Martha Nussbaum

Voor Brainwash digital voer ik een gesprek met de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum over haar boek The Monarchy of Fear. We praten over wat angst aanricht in het publieke domein.  Na afloop schreef ze:  ‘You did a wonderful job as interviewer, because the questions were very searching and philosophically challenging, and at the same time comprehensible to the audience.’

Vitaal

Sinds het virus regeert is mijn houding nog geen halve dag dezelfde geweest. Stemmingen verschieten van kleur, meningen en inschattingen veranderen voortdurend. Ik leer dus bij. Gisteren piepte ik per ongeluk voor in de rij voor de kassa. De vrouw die er al stond hield zoveel afstand van de caissière dat ik dacht dat ze nog wat zocht, en dus sprong ik met mijn halfje brood in het gat dat ze liet vallen. Dat zal me vandaag niet meer gebeuren.

Gefascineerd kijk ik om me heen. Het is alsof je opeens de verborgen code van de samenleving te zien krijgt. Alsof het maatschappelijke ‘onderwaterscherm’ oprijst uit de crisiskamers. Welke keuzes worden er gemaakt op het scherpst van de snede? En welke ethiek ligt daaraan ten grondslag? Tot nu toe is het nog niet nodig – en dankzij verstandig beleid wordt het dat wellicht ook niet – maar er liggen dus modellen klaar die bepalen wie wel én niet in aanmerking komt voor een bed op de intensive care als ziekenhuispersoneel een keuze moet maken. Mensen boven de tachtig en uitbehandelde kankerpatiënten zijn dan het haasje. Mijn moeder zou wel een bed krijgen, mijn vader niet. Je hart breekt als je het hoort.

Zo zijn er ook allang economische berekeningen (uitgedrukt in qaly’s of daly’s) die bepalen hoeveel geld uit de gezamenlijke pot een extra levensjaar in goede gezondheid zou mogen kosten. Tien dagen geleden – u weet wel, in die tijd dat de scholen nog open waren – zei hoogleraar Ira Helsloot in deze krant dat een bedrag van 60.000 euro reëel is. Meer uitgeven aan één mensenleven is goedbeschouwd (of welberekend) contraproductief, omdat ándere mensenlevens dan lichamelijk gaan lijden vanwege uitblijvende investeringen op andere vitale vlakken, aldus Helsloot. Dat is dus het schuitje waarin we ons bevinden.

Je kunt dit soort berekeningen kil vinden. Maar ze zijn eerder abstract. Het is de poging van de instituties om tot een soort verdelende rechtvaardigheid te komen. Om vriendjespolitiek de pas af te snijden. In het ziekenhuis waar mijn zus werkt, zijn tijdens het bezoekuur flessen desinfecteringsgel gestolen. Dat doet die visite vast uit de hartstochtelijke impuls om thuis hun eigen geliefden te beschermen. Maar als het ziekenhuispersoneel op dezelfde ‘spontane’ manier zou handelen, zouden ze helemaal niet meer naar hun werk gaan. Dat zij het hoofd koel houden, is onderdeel van hun abstracte ethos.

En toch. Geen idee wat de maatregelen precies kosten die onze bestuurders nu nemen, maar het lijkt mij dat zij zich momenteel weinig aantrekken van qaly’s en daly’s. We smijten er miljarden tegenaan. Dit is geen berekenen meer vanuit een abstract ethos. Dit is bezweren. Van doodsangst.

In een fabel van de Amerikaanse zenlerares Joko Beck valt een man naar beneden van een hoge wolkenkrabber. ‘Hoe voel je je?’ vraagt iemand onderweg, waarop de man antwoordt: ‘So far, so good!’ Leven is langzaam vallen, en vroeg of laat raak je de grond. Dat beeld kan verlammen. Tegelijkertijd borrelt er in mij een soort lust op. Op een dag zal ook ik de bodem raken. Het leven is niet te houden. Maar nu leef ik. Ik leef!

Het officiële beleid is defensief: ons wordt gevraagd om uit solidariteit met kwetsbare mensen aan lichamelijke onthouding te doen. Ik snap de redenering en heb geen enkele aandrang om het beter te weten dan de experts. Tegelijk is het wachten op de eerste overtredingen van dit nieuwe taboe. Ik woon in een studentenstad en voel gewoon de energie van de opgehokte jongeren. Zij gaan dit geen weken volhouden. En zo hoort het ook.

Precies een jaar geleden moesten we hier in Utrecht ook een tijdje binnenblijven. Er waren mensen doodgeschoten in een tram. Wellicht raasden er terroristen rond die nogmaals zouden toeslaan. Iedereen kon doelwit zijn. Dit virus is niet te vergelijken met zo’n sluipschutter, omdat het niet iedereen in gelijke mate treft. Voor energieke jongeren is het nog erger om contact te vermijden, en ze hebben er minder persoonlijk belang bij. Hun onvermijdelijke toekomstige ongehoorzaamheid is ook onze hoop. De beste manier om virussen onschadelijk te maken, komt van hun vitale lichamen – alle vaccins zijn uiteindelijk afgeleid van onze eigen afweer. Levenslust en dadendrang en erotiek zullen het gaan winnen. Het is lente buiten. Het leven is niet te houden.

Kop in de grond

En alweer stond het Malieveld afgelopen week vol met kapitaalgoederen: dit keer waren het niet de trekkers van boeren, maar de shovels, hijskranen en betonwagens van bouwbedrijven. Actiegroep Grond in Verzet vond dat de sector ‘te zwaar’ werd getroffen door de maatregelen die het kabinet nam om onze grond leefbaar te houden. ‘Wij hebben nog groter materieel dan de boeren’, dreigden de bouwers. En alweer wisten politici niet hoe snel ze bakzeil moesten halen.

Net als boeren stuiten bouwers op de stikstofuitspraak van de hoogste rechter. Maar de bouwers hebben nog een ander probleem: pfas, de verzamelnaam voor duizenden chemicaliën die zich in de grond, het water en uiteindelijk ons lichaam ophopen – en dat terwijl die stoffen vermoedelijk kanker veroorzaken. De geldende zorgplicht zegt dat vervuilde grond niet mag worden rondgesjouwd, tenzij de vervuiling onder een bepaalde waarde blijft. Drempelwaarden waren nog niet bepaald voor de pfas-familie, waardoor bouwers en baggeraars bleven zitten met afgegraven grond die ook maar het geringste spoortje pfas bevat. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stelde deze zomer snel wat normen op, zodat de sector in ieder geval weer aan de slag kon met grond die schoon genoeg is. Maar die normen, bedoeld om een haperende praktijk vlot te trekken, zetten haar juist op slot. Want bijna alle grond in Nederland blijkt volgens die normen te vervuild. We zitten kortom met een giga-grondprobleem waarvan we niet wisten dat we het hadden. De oplossing van het kabinet: het versoepelt de normen. En steekt zo zijn kop in de grond.

Boeren, bouwers en baggeraars verdienen geld met het bewerken van grond. Dat is volstrekt legaal, en er is grote vraag naar de dingen zie zij met die grond verrichten. Tot zover geen probleem. Het lastige is, dat diezelfde grond in een ander licht plots van gedaante verandert. Dan verschijnt grond als landschap. Of als natuur. Of als milieu. En bij die begrippen horen heel andere waarden en werkwoorden. Grond kun je in bezit hebben. Natuur heb je niet. Natuur is er. Ook de beleving van eenzelfde plek kan heel anders zijn. Waar een boer tevreden naar het egale gras van zijn wei kijkt, daar loopt een bioloog verdrietig rond omdat bloemen, insecten en vogels wegkwijnen in die groene woestenij. Als die bioloog al niet wordt weggejaagd omdat hij privégrond betreedt.

De aarde is van niemand. Het is het toneel waarop het leven zich afspeelt. Waarom zou je daar eigenlijk een stukje van mogen omheinen en het ‘mijn grond’ mogen noemen? De Engelse filosoof John Locke formuleerde daar rond 1680 een antwoord op. ‘Een mens beschikt over zijn eigen lichaam’, redeneerde hij, ‘en daarmee ook over de producten die hij met zijn lichamelijke arbeid tot stand brengt’. Dat klinkt nog enigszins logisch: wie een akker bewerkt, heeft recht op de opbrengst van die grond. Maar heb je daarmee ook recht op de grond zelf? Ja, vond Locke. Want bewerken maakt de grond waardevoller, en bezit maakt dat je harder werkt. Hoe meer waarde, hoe beter Locke het vond, dus mogen bijvoorbeeld kolonisten het land van de indianen met recht confisqueren, want die inheemse luilakken bewerken de grond nauwelijks.

Deze dubieuze en op zijn minst eenzijdige redenering sloeg neer in juridische praktijken, waarbinnen ook ruimte kwam om grond te verhandelen. Tegenwoordig kun je schatrijk worden door te speculeren met grond waarop je nog nooit een voet hebt gezet. Met het eigenhandig bewerken van grond heeft dat helemaal niets meer te maken. Terwijl dat dus oorspronkelijk de rechtvaardiging was van privaat grondbezit.

Gelukkig erkent de Nederlandse wet niet alleen de waarde van grond, maar ook de waarde van natuur, landschap en milieu. Soms botsen die verschillende waarderingen van dezelfde stukjes aarde frontaal op elkaar; de crises rond PAS en pfas zijn zo te duiden. Dan is het aan de politiek om een begaanbare weg te banen. Die weg zal nooit ideaal zijn, juist omdat die manieren van kijken allemaal waarde hebben, maar principieel niet te verzoenen zijn. En zo hoort het ook. Waar één manier van kijken teveel domineert, heerst de facto een dictatuur.

Dat maakt het voor mij zo beangstigend dat onze politici onmiddellijk buigen voor mannetjesputters die de aarde louter waarderen als grond.