. Maar Van Middelaar merkt op dat er wat dat betreft eigenlijk niet veel op de Unie aan te merken valt. Procedures zijn uitvoerig geboekstaafd, vergaderingen nauwkeurig genotuleerd, en wie tijd en geld heeft kan het allemaal vinden. Maar dat haalt het onbehagen niet weg. ‘Zicht op een kluwen spelers helpt niet te bepalen wie van hen verantwoordelijk is’, merkt Van Middelaar op. En daar draait het natuurlijk om: wie kan je aanspreken, en waarop, en op basis van welke principes? Je kunt bakken met informatie over je uitgestort krijgen zonder dat dit ook maar enigszins duidelijk wordt. Transparantie en ongrijpbaarheid kunnen heel goed samengaan.

Transparantie is een deugd die niets voorstelt als zij niet gepaard gaat met leiderschapskwaliteiten zoals richting geven, durven zeggen wat relevant is (en vooral ook wat niet), en daarop aanspreekbaar zijn. Waar dat niet gebeurt, waar bestuurders alle details bij je dumpen omdat ze het zelf niet aandurven om te ordenen en te schiften en zo te tonen waar ze voor staan, daar zal de bureaucratie zich doldraaien. Zo’n onleesbare situatie zal leiden tot een luide, maar ongerichte roep om transparantie. Karakterloze bestuurders zullen daarop reageren door steeds meer bureaucratie te organiseren. De informatie die dit oplevert, zetten zij wellicht op de website – ‘Kijk ons eens transparant zijn!’ – maar als daar geen leeswijzer bij komt, krijgen de ontevredenen nog steeds geen grip op wat er gebeurt. Zij zullen hun frustratie vertalen in een nog sterkere roep om transparantie. Enzovoort.

Een maatschappij die de eigen behoefte achter een buzzzword zo verkeerd begrijpt, roept onbedoeld een transparante moloch zonder enige pit of kern in het leven. Een groot griezelig ding dat flink in de weg staat in de publieke ruimte. Dus weet waar je om vraagt.

Het oog van het volk

De jonge Amerikaanse politiek filosoof Jeffrey Green heeft bijtende kritiek op de grondslagen van ons democratische systeem. Dat systeem is losgezongen van het volk, stelt hij. Voor het ministerie van Binnenlandse Zaken schrijf ik een essay over Greens kritiek en de oplossingsrichting die hij voorstelt, en snijd die toe op de Nederlandse situatie. “Het oog van het volk” verder lezen

Op zoek naar een schaal die vertrouwen wekt

In het voorjaar van 2012 schrijf ik in opdracht van het InnovatieNetwerk een essay. Onderzoeksvraag: wat is de relatie tussen schaal en vertrouwen in de intensieve veehouderij? Om tot een antwoord te komen lees en denk ik, en ondervraag ik een aantal mensen met interessante ervaringen. Zij wisselen ook met elkaar van gedachten onder mijn leiding. Het schrijf- en denkwerk neemt een paar maanden in beslag.

“Op zoek naar een schaal die vertrouwen wekt” verder lezen