Vitaal

Sinds het virus regeert is mijn houding nog geen halve dag dezelfde geweest. Stemmingen verschieten van kleur, meningen en inschattingen veranderen voortdurend. Ik leer dus bij. Gisteren piepte ik per ongeluk voor in de rij voor de kassa. De vrouw die er al stond hield zoveel afstand van de caissière dat ik dacht dat ze nog wat zocht, en dus sprong ik met mijn halfje brood in het gat dat ze liet vallen. Dat zal me vandaag niet meer gebeuren.

Gefascineerd kijk ik om me heen. Het is alsof je opeens de verborgen code van de samenleving te zien krijgt. Alsof het maatschappelijke ‘onderwaterscherm’ oprijst uit de crisiskamers. Welke keuzes worden er gemaakt op het scherpst van de snede? En welke ethiek ligt daaraan ten grondslag? Tot nu toe is het nog niet nodig – en dankzij verstandig beleid wordt het dat wellicht ook niet – maar er liggen dus modellen klaar die bepalen wie wel én niet in aanmerking komt voor een bed op de intensive care als ziekenhuispersoneel een keuze moet maken. Mensen boven de tachtig en uitbehandelde kankerpatiënten zijn dan het haasje. Mijn moeder zou wel een bed krijgen, mijn vader niet. Je hart breekt als je het hoort.

Zo zijn er ook allang economische berekeningen (uitgedrukt in qaly’s of daly’s) die bepalen hoeveel geld uit de gezamenlijke pot een extra levensjaar in goede gezondheid zou mogen kosten. Tien dagen geleden – u weet wel, in die tijd dat de scholen nog open waren – zei hoogleraar Ira Helsloot in deze krant dat een bedrag van 60.000 euro reëel is. Meer uitgeven aan één mensenleven is goedbeschouwd (of welberekend) contraproductief, omdat ándere mensenlevens dan lichamelijk gaan lijden vanwege uitblijvende investeringen op andere vitale vlakken, aldus Helsloot. Dat is dus het schuitje waarin we ons bevinden.

Je kunt dit soort berekeningen kil vinden. Maar ze zijn eerder abstract. Het is de poging van de instituties om tot een soort verdelende rechtvaardigheid te komen. Om vriendjespolitiek de pas af te snijden. In het ziekenhuis waar mijn zus werkt, zijn tijdens het bezoekuur flessen desinfecteringsgel gestolen. Dat doet die visite vast uit de hartstochtelijke impuls om thuis hun eigen geliefden te beschermen. Maar als het ziekenhuispersoneel op dezelfde ‘spontane’ manier zou handelen, zouden ze helemaal niet meer naar hun werk gaan. Dat zij het hoofd koel houden, is onderdeel van hun abstracte ethos.

En toch. Geen idee wat de maatregelen precies kosten die onze bestuurders nu nemen, maar het lijkt mij dat zij zich momenteel weinig aantrekken van qaly’s en daly’s. We smijten er miljarden tegenaan. Dit is geen berekenen meer vanuit een abstract ethos. Dit is bezweren. Van doodsangst.

In een fabel van de Amerikaanse zenlerares Joko Beck valt een man naar beneden van een hoge wolkenkrabber. ‘Hoe voel je je?’ vraagt iemand onderweg, waarop de man antwoordt: ‘So far, so good!’ Leven is langzaam vallen, en vroeg of laat raak je de grond. Dat beeld kan verlammen. Tegelijkertijd borrelt er in mij een soort lust op. Op een dag zal ook ik de bodem raken. Het leven is niet te houden. Maar nu leef ik. Ik leef!

Het officiële beleid is defensief: ons wordt gevraagd om uit solidariteit met kwetsbare mensen aan lichamelijke onthouding te doen. Ik snap de redenering en heb geen enkele aandrang om het beter te weten dan de experts. Tegelijk is het wachten op de eerste overtredingen van dit nieuwe taboe. Ik woon in een studentenstad en voel gewoon de energie van de opgehokte jongeren. Zij gaan dit geen weken volhouden. En zo hoort het ook.

Precies een jaar geleden moesten we hier in Utrecht ook een tijdje binnenblijven. Er waren mensen doodgeschoten in een tram. Wellicht raasden er terroristen rond die nogmaals zouden toeslaan. Iedereen kon doelwit zijn. Dit virus is niet te vergelijken met zo’n sluipschutter, omdat het niet iedereen in gelijke mate treft. Voor energieke jongeren is het nog erger om contact te vermijden, en ze hebben er minder persoonlijk belang bij. Hun onvermijdelijke toekomstige ongehoorzaamheid is ook onze hoop. De beste manier om virussen onschadelijk te maken, komt van hun vitale lichamen – alle vaccins zijn uiteindelijk afgeleid van onze eigen afweer. Levenslust en dadendrang en erotiek zullen het gaan winnen. Het is lente buiten. Het leven is niet te houden.

Kop in de grond

En alweer stond het Malieveld afgelopen week vol met kapitaalgoederen: dit keer waren het niet de trekkers van boeren, maar de shovels, hijskranen en betonwagens van bouwbedrijven. Actiegroep Grond in Verzet vond dat de sector ‘te zwaar’ werd getroffen door de maatregelen die het kabinet nam om onze grond leefbaar te houden. ‘Wij hebben nog groter materieel dan de boeren’, dreigden de bouwers. En alweer wisten politici niet hoe snel ze bakzeil moesten halen.

Net als boeren stuiten bouwers op de stikstofuitspraak van de hoogste rechter. Maar de bouwers hebben nog een ander probleem: pfas, de verzamelnaam voor duizenden chemicaliën die zich in de grond, het water en uiteindelijk ons lichaam ophopen – en dat terwijl die stoffen vermoedelijk kanker veroorzaken. De geldende zorgplicht zegt dat vervuilde grond niet mag worden rondgesjouwd, tenzij de vervuiling onder een bepaalde waarde blijft. Drempelwaarden waren nog niet bepaald voor de pfas-familie, waardoor bouwers en baggeraars bleven zitten met afgegraven grond die ook maar het geringste spoortje pfas bevat. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stelde deze zomer snel wat normen op, zodat de sector in ieder geval weer aan de slag kon met grond die schoon genoeg is. Maar die normen, bedoeld om een haperende praktijk vlot te trekken, zetten haar juist op slot. Want bijna alle grond in Nederland blijkt volgens die normen te vervuild. We zitten kortom met een giga-grondprobleem waarvan we niet wisten dat we het hadden. De oplossing van het kabinet: het versoepelt de normen. En steekt zo zijn kop in de grond.

Boeren, bouwers en baggeraars verdienen geld met het bewerken van grond. Dat is volstrekt legaal, en er is grote vraag naar de dingen zie zij met die grond verrichten. Tot zover geen probleem. Het lastige is, dat diezelfde grond in een ander licht plots van gedaante verandert. Dan verschijnt grond als landschap. Of als natuur. Of als milieu. En bij die begrippen horen heel andere waarden en werkwoorden. Grond kun je in bezit hebben. Natuur heb je niet. Natuur is er. Ook de beleving van eenzelfde plek kan heel anders zijn. Waar een boer tevreden naar het egale gras van zijn wei kijkt, daar loopt een bioloog verdrietig rond omdat bloemen, insecten en vogels wegkwijnen in die groene woestenij. Als die bioloog al niet wordt weggejaagd omdat hij privégrond betreedt.

De aarde is van niemand. Het is het toneel waarop het leven zich afspeelt. Waarom zou je daar eigenlijk een stukje van mogen omheinen en het ‘mijn grond’ mogen noemen? De Engelse filosoof John Locke formuleerde daar rond 1680 een antwoord op. ‘Een mens beschikt over zijn eigen lichaam’, redeneerde hij, ‘en daarmee ook over de producten die hij met zijn lichamelijke arbeid tot stand brengt’. Dat klinkt nog enigszins logisch: wie een akker bewerkt, heeft recht op de opbrengst van die grond. Maar heb je daarmee ook recht op de grond zelf? Ja, vond Locke. Want bewerken maakt de grond waardevoller, en bezit maakt dat je harder werkt. Hoe meer waarde, hoe beter Locke het vond, dus mogen bijvoorbeeld kolonisten het land van de indianen met recht confisqueren, want die inheemse luilakken bewerken de grond nauwelijks.

Deze dubieuze en op zijn minst eenzijdige redenering sloeg neer in juridische praktijken, waarbinnen ook ruimte kwam om grond te verhandelen. Tegenwoordig kun je schatrijk worden door te speculeren met grond waarop je nog nooit een voet hebt gezet. Met het eigenhandig bewerken van grond heeft dat helemaal niets meer te maken. Terwijl dat dus oorspronkelijk de rechtvaardiging was van privaat grondbezit.

Gelukkig erkent de Nederlandse wet niet alleen de waarde van grond, maar ook de waarde van natuur, landschap en milieu. Soms botsen die verschillende waarderingen van dezelfde stukjes aarde frontaal op elkaar; de crises rond PAS en pfas zijn zo te duiden. Dan is het aan de politiek om een begaanbare weg te banen. Die weg zal nooit ideaal zijn, juist omdat die manieren van kijken allemaal waarde hebben, maar principieel niet te verzoenen zijn. En zo hoort het ook. Waar één manier van kijken teveel domineert, heerst de facto een dictatuur.

Dat maakt het voor mij zo beangstigend dat onze politici onmiddellijk buigen voor mannetjesputters die de aarde louter waarderen als grond.

Waarheidspijn

‘Nee hè!’, dacht ik toen ik afgelopen week de krantenkop las over het rapport van de Adviescommissie-Van Rijn. Die kop luidde: ‘Meer geld naar technische universiteiten ten koste van algemene universiteiten’. Fijn voor de technische universiteiten, maar dat betekent dus nog minder middelen voor de algemene. Van vrienden hoor ik hoe hoog de werkdruk daar is, hoe afgepeigerd ze zijn, hoe het management gokt op hun arbeidsethos. Want wetenschappers doen hun geliefde onderzoek toch wel, of ze er nu voor betaald krijgen of niet, en zijn veelal te fatsoenlijk om hun studenten af te poeieren met de minimale begeleiding die ze hun kunnen geven in de uren die daarvoor staan. En dan moeten die algemene universiteiten ook nog geld gaan overhevelen naar de technische universiteiten? Dat is adding insult to injury.

De injury is dat dit kabinet liever wetenschappelijk personeel afknijpt dan kennisverwerving en -verbreiding ruimhartiger te begroten. Die injury treft alle ambtenaren in de wetenschap, ook die van technische universiteiten. De insult valt echter vooral geesteswetenschappers ten deel. Historici, filosofen, literatuurwetenschappers, cultuurvorsers en rechtsgeleerden worden niet alleen uitgemolken op de universiteiten, maar ook weggehoond door volkse politici die hen maar praatjesmakers vinden, terwijl elitair rechts hen neerzet als postmoderne ondermijners van de Westerse Waarheid. Ondertussen onderkennen beleidsmakers kennelijk wel de ‘maatschappelijke schreeuw’ om technisch personeel, maar zien ze niet dat de samenleving ook snakt naar de vaardigheden van geesteswetenschappers.

Ik hoor in de maatschappij namelijk nog meer dan die schreeuw om technisch personeel. Ik hoor ook gejank en gekerm dat ik duid als uiting van waarheidspijn. Kreten van rouw om de teloorgang van een gemeenschappelijk kennisfundament. Zeker, vroeger hing de interpretatie van feiten ook al af van je standpunt, maar dat bleef een soort geheim van de elite. Inmiddels is bevolkingsbreed doorgedrongen dat de waarheid niet bestaat. En nu weten we collectief niet meer wat we moeten geloven. Hoe moet je al die verschillende gezichtspunten waarderen, wat kun je nog voor waar aannemen?

Vraag het geesteswetenschappers, zou ik zeggen. Hun kennis is niet universeel, zoals die van bèta’s, maar soms wil je juist begrijpen waarom een bepaalde groep mensen denkt, voelt en handelt zoals ze doet. Waarom antivaxers het Rijksvaccinatieprogramma niet vertrouwen maar wel blind varen op ‘alternatieve’ kennisbronnen bijvoorbeeld, of waarom Baudet kan flirten met Rusland zonder dat dit zijn achterban afschrikt. Ik vind dit mysterieuze zaken, en je hebt geaarde, lokale kennis nodig om daar een goede verklaring voor te vinden. Nog urgenter zijn de duidingsvaardigheden van geesteswetenschappers. Zij weten hoe ze betekenis moeten vinden in een zee van feitjes en meninkjes. Zij hebben een gescherpt oog voor de werking van de verhalen die mensen zichzelf vertellen in een poging grip te krijgen op hun bestaan. Juist daar zijn ze in getraind.

Jouw verhaal over wat er in de wereld werkelijk toe doet, hoeft het mijne niet te zijn. In een democratie zullen – moeten – meerdere van zulke verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Uit het kale feit dat jij een ander verhaal hebt dan ik, kun je niet concluderen dat één van ons twee ongelijk moet hebben. Maar – en nu nuchter blijven denken – er volgt net zo min uit dat wij allebei gelijk hebben. Noch dat in een pluralistische wereld alles ‘slechts een verhaal’ is. Logisch gesproken zijn alle drie die gevolgtrekkingen onzin. De waarheid doet er nog net zo sterk toe als in de tijd vóór de waarheidspijn. Het enige wat je nu gedwongen bent onder te ogen zien, is dat jouw waarheidszoekende verhaal niet per se de waarheid is. Dat een verhaal-met-waarheidsclaim altijd nadere toelichting vergt.

Het werkelijke vraagstuk is wat het in feite altijd al was: raakt dit verhaal aan de waarheid en zo ja, hoe dan en hoe weet je dat? In zekere zin is dit een onmogelijk vraagstuk; de waarheid blijft altijd in het verschiet. Maar al onderzoekende leer je wel degelijk iets belangrijks, iets cruciaals. Namelijk welk verhalen zwak zijn, of zelfs duidelijk onwaar of onzinnig. En dat lijkt me kennis met een enorm praktisch en maatschappelijk nut.

Geesteswetenschappers hebben het gereedschap in huis om verhalen in een pluralistische leefwereld op hun waarde te beoordelen. Hoor hoe de samenleving daar om smeekt. Beledig geesteswetenschappers dus niet. Gebruik hen.

Stuntelen

‘Ik stuntel dus ik ben’, was dit jaar het motto van de Maand van de Filosofie – en wat een heerlijk onderwerp om over te peinzen! Stuntelen is weliswaar al een tijdje hot, maar dan in de ‘kijk mij nu eens gek doen’-variant van de wittewijnbrigade. Dat soort Bridget-Jones-achtig stuntelen verklaart zichzelf bij voorbaat ongevaarlijk: in het beste geval amusant, in ieder geval oninteressant. Serieus stuntelen daarentegen betreft het in de bek kijken van onze eigen onvolkomen, tastende natuur. Serieus stuntelen is het leven – jouw leven – durven zien als een probeersel, om dan te midden van alle overduidelijke tekortkomingen in en om je heen toch je bijdrage te leveren en je geluk te vinden. Het is het onvermijdelijke falen aanvaarden zonder de handdoek in de ring te gooien. Het is volwassen zijn.

Wat zou ik graag zien dat onze democratie volwassen werd. En dan bedoel ik niet dat we ons nu eindelijk eens netjes gaan gedragen volgens de spelregels van de representatieve democratie, zoals veel beroepspolitici stiekem hopen. Nee, ik bedoel dat we onder ogen zien dat een perfecte democratie nooit en te nimmer zal bestaan – niet eens kán bestaan. Als we zouden kunnen aanvaarden dat we in feite maar wat aanklungelen in het licht van een democratisch ideaal, dan zouden we ons misschien wat minder vastbijten in woede over het feit dat de huidige democratie onvolmaakt is. Wat zo is. En wat dus altijd zo zal zijn. Niet alleen omdat elke tijd zijn ijdele, benepen, corrupte politici kent. Maar vooral omdat zelfs de meest bevlogen en integere politici – de besten onder ons – ook maar wat proberen.

Volwassenheid hangt voor mij samen met basale aannames over de aard van de wereld. Plaats je onze oorsprong in de oersoep, of in een machtige entiteit die de boel onder controle heeft? Oersoepdenkers zien het hele leven als hoger geklungel. Ons bestaan danken we aan toevallige combinaties en mutaties die in de loop van heel veel tijd uitgroeiden tot ons: een levensvorm met gedachten, emoties en intenties. Het is nog een hele klus om dat proces te begrijpen, maar duidelijk is wel dat wij mensen nergens naar toe bewegen. Er is geen beoogde orde die we moeten bereiken. We zijn er, dat is alles.

Hoe anders ervaar je de wereld als je gelooft dat jouw bestaan een uitvloeisel is van een of ander plan van hogerhand! Als er dan iets niet lekker loopt in je leven, hoef je het niet te wijten aan toeval, of geklungel van jezelf en je sukkelige evenknieën, maar kun je de schuld geven aan een ontaard of oneerlijk ontwerp. Zo’n in wezen infantiele kijk op de wereld voedt verongelijkte gevoelens. Je acht je tekortgedaan door iets of iemand. Om te beginnen door papa of mama natuurlijk. En als je niet gaandeweg leert leven met het menselijk tekort, blijf je teleurstellingen volgens dezelfde logica wijten aan ‘de politiek’, de diepe staat, of een heel gemene gedegenereerde engel. Complotdenkers kunnen simpelweg geen afscheid nemen van het idee van almacht. Ze hebben psychologisch behoefte aan de fantasie van een meesterhand. Ze willen zich beroofd voelen van een of andere volmaakte toestand die hun deel had moeten zijn. Het idee van een boosdoener vinden ze kennelijk beter te verdragen dan het idee van radicale openheid.

Ergens in de achttiende eeuw werd de moderne democratie in de steigers gezet. Een clubje mannen dat zich met geen mogelijkheid een voorstelling had kunnen (of willen) maken van de meervoudigheid en meerstemmigheid van onze huidige wereld, bedacht dat ‘het volk’ voortaan zichzelf zou gaan regeren. Dat clubje formuleerde enkele organisatieprincipes, zoals een strikte scheiding tussen rechters en regeerders, het cyclisch openbreken van de macht via verkiezingen, de stelregel dat deskundige ambtenaren zich onderschikken aan de politieke baas van het moment. Verdomd goede principes – en tegelijkertijd ook maar bedenksels waar we sinds die tijd mee verder klungelen. Het hele idee van democratie draagt zijn praktische tekortkomingen van meet af aan in zich, en van die tekortkomingen kun je als burger flink last hebben. Maar zie alsjeblieft ook hoe al dat geklungel in het licht staat van idealen zoals redelijkheid, gelijkheid en een open dialoog. En wat voor een prestatie het eigenlijk is dat dergelijk geklungel zomaar uit de oersoep is voortgekomen.