Zie mijn woede

In de hal van het Gare du Nord zit een frisse jonge man achter een tafeltje. Naast het tafeltje een banier dat rept van een ‘nationaal debat’. Erop wat papieren, die ik in mijn haast om Parijs in te komen niet inkijk. Er gebeurt verder niets rond de tafel: er staan geen mensen, er is geen beweging. Hier komt dat nationale debat in ieder geval niet van de grond.

President Macron proclameerde een grand débat national als reactie op briesende menigten gekleed in gele hesjes die zich nu al maanden in Frankrijk roeren. Mijn man ziet zijn actie als een slimme tactiek. ‘Je zegt: “Mensen, we hebben geen oorlog, we hebben een debat.” Zo demonteer je de granaat. Momentum voorbij, president kan blijven zitten’, zegt hij. Ik zie wat hij bedoelt. Tegelijkertijd denk ik: wat moet Macron dan? Wat zit er anders op dan praten (en luisteren)? Hoe moet je anders reageren op al die woede?

Onder filosofen heeft woede een slechte pers. Het enige dat er misschien goed aan is, is dat woede aangeeft dat je waarden hebt, zei Aristoteles al. Je wordt immers kwaad als iets dat jij waardeert schade ondervindt. Aristoteles benoemde nog twee condities om van woede te kunnen spreken: je moet geloven dat die schade iemand te verwijten valt, én je moet verlangen naar een soort compensatie of vergelding. En daar, zodra het gaat over vergelding, beginnen de meeste filosofen met hun hoofd te schudden. Niet wijs! Beter is het om adem te halen, je ogen op de toekomst te richten, en te komen met constructieve voorstellen die recht doen aan jouw gekrenkte waarden.

Verstandige woorden van de zelfbenoemde denkelite. Maar het maken – en verwoorden – van constructieve voorstellen veronderstelt een inspanning waarvan ik me soms afvraag of de moderne boze burger die kan leveren. Het vraagt dat je je woede omzet in een taal die je niet ervaart als de jouwe, de taal van ‘hullie daar in Parijs’ (of Den Haag). Je staat hoe dan ook bij voorbaat al op achterstand, omdat de bestuurlijke elite veel geoefender is in het werken met woorden dan jij. Wat de frustratie en woede alleen maar verdiept.

Zo althans analyseert de jonge Franse intellectueel Édouard Louis de woede van de gele hesjes. ‘De upper class veroordeelt woede, maar dat is wel heel gemakkelijk. Ze heeft er geen behoefte aan omdat ze macht heeft’, zei hij in Filosofie Magazine van vorige maand. Zelf werd Louis overigens gillend gek in het bekrompen Noord-Franse arbeidersmilieu waar hij als homoseksuele jongen opgroeide. Zodra het kon, vluchtte hij naar Parijs. Maar nu snapt hij zijn milieu, en neemt hij het ridderlijk voor ze op.

Ik denk dat er veel waarheid schuilt in deze kritiek op de politieke overleg-elite. Maar ik vind het ook wat laf om ten overstaan van woede gelijk door de knieën te gaan. Dan wordt de filosoof in mij toch weer wakker. Woede is een teken dat er waarden gekrenkt zijn, en daarom verdient ze onderzoek. Maar als het blijft bij lekker woedend blijven, schiet het allemaal niet op. Onze democratie draait nu eenmaal op woorden. Zo bereik je elkaar in een gemeenschap van halve vreemden.

Goed gebruik van woorden vereist inspanning. De politieke elite heeft onmiskenbaar een voorsprong als het op het hanteren van woorden aankomt, en in die voorsprong schuilt ontegenzeggelijk iets onrechtvaardigs. Maar om toe te treden tot de elite, hebben zelfs zij zich moeten inspannen. Ook zij hebben moeten leren om hun woorden te verdiepen en te verbeteren. Dat valt evenmin te ontkennen.

De gele hesjes lijken die inspanning om te zoeken naar de juiste woorden niet te leveren. Integendeel, ze zijn militant anti-politiek, zoals James McAuley zegt in de New York Review of Books. Ze willen niet in debat. Hun opstand is eerst en vooral een performance. Ze willen gezien worden – vandaar ook dat symbool van het gele hesje.

Soms is zo’n performance nodig. Kennelijk voelde Macron de smeulende woede eerder niet aan, en dat valt hem te verwijten. Maar ik zie niet wat hij als politiek leider nu anders kan dan zeggen: ‘Et alors? Wat zou je willen afbreken? En vooral: wat zou je weer willen opbouwen? Praat met me!’ Als je niet praat, is verongelijktheid je lot.

Incasseren

Morgen zal Theresa May voor de zoveelste keer tussen de loeiende partijen staan. Het Britse parlement stemt dan over plan B, een cosmetische variant op haar plan A dat het parlement eerder met een overweldigende meerderheid afserveerde. Ik heb geen idee wat de dag zal brengen, maar durf wel te voorspellen dat May weer veel zal moeten incasseren – en dat ze dat zal doen ook. Als één ding opvalt aan May, dan is het wel dat ze nauwelijks succes boekt en desondanks van geen wijken wil weten.

Maakt die onverzettelijkheid haar tot een goede politica? Predikant Joost Röselaers vindt duidelijk van wel. Vorige week kreeg hij in NRC Handelsblad ruim baan om de lof van May te bezingen. Röselaers typeerde haar als ‘koelbloedig, scherp en overtuigd’. Haar politieke pad presenteerde hij als ‘een lijdensweg, die zij alleen moet gaan en waarin zij slechts is aangewezen op haar innerlijk weten.’

De vooraanstaande Britse politicoloog Sir Anthony Seldon oordeelt totaal anders over May. ‘Je moet haar uit 10 Downing Street trekken, met stiletto’s die scheuren over het tapijt’, zei hij op de BBC. Seldon vertelde dat Britse vrouwen altijd zo lang mogelijk aan de macht willen blijven. ‘Bij May speelt bovendien een enorme ambitie mee’, wist hij. ‘Dit is haar leven, ze heeft geen kinderen, geen sociaal leven.’

Wat moet je hier nu mee. Seldon verdrinkt in zijn eigen seksisme – en als hij ooit wordt opgedregd zal ik geen moeite doen om hem te reanimeren. Dominee Röselaers presenteert May als een soort hedendaagse messias. Nu lijkt het er inderdaad op dat May beschikt over het benodigde masochisme om een lijdensweg te doorlopen, maar Röselaers negeert dat het haar juist schreeuwend ontbreekt aan het voor een messias toch evengoed benodigde charisma. En welke overtuiging dicht hij May eigenlijk toe? Je zou het bijna vergeten, maar May was oorspronkelijk tegen de Brexit. Is het meest mysterieuze aan May juist niet dat ze al die klappen incasseert om een doel te bereiken waar ze zelf niet eens achterstaat?

Zelf zie ik May als een bezetene, gehackt door de Brexit. Al maanden wordt haar energie afgetapt om een idee dat haar wezensvreemd was zo competent mogelijk uit te voeren. We kennen dat soort personages uit horrorfilms. Ze zijn door niets meer te kwetsen, want ze zijn toch hun ziel al kwijt. En juist dat maakt ze zo onverstoorbaar, zo standvastig. Zo koel. Zo doodeng.

De mens May wordt ongetwijfeld onrecht aangedaan met dit gepsychologiseer door Seldon, Röselaers en mijzelf. Toch zal de politicus May zich dit moeten laten welgevallen. Leiders krijgen enorm veel macht in handen. Zij moeten namens ons zware beslissingen gaan nemen, ook in een crisis – dus in situaties die wij (en zij) niet voorzien. We moeten er feitelijk maar op hopen dat die macht hen ook dan is toevertrouwd. Dat valt niet te beoordelen op grond van partijprogramma’s. Dat kunnen we alleen enigszins inschatten op basis van de persoonlijkheid van de leider. We zouden dus wel gek zijn om niet te speculeren over het karakter van de leider die we in het zadel helpen.

May heeft overduidelijk managementkwaliteiten. Ze voert de haar toebedeelde taak kalm, volhardend en loyaal uit. Waarschijnlijk heeft haar standvastigheid de Tories behoed voor een scheuring, en als ze een bedrijf zou leiden, zou ze vast wel in aanmerking komen voor een royale bonus. Maar ze leidt geen bedrijf, en ze kan niet ten rade gaan bij een raad van bestuur die de lijnen uitzet. Ze leidt een partij, en zelfs een land. Dan heb je meer nodig dan volharding alleen. Dan komt het ook aan op bezieling en innerlijke overtuiging.

Verstandige woorden en procedurele kwaliteiten zijn niet genoeg in de politiek. Burgers moeten hun leiders ook kunnen voelen om ze te kunnen vertrouwen. Het is belangrijk om te weten met wat voor soort persoonlijkheid je van doen hebt. Bij veel wereldleiders voel ik gelijk iets: Merkel gloeit, Macron blikkert, Trump walmt. Dit zijn natuurlijk maar mijn gevoelens. Ze zijn de waarheid niet en worden pas interessant in een debat waarin je ze verder onderzoekt en articuleert. Maar elke beoordeling van politieke leiders bouwt voort op het gevoel dat zo’n leider oproept. Gevoel is het begin van waardering. En bij May voel ik niets.

Rijke emoties

‘Kunt u de bovenste regel lezen?’, zegt de opticien. ‘B, o, k, s, q’, prevel ik braaf. Mijn lenzen blijken nog keurig op sterkte. Daarop vraagt hij of ik al heb nagedacht over het aanbod om een afspraak te maken voor een controle op oogziektes. ‘Je kunt er maar beter vroeg bij zijn, want dan is zo’n ziekte vaak nog te remmen. En blind willen we niet worden, toch?’, glimlacht hij. Daarmee heeft hij me te pakken. Blind worden is mijn diepe angst. Tegelijk wil ik niet dat deze gelikte winkelketen een slaatje uit me slaat door me weer een nieuwe routine van controles aan te smeren. Ik mompel dat ik erover zal nadenken en verlaat verontrust de winkel.

Het is een grondregel van marketeers, leerde ik ooit tijdens een workshop Hoe maak ik een effectieve website: speel in op het ‘reptielenbrein’. Dat wil zeggen: jaag mensen eerst angst aan, om ze vervolgens een oplossing te bieden die ze bij jou kunnen kopen. Op mijn gesputter dat ik dit een nare benadering van mijn medemens vond, antwoordde de workshopleider schouderophalend: ‘Het werkt.’

Ja, natuurlijk werkt het om me bang, hitsig of kwaad te maken; ik ben een mens en reageer op sterke impulsen. Maar dat betekent niet dat ik het fijn vind om steeds met een gevoel van agitatie of alarm rond te lopen. Waarom denken verkopers mij eigenlijk zo’n emotie op te mogen dringen? Waarom moet ik constant op mijn hoede zijn voor dergelijke slinkse methoden? Wat mij betreft mag de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen zich ook uitstrekken tot dit soort amorele praktijken.

Het is al haast een cliché om te zeggen dat emoties ook de politiek hebben overgenomen. Meestal word je geacht daar zorgelijk bij te kijken, maar dat is niet mijn lijn. Emoties hebben wat mij betreft hun plaats in het publieke domein; ze wijzen op betrokkenheid, op het feit dat wij elkaar niet koud laten. Emoties zijn ook niet per se de herauten van het eigenbelang. Ze kunnen heel goed genereus zijn, zoals die impuls om de in Nederland gewortelde Armeense kinderen Lili en Howick te redden.

Onder filosofen is het al een aantal decennia hip om de rationaliteit van emoties onder de loep te nemen. Emoties bevatten tal van gedachten en inschattingen, is inmiddels de idee. Zij zijn in feite oordelen over de situatie waarin je je bevindt, gekoppeld aan jouw belang. Angst wijst erop dat je in gevaar bent, verontwaardiging dat iemand over jouw waarden heen dendert – dat soort redeneringen. Interessant, want als emoties niet meer lijnrecht tegenover de ratio staan, komt er dus in principe ruimte voor het onderscheiden van emoties waarin weinig of veel ratio is verwerkt.

Marketeers en populisten spelen graag in op weinig verfijnde emoties, zoals angst, in de hoop dat jij nú dat contract tekent, nú op die partij stemt. Daarmee ondermijnen deze types de inspanning van opvoeders. Als ouder probeer je je kind te laten nadenken over haar gevoelens, opdat die ruimer worden en meer van de wereld kunnen omhelzen. In feite is opvoeden een poging om emoties te cultiveren, om je kind te trainen in het vertonen van emoties waarin meer belangen zijn verwerkt – zowel die van haarzelf als die van anderen. In de hoop dat die meer bedachtzame emoties op den duur gebruikelijker worden. Ook voelen is een kwestie van oefenen.

Bedachtzaam voelen betekent dat je Lili en Howick nog steeds hun verblijfsvergunning gunt, maar ook de gevoelens van afgewezen vluchtelingen in een vergelijkbare situatie in ogenschouw neemt, en die van de ambtenaren die de vluchtelingenwet moeten toepassen. Een dergelijke verbreding van je waardering is geen kil, bloedeloos, rationeel proces waarbij je steeds verder afraakt van je warm kloppende, menselijke hart (mensen die dat denken gaan in feite nog steeds uit van die achterhaalde, absolute tegenstelling tussen ratio en emoties). Breed voelen is denken vanuit emoties. Zo leer je langzamerhand rijker te reageren. Daarin zit je ware menselijkheid. Zo kan je jezelf echt vernieuwen.

Ik vind het geen probleem dat politici mij aanspreken op emoties – graag zelfs. Maar laat het dan zijn op rijke emoties, zoals zorgzaamheid, vrijheidsdrang en rechtvaardigheidsgevoel. En niet op de primitieve emoties die mijn moeder mij juist probeerde af te leren.

 

Beslissen

Het zal wel liggen aan mijn gebrek aan voetbalvuur, maar het interessantste van het hele wereldkampioenschap voetbal vind ik de introductie van de Virtual Assistent Referee (VAR). In een afgesloten ruimte, omringd door een batterij aan technologie, screent de videoscheidsrechter de wedstrijd. Zodra de veldscheidsrechter een twijfelachtige beslissing neemt rond een cruciale spelsituatie meldt de videoscheidsrechter dat in het oortje van de veldscheidsrechter. Die kan vervolgens de wedstrijd stilleggen, zich laten informeren door de beelden, en eventueel zijn beslissing terugdraaien. Hij kan de videoscheidsrechter echter ook negeren.

De komst van de videoscheids dwingt de veldscheids dus tot een metabeslissing. Wat acht hij belangrijker: het spel bevriezen en uitpuzzelen wat zich precies heeft voltrokken? Of laten doorspelen? Die inschatting zal deels een kwestie van smaak zijn. Het karakter van de veldscheidsrechter is door geen enkele technologie helemaal te neutraliseren.

Nu zou ik iets kunnen zeggen over het uitbesteden van beslissingen aan technologie, over onze onrealistische verwachtingen daaromtrent, enzovoort. Maar wat me hier interesseert is de functie van een beslissing in een verhitte situatie – of die situatie zich nu voordoet op het voetbalveld, in de politiek, of in huiselijke kring. Zo’n beslissing moet vaak meerdere dingen tegelijk doen. Je wilt natuurlijk dat de beslissing juist en terecht is, zodat we allemaal weer weten waar we aan toe zijn. Beslissen dient dan de goede orde. Maar een beslissing is ook een markering in de tijd. In een situatie die diepe emoties oproept, die verontrust, waar belangen botsen, moet een knoop doorgehakt worden, opdat zowel de winnaars als de verliezers verder kunnen. Met abstracte begrippen als rechtvaardigheid en orde heeft dat niet zoveel te maken. Hier gaat het veeleer om stromen.

Sommige beslissingen zijn evident onrechtvaardig, en een correctie op grond van betere informatie of nieuwe inzichten is dan heilzaam. Maar stilleggen heeft zijn prijs. Al te grote precisie, streven naar de perfecte beslissing, gaat ten koste van levendigheid. Een voetbalfan wil eerst en vooral de roes, de opwinding, de vloeiende schoonheid van het spel ervaren. Precies dat wordt ondermijnd als je moet wachten met juichen (of balen) totdat de scheidsrechter de videobeelden heeft bekeken, zoals Tonie Mudde en Lennart Bloemhof afgelopen vrijdag in een mooi stuk in deze krant opmerkten.

Moeten wachten. Susan Khani wacht op de executie van de moordenaar van haar moeder. De staat Arkansas heeft hem ter dood veroordeeld, maar de rechters zijn met elkaar in strijd over de rechtmatigheid van de vorm van executeren. Gevolg: al 25 jaar lang leeft Susan in een zone waar een beslissing niet wordt uitgevoerd. In de documentaireserie Life and Death Row, die de VPRO op dit moment uitzendt, is te zien hoe dit haar totaal verkrampt. ‘Doe het nu maar, dan kan ik het afsluiten. Dat zal me rust brengen’, zegt ze. Ik denk dat geen enkele gebeurtenis in de buitenwereld deze Susan de verlossing gaat brengen waar ze op hoopt, zeker niet de dood van een ander. Maar ik kan me wel iets voorstellen bij haar gevoel dat ze haar leven niet kan hervatten. Er gebeurt maar steeds niets. Ze kan niet uitademen.

Een beslissing kan ook een politieke impasse doorbreken. In 2000 waren Al Gore en George Bush verwikkeld in een nek-aan-nekrace om het Amerikaanse presidentschap. De uitgebrachte stemmen in Florida zouden de doorslag geven. Bush won daar met 537 stemmen; een marge dermate futiel dat er direct controverse ontstond over de manier van tellen. Op nogal wat ongeldig verklaarde biljetten hadden kiezers bijvoorbeeld zowel het vakje bij Gore ingeponst als zijn naam op het biljet geschreven, waardoor er geen misverstand kon bestaan over hun bedoeling. Moesten die stemmen dan niet toch meegewogen worden? Er dreigden eindeloze discussies waarbij steeds meer feiten en gezichtspunten zouden worden ingebracht. Uiteindelijk smoorde een rechter de discussies door Bush tot winnaar uit te roepen.

En dat is goed, aldus politiek wetenschapper Daniel Sarewitz, aan wie ik dit voorbeeld ontleen. Soms moet er een knoop doorgehakt worden, ook al vind je de beslissing persoonlijk moeilijk te verkroppen, ook al blijft er een zweem van willekeur omheen hangen. Een beslissing is er namelijk ook om een ‘ervoor en erna’ te creëren. Om dóór te kunnen gaan met het leven. Juist als je iets verloren hebt.

Gefopt

Boris Johnson, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, legt de telefoon neer. Hij heeft zojuist gebeld met de nieuwe Armeense interim-president Nikol Pasjinian om hem te feliciteren met zijn benoeming, en probeert nu nerveus na te gaan wat hij ook alweer heeft gezegd. Pasjinian had hem gevraagd hoe zeker hij ervan was dat de aanslag op Britse bodem op dubbelspion Skripal en zijn dochter het werk was van de Russen. ‘Daar zijn we bijna honderd procent zeker van’, had hij hem toevertrouwd. ‘Ik hoop dat Poetin mij niet vergiftigt met zenuwgas’, zei de Armeense president toen, waarop hij, Boris, een hol lachje had laten horen.

Wanneer begon het Boris Johnson precies te dagen dat hij met een nep-president aan de lijn hing? Dat vermeldt the Guardian niet. Maar zeker is volgens de Britse krant wel dat Johnson half mei heeft gebeld met twee Russische mannen, Lexus en Vovan (artiestennamen), die de geluidsopname van het gesprek naderhand openbaar maakten. Geintje! Johnson – die zelf toch niet helemaal voor niets vaak een ‘clown’ wordt genoemd – verklaarde achteraf stijfjes dat de bellers geen grappen hadden mogen maken over zulke serieuze zaken. Johnson zette het gesprek dus snel weg als een grap. Maar als het al een grap was, dan geen onschuldige. Op het moment van bellen schatte Johnson de waarheid van zijn situatie niet goed in, en dat is nogal link als je zoveel macht hebt als een minister.

Politici hebben een ongemakkelijke verhouding met waarheid. Nee, niet omdat ze graag draaien en liegen, zoals de vermoeide reflex van het volk luidt. Maar omdat een goede politicus een sterke overtuiging nodig heeft. En sterke overtuigingen staan onbevangen kijken in de weg. Juist als je al krachtig stelling hebt genomen, legde neurowetenschapper Tali Sharot onlangs uit in een mooi artikel in deze krant, probeer je nieuwe feiten met man en macht in de mal van jouw overtuigingen te persen. De waarheid is dan vers twee. Het prijskaartje van weten hoe het echt zit, is immers dat je dan wellicht niet meer kunt geloven wat je graag wilt geloven. Liever zet je al je intelligentie en vernuft in om jouw groepje of partij sterker te maken. Je zou ook kunnen zeggen: politiek is steviger verankerd in onze biologie dan wetenschap.

Openstaan voor de waarheid is voor iedereen moeilijk, en al helemaal voor politici omdat zij extra tegengas ondervinden van hun eigen sterke overtuigingen. Toch hebben ook zij de waarheid nodig om succesvol te zijn. Waarheid heeft namelijk een aanzienlijk praktisch nut: een juiste inschatting van je situatie geeft je grip op de werkelijkheid. En een goede politicus wil niet alleen overtuigen, maar ook werkend beleid inzetten en effectieve diplomatie bedrijven. Dat moet zich allemaal in de echte wereld voltrekken, en die trekt zich niets van jouw overtuigingen aan. Een politicus die niet alleen stemmen wil winnen, maar ook de wereld wil veranderen, zal dus iets met de waarheid moeten.

Natuurlijk is het moeilijk om te weten wat de waarheid is – misschien is de zuivere waarheid wel onmogelijk te bereiken of zelfs maar te herkennen, zoals alle eerstejaars filosofie elkaar vertellen. Maar dat maakt ‘waarheid’ nog niet tot een hol begrip. De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, die indertijd zo’n hit scoorde met zijn essay On Bullshit, laat dat mooi zien in On Truth, een vervolgessay waarin hij de bullshitter afzet tegen de leugenaar. De bullshitter kan het niet schelen of het waar of onwaar is wat hij zegt. De leugenaar daarentegen poneert dingen waarvan hij zelf denkt dat ze onwaar zijn. Ik vind het een slimme retorische draai van Frankfurt: de waarheid is moeilijk te definiëren, maar in de praktijk weten we meestal prima wanneer iets niet waar is. Een leugen parasiteert op de waarheid. En toont daarmee indirect aan hoe enorm functioneel dat idee ‘waarheid’ voor ons is. Zolang we er niet over nadenken, is de waarheid een onmisbaar ijkpunt in ons dagelijks leven.

Een Britse diplomaat prees Johnson naderhand omdat hij het gesprek ‘al’ na achttien minuten tamelijk abrupt afbrak. Kennelijk had Boris in de gaten gekregen dat er iets niet klopte. Hij zag de pijnlijke waarheid van zijn eigen situatie in, dwars door zijn overtuigingen en aannames heen. Toch een soort van hoopvol.

Redenen van het hart

Een schot. Een gilletje. En dan: ‘Hij leeft nog!’ Vlak daarna: ‘Meneer, hij ademt nog. Schiet hem alstublieft nog een keer. Alstublieft!’ De camera zoomt in op een neergezegen hert. Op bezwerende toon zegt de medewerker van Staatsbosbeheer: ‘Mevrouw, geloof me, dat heeft geen zin. Dit zijn stuiptrekkingen.’ De vrouw barst in snikken uit.

Vijf jaar geleden vergaapten we ons in de bioscoop nog aan De Nieuwe Wildernis, een natuurfilm over de Oostvaardersplassen. We zagen ochtendmist optrekken, jonge dieren hun eerste wankele stapjes zetten, paarden feeëriek over de velden draven. We genoten van deze beelden van ‘ongerepte wildernis’ in onze eigen polder. Dat zoiets bestond in Nederland!

Een relatief strenge winter later bleek de schoonheid van natuur waar mensen nu eindelijk eens met hun tengels van afblijven zich ook te kunnen manifesteren als het drama van hongerende, lijdende dieren. De Oostvaardersplassen staan beide zienswijzen toe. Welk beeld domineert hangt af van wat je het meeste aan het hart gaat.

Wat is er eerst: een inzicht (waar dan een gevoel uit volgt) of een gevoel (waar dan een inzicht uit volgt)? Tijdens de hoogtijdagen van het rationalisme dachten veel filosofen dat inzicht in waarden en belangen tot passende gevoelens en handelingen zou leiden. Er is echter ook altijd een stroming geweest die zei dat het precies andersom werkt. Eerst voel je iets – en vervolgens ga je voor jezelf uitzoeken welke redenen je daar eigenlijk voor hebt. De Britse filosoof Simon Blackburn stelt dat dit nu zo’n zeldzaam filosofisch probleem is waarbij één groep het gelijk duidelijk aan zijn zijde heeft – en wel de laatste. Als mens reageer je eerst op de wereld om je heen, en dan volgt (soms) het redeneren.

Toen Staatsbosbeheer in 1996 het beheerplan voor de Oostvaardersplassen opstelde, baseerde de dienst zich op het verlangen om ‘natuurlijke ecologische processen maximaal de ruimte te geven’. Dat is een emotie die ik goed kan navoelen. Ja, laat me leven in een land dat ten minste één gebiedje kent waar de natuur haar gang kan gaan! Waar natuur er gewoon is voor zichzelf en niet functioneel hoeft te zijn voor mij – als wandelaar, recreant, agrariër, of wat dan ook. Ik snak naar gebieden buiten de menselijke invloedssfeer. Wereldwijd verdwijnen dergelijke plekken, en dat besef beknelt en doet pijn. Waar je ook kijkt, zie je jezelf gespiegeld. Een claustrofobische ervaring.

Ook de emoties van de actievoerders kan ik trouwens goed navoelen. Zij zien dieren lijden, en voelen de impuls om die dieren te helpen. Wat kan ik zeggen? Je ziet leed en je wilt het verzachten. Dat lijkt me een juiste reactie, die net zo goed verbondenheid uitdrukt met de natuur.

Waar emoties en waarderingen op elkaar botsen, begint het redeneren. Als ik op het spoor zit van verlangen naar een plek waar mensen bijzaak zijn, verdedig ik het schouwspel van de stervende dieren met het argument: ‘Lijden hoort bij de natuur.’ Als ik me richt op die kwijnende dieren, bijt ik mezelf toe: ‘Jij noemt een gebied met een hek eromheen in een door mensen gemaakte polder natuur?’ Tja, die zit. En toch zegt mijn andere ik even later verdrietig: ‘Moet ik het verlangen naar plekken zonder menselijke bemoeienis dan maar helemaal opgeven? Moet echt de hele aarde betrekking hebben op ons? Zo wil ik niet kijken!’

De Oostvaardersplassen zijn politiek geworden. Politiek is onze manier om conflicterende emoties en hun bijbehorende waarden maatschappelijk vorm te geven. Daarbij maakt het weinig uit of die emoties nu rauw tot uitdrukking komen, zoals bij de uitzinnige actievoerders, of meer gepolijst, zoals bij ideologische ecologen. Ik weiger dit conflict te zien als een botsing tussen emotie en ratio. De experts zijn ook emotioneel. Ze hebben alleen andere emoties, die opborrelen uit andere waarden. Emoties die getuigen van een ander inzicht en een andere beleving. En aangezien experts van die waarden hun werk hebben gemaakt, kunnen zij het inzicht dat in hun beleving besloten zit wat beter met feiten en argumenten bekleden. Dat maakt hun inzicht misschien sterker, maar daarmee nog niet waardevoller.

Ik bedoel maar: de politiek kan zich in het geval van de Oostvaardersplassen niet verlaten op feiten. Ze zal een koers moeten kiezen op grond van waarden.