Rijke emoties

‘Kunt u de bovenste regel lezen?’, zegt de opticien. ‘B, o, k, s, q’, prevel ik braaf. Mijn lenzen blijken nog keurig op sterkte. Daarop vraagt hij of ik al heb nagedacht over het aanbod om een afspraak te maken voor een controle op oogziektes. ‘Je kunt er maar beter vroeg bij zijn, want dan is zo’n ziekte vaak nog te remmen. En blind willen we niet worden, toch?’, glimlacht hij. Daarmee heeft hij me te pakken. Blind worden is mijn diepe angst. Tegelijk wil ik niet dat deze gelikte winkelketen een slaatje uit me slaat door me weer een nieuwe routine van controles aan te smeren. Ik mompel dat ik erover zal nadenken en verlaat verontrust de winkel.

Het is een grondregel van marketeers, leerde ik ooit tijdens een workshop Hoe maak ik een effectieve website: speel in op het ‘reptielenbrein’. Dat wil zeggen: jaag mensen eerst angst aan, om ze vervolgens een oplossing te bieden die ze bij jou kunnen kopen. Op mijn gesputter dat ik dit een nare benadering van mijn medemens vond, antwoordde de workshopleider schouderophalend: ‘Het werkt.’

Ja, natuurlijk werkt het om me bang, hitsig of kwaad te maken; ik ben een mens en reageer op sterke impulsen. Maar dat betekent niet dat ik het fijn vind om steeds met een gevoel van agitatie of alarm rond te lopen. Waarom denken verkopers mij eigenlijk zo’n emotie op te mogen dringen? Waarom moet ik constant op mijn hoede zijn voor dergelijke slinkse methoden? Wat mij betreft mag de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen zich ook uitstrekken tot dit soort amorele praktijken.

Het is al haast een cliché om te zeggen dat emoties ook de politiek hebben overgenomen. Meestal word je geacht daar zorgelijk bij te kijken, maar dat is niet mijn lijn. Emoties hebben wat mij betreft hun plaats in het publieke domein; ze wijzen op betrokkenheid, op het feit dat wij elkaar niet koud laten. Emoties zijn ook niet per se de herauten van het eigenbelang. Ze kunnen heel goed genereus zijn, zoals die impuls om de in Nederland gewortelde Armeense kinderen Lili en Howick te redden.

Onder filosofen is het al een aantal decennia hip om de rationaliteit van emoties onder de loep te nemen. Emoties bevatten tal van gedachten en inschattingen, is inmiddels de idee. Zij zijn in feite oordelen over de situatie waarin je je bevindt, gekoppeld aan jouw belang. Angst wijst erop dat je in gevaar bent, verontwaardiging dat iemand over jouw waarden heen dendert – dat soort redeneringen. Interessant, want als emoties niet meer lijnrecht tegenover de ratio staan, komt er dus in principe ruimte voor het onderscheiden van emoties waarin weinig of veel ratio is verwerkt.

Marketeers en populisten spelen graag in op weinig verfijnde emoties, zoals angst, in de hoop dat jij nú dat contract tekent, nú op die partij stemt. Daarmee ondermijnen deze types de inspanning van opvoeders. Als ouder probeer je je kind te laten nadenken over haar gevoelens, opdat die ruimer worden en meer van de wereld kunnen omhelzen. In feite is opvoeden een poging om emoties te cultiveren, om je kind te trainen in het vertonen van emoties waarin meer belangen zijn verwerkt – zowel die van haarzelf als die van anderen. In de hoop dat die meer bedachtzame emoties op den duur gebruikelijker worden. Ook voelen is een kwestie van oefenen.

Bedachtzaam voelen betekent dat je Lili en Howick nog steeds hun verblijfsvergunning gunt, maar ook de gevoelens van afgewezen vluchtelingen in een vergelijkbare situatie in ogenschouw neemt, en die van de ambtenaren die de vluchtelingenwet moeten toepassen. Een dergelijke verbreding van je waardering is geen kil, bloedeloos, rationeel proces waarbij je steeds verder afraakt van je warm kloppende, menselijke hart (mensen die dat denken gaan in feite nog steeds uit van die achterhaalde, absolute tegenstelling tussen ratio en emoties). Breed voelen is denken vanuit emoties. Zo leer je langzamerhand rijker te reageren. Daarin zit je ware menselijkheid. Zo kan je jezelf echt vernieuwen.

Ik vind het geen probleem dat politici mij aanspreken op emoties – graag zelfs. Maar laat het dan zijn op rijke emoties, zoals zorgzaamheid, vrijheidsdrang en rechtvaardigheidsgevoel. En niet op de primitieve emoties die mijn moeder mij juist probeerde af te leren.

 

Beslissen

Het zal wel liggen aan mijn gebrek aan voetbalvuur, maar het interessantste van het hele wereldkampioenschap voetbal vind ik de introductie van de Virtual Assistent Referee (VAR). In een afgesloten ruimte, omringd door een batterij aan technologie, screent de videoscheidsrechter de wedstrijd. Zodra de veldscheidsrechter een twijfelachtige beslissing neemt rond een cruciale spelsituatie meldt de videoscheidsrechter dat in het oortje van de veldscheidsrechter. Die kan vervolgens de wedstrijd stilleggen, zich laten informeren door de beelden, en eventueel zijn beslissing terugdraaien. Hij kan de videoscheidsrechter echter ook negeren.

De komst van de videoscheids dwingt de veldscheids dus tot een metabeslissing. Wat acht hij belangrijker: het spel bevriezen en uitpuzzelen wat zich precies heeft voltrokken? Of laten doorspelen? Die inschatting zal deels een kwestie van smaak zijn. Het karakter van de veldscheidsrechter is door geen enkele technologie helemaal te neutraliseren.

Nu zou ik iets kunnen zeggen over het uitbesteden van beslissingen aan technologie, over onze onrealistische verwachtingen daaromtrent, enzovoort. Maar wat me hier interesseert is de functie van een beslissing in een verhitte situatie – of die situatie zich nu voordoet op het voetbalveld, in de politiek, of in huiselijke kring. Zo’n beslissing moet vaak meerdere dingen tegelijk doen. Je wilt natuurlijk dat de beslissing juist en terecht is, zodat we allemaal weer weten waar we aan toe zijn. Beslissen dient dan de goede orde. Maar een beslissing is ook een markering in de tijd. In een situatie die diepe emoties oproept, die verontrust, waar belangen botsen, moet een knoop doorgehakt worden, opdat zowel de winnaars als de verliezers verder kunnen. Met abstracte begrippen als rechtvaardigheid en orde heeft dat niet zoveel te maken. Hier gaat het veeleer om stromen.

Sommige beslissingen zijn evident onrechtvaardig, en een correctie op grond van betere informatie of nieuwe inzichten is dan heilzaam. Maar stilleggen heeft zijn prijs. Al te grote precisie, streven naar de perfecte beslissing, gaat ten koste van levendigheid. Een voetbalfan wil eerst en vooral de roes, de opwinding, de vloeiende schoonheid van het spel ervaren. Precies dat wordt ondermijnd als je moet wachten met juichen (of balen) totdat de scheidsrechter de videobeelden heeft bekeken, zoals Tonie Mudde en Lennart Bloemhof afgelopen vrijdag in een mooi stuk in deze krant opmerkten.

Moeten wachten. Susan Khani wacht op de executie van de moordenaar van haar moeder. De staat Arkansas heeft hem ter dood veroordeeld, maar de rechters zijn met elkaar in strijd over de rechtmatigheid van de vorm van executeren. Gevolg: al 25 jaar lang leeft Susan in een zone waar een beslissing niet wordt uitgevoerd. In de documentaireserie Life and Death Row, die de VPRO op dit moment uitzendt, is te zien hoe dit haar totaal verkrampt. ‘Doe het nu maar, dan kan ik het afsluiten. Dat zal me rust brengen’, zegt ze. Ik denk dat geen enkele gebeurtenis in de buitenwereld deze Susan de verlossing gaat brengen waar ze op hoopt, zeker niet de dood van een ander. Maar ik kan me wel iets voorstellen bij haar gevoel dat ze haar leven niet kan hervatten. Er gebeurt maar steeds niets. Ze kan niet uitademen.

Een beslissing kan ook een politieke impasse doorbreken. In 2000 waren Al Gore en George Bush verwikkeld in een nek-aan-nekrace om het Amerikaanse presidentschap. De uitgebrachte stemmen in Florida zouden de doorslag geven. Bush won daar met 537 stemmen; een marge dermate futiel dat er direct controverse ontstond over de manier van tellen. Op nogal wat ongeldig verklaarde biljetten hadden kiezers bijvoorbeeld zowel het vakje bij Gore ingeponst als zijn naam op het biljet geschreven, waardoor er geen misverstand kon bestaan over hun bedoeling. Moesten die stemmen dan niet toch meegewogen worden? Er dreigden eindeloze discussies waarbij steeds meer feiten en gezichtspunten zouden worden ingebracht. Uiteindelijk smoorde een rechter de discussies door Bush tot winnaar uit te roepen.

En dat is goed, aldus politiek wetenschapper Daniel Sarewitz, aan wie ik dit voorbeeld ontleen. Soms moet er een knoop doorgehakt worden, ook al vind je de beslissing persoonlijk moeilijk te verkroppen, ook al blijft er een zweem van willekeur omheen hangen. Een beslissing is er namelijk ook om een ‘ervoor en erna’ te creëren. Om dóór te kunnen gaan met het leven. Juist als je iets verloren hebt.

Gefopt

Boris Johnson, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, legt de telefoon neer. Hij heeft zojuist gebeld met de nieuwe Armeense interim-president Nikol Pasjinian om hem te feliciteren met zijn benoeming, en probeert nu nerveus na te gaan wat hij ook alweer heeft gezegd. Pasjinian had hem gevraagd hoe zeker hij ervan was dat de aanslag op Britse bodem op dubbelspion Skripal en zijn dochter het werk was van de Russen. ‘Daar zijn we bijna honderd procent zeker van’, had hij hem toevertrouwd. ‘Ik hoop dat Poetin mij niet vergiftigt met zenuwgas’, zei de Armeense president toen, waarop hij, Boris, een hol lachje had laten horen.

Wanneer begon het Boris Johnson precies te dagen dat hij met een nep-president aan de lijn hing? Dat vermeldt the Guardian niet. Maar zeker is volgens de Britse krant wel dat Johnson half mei heeft gebeld met twee Russische mannen, Lexus en Vovan (artiestennamen), die de geluidsopname van het gesprek naderhand openbaar maakten. Geintje! Johnson – die zelf toch niet helemaal voor niets vaak een ‘clown’ wordt genoemd – verklaarde achteraf stijfjes dat de bellers geen grappen hadden mogen maken over zulke serieuze zaken. Johnson zette het gesprek dus snel weg als een grap. Maar als het al een grap was, dan geen onschuldige. Op het moment van bellen schatte Johnson de waarheid van zijn situatie niet goed in, en dat is nogal link als je zoveel macht hebt als een minister.

Politici hebben een ongemakkelijke verhouding met waarheid. Nee, niet omdat ze graag draaien en liegen, zoals de vermoeide reflex van het volk luidt. Maar omdat een goede politicus een sterke overtuiging nodig heeft. En sterke overtuigingen staan onbevangen kijken in de weg. Juist als je al krachtig stelling hebt genomen, legde neurowetenschapper Tali Sharot onlangs uit in een mooi artikel in deze krant, probeer je nieuwe feiten met man en macht in de mal van jouw overtuigingen te persen. De waarheid is dan vers twee. Het prijskaartje van weten hoe het echt zit, is immers dat je dan wellicht niet meer kunt geloven wat je graag wilt geloven. Liever zet je al je intelligentie en vernuft in om jouw groepje of partij sterker te maken. Je zou ook kunnen zeggen: politiek is steviger verankerd in onze biologie dan wetenschap.

Openstaan voor de waarheid is voor iedereen moeilijk, en al helemaal voor politici omdat zij extra tegengas ondervinden van hun eigen sterke overtuigingen. Toch hebben ook zij de waarheid nodig om succesvol te zijn. Waarheid heeft namelijk een aanzienlijk praktisch nut: een juiste inschatting van je situatie geeft je grip op de werkelijkheid. En een goede politicus wil niet alleen overtuigen, maar ook werkend beleid inzetten en effectieve diplomatie bedrijven. Dat moet zich allemaal in de echte wereld voltrekken, en die trekt zich niets van jouw overtuigingen aan. Een politicus die niet alleen stemmen wil winnen, maar ook de wereld wil veranderen, zal dus iets met de waarheid moeten.

Natuurlijk is het moeilijk om te weten wat de waarheid is – misschien is de zuivere waarheid wel onmogelijk te bereiken of zelfs maar te herkennen, zoals alle eerstejaars filosofie elkaar vertellen. Maar dat maakt ‘waarheid’ nog niet tot een hol begrip. De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, die indertijd zo’n hit scoorde met zijn essay On Bullshit, laat dat mooi zien in On Truth, een vervolgessay waarin hij de bullshitter afzet tegen de leugenaar. De bullshitter kan het niet schelen of het waar of onwaar is wat hij zegt. De leugenaar daarentegen poneert dingen waarvan hij zelf denkt dat ze onwaar zijn. Ik vind het een slimme retorische draai van Frankfurt: de waarheid is moeilijk te definiëren, maar in de praktijk weten we meestal prima wanneer iets niet waar is. Een leugen parasiteert op de waarheid. En toont daarmee indirect aan hoe enorm functioneel dat idee ‘waarheid’ voor ons is. Zolang we er niet over nadenken, is de waarheid een onmisbaar ijkpunt in ons dagelijks leven.

Een Britse diplomaat prees Johnson naderhand omdat hij het gesprek ‘al’ na achttien minuten tamelijk abrupt afbrak. Kennelijk had Boris in de gaten gekregen dat er iets niet klopte. Hij zag de pijnlijke waarheid van zijn eigen situatie in, dwars door zijn overtuigingen en aannames heen. Toch een soort van hoopvol.

Redenen van het hart

Een schot. Een gilletje. En dan: ‘Hij leeft nog!’ Vlak daarna: ‘Meneer, hij ademt nog. Schiet hem alstublieft nog een keer. Alstublieft!’ De camera zoomt in op een neergezegen hert. Op bezwerende toon zegt de medewerker van Staatsbosbeheer: ‘Mevrouw, geloof me, dat heeft geen zin. Dit zijn stuiptrekkingen.’ De vrouw barst in snikken uit.

Vijf jaar geleden vergaapten we ons in de bioscoop nog aan De Nieuwe Wildernis, een natuurfilm over de Oostvaardersplassen. We zagen ochtendmist optrekken, jonge dieren hun eerste wankele stapjes zetten, paarden feeëriek over de velden draven. We genoten van deze beelden van ‘ongerepte wildernis’ in onze eigen polder. Dat zoiets bestond in Nederland!

Een relatief strenge winter later bleek de schoonheid van natuur waar mensen nu eindelijk eens met hun tengels van afblijven zich ook te kunnen manifesteren als het drama van hongerende, lijdende dieren. De Oostvaardersplassen staan beide zienswijzen toe. Welk beeld domineert hangt af van wat je het meeste aan het hart gaat.

Wat is er eerst: een inzicht (waar dan een gevoel uit volgt) of een gevoel (waar dan een inzicht uit volgt)? Tijdens de hoogtijdagen van het rationalisme dachten veel filosofen dat inzicht in waarden en belangen tot passende gevoelens en handelingen zou leiden. Er is echter ook altijd een stroming geweest die zei dat het precies andersom werkt. Eerst voel je iets – en vervolgens ga je voor jezelf uitzoeken welke redenen je daar eigenlijk voor hebt. De Britse filosoof Simon Blackburn stelt dat dit nu zo’n zeldzaam filosofisch probleem is waarbij één groep het gelijk duidelijk aan zijn zijde heeft – en wel de laatste. Als mens reageer je eerst op de wereld om je heen, en dan volgt (soms) het redeneren.

Toen Staatsbosbeheer in 1996 het beheerplan voor de Oostvaardersplassen opstelde, baseerde de dienst zich op het verlangen om ‘natuurlijke ecologische processen maximaal de ruimte te geven’. Dat is een emotie die ik goed kan navoelen. Ja, laat me leven in een land dat ten minste één gebiedje kent waar de natuur haar gang kan gaan! Waar natuur er gewoon is voor zichzelf en niet functioneel hoeft te zijn voor mij – als wandelaar, recreant, agrariër, of wat dan ook. Ik snak naar gebieden buiten de menselijke invloedssfeer. Wereldwijd verdwijnen dergelijke plekken, en dat besef beknelt en doet pijn. Waar je ook kijkt, zie je jezelf gespiegeld. Een claustrofobische ervaring.

Ook de emoties van de actievoerders kan ik trouwens goed navoelen. Zij zien dieren lijden, en voelen de impuls om die dieren te helpen. Wat kan ik zeggen? Je ziet leed en je wilt het verzachten. Dat lijkt me een juiste reactie, die net zo goed verbondenheid uitdrukt met de natuur.

Waar emoties en waarderingen op elkaar botsen, begint het redeneren. Als ik op het spoor zit van verlangen naar een plek waar mensen bijzaak zijn, verdedig ik het schouwspel van de stervende dieren met het argument: ‘Lijden hoort bij de natuur.’ Als ik me richt op die kwijnende dieren, bijt ik mezelf toe: ‘Jij noemt een gebied met een hek eromheen in een door mensen gemaakte polder natuur?’ Tja, die zit. En toch zegt mijn andere ik even later verdrietig: ‘Moet ik het verlangen naar plekken zonder menselijke bemoeienis dan maar helemaal opgeven? Moet echt de hele aarde betrekking hebben op ons? Zo wil ik niet kijken!’

De Oostvaardersplassen zijn politiek geworden. Politiek is onze manier om conflicterende emoties en hun bijbehorende waarden maatschappelijk vorm te geven. Daarbij maakt het weinig uit of die emoties nu rauw tot uitdrukking komen, zoals bij de uitzinnige actievoerders, of meer gepolijst, zoals bij ideologische ecologen. Ik weiger dit conflict te zien als een botsing tussen emotie en ratio. De experts zijn ook emotioneel. Ze hebben alleen andere emoties, die opborrelen uit andere waarden. Emoties die getuigen van een ander inzicht en een andere beleving. En aangezien experts van die waarden hun werk hebben gemaakt, kunnen zij het inzicht dat in hun beleving besloten zit wat beter met feiten en argumenten bekleden. Dat maakt hun inzicht misschien sterker, maar daarmee nog niet waardevoller.

Ik bedoel maar: de politiek kan zich in het geval van de Oostvaardersplassen niet verlaten op feiten. Ze zal een koers moeten kiezen op grond van waarden.

Kosmische harmonie

Hebt u Liang Xiangyi al met haar ogen zien rollen? De financieel journaliste uit Sjanghai kon haar ergernis niet onderdrukken toen een collega een ellenlange, slijmerige, ongetwijfeld voorgekookte vraag stelde tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het Chinese Volkscongres. De staatstelevisie nam het incident per ongeluk op, en het clipje van Liangs theatrale gebaar werd binnen een paar uur een grote hit op internet. Giechelende tienerjongens deden het na. Slimme handelaren lieten snel T-shirts drukken met de beeltenis van Liang. Deze vrolijke spot was de Chinese censoren te bar. Het werd het ‘mediapersoneel’ verboden om nog maar enige aandacht te besteden aan de ‘hype’. Inmiddels is het clipje in China niet meer te bekijken. Het lot van Liang is onduidelijk.

Eerder deze maand veranderde het Volkscongres de grondwet, waardoor president Xi Jinping kan aanblijven zolang het hem goeddunkt. Vanaf nu leeft China politiek gezien in een eindeloos moment. Dat sluit aan bij een onderstroom in het Chinese denken die westerlingen gemakkelijk missen, leerde ik van sinoloog Stefan Landsberger, die ik ooit sprak voor het Rathenau Instituut. Wij westerlingen denken dat welvaart op een of andere manier samenhangt met democratie. China denkt dat welvaart samenhangt met orde. En niet zomaar met een of andere historisch gegroeide orde, nee: met de kosmische orde.

“China is een autocratisch land”, zei Landsberger. “De bestuursstijl is bevoogdend en paternalistisch.” Hij zag een directe link met het confucianisme. Confucius, een Chinese wijsgeer uit de vijfde eeuw voor Christus, zei dat ‘er maar één zon aan de hemel staat’. Met andere woorden: het Middenrijk kan maar één leider kennen. De kosmische wet zorgt ervoor dat de meest deugdzame leider vanzelf komt bovendrijven, en het volk zal spontaan geneigd zijn om diens goede voorbeeld te volgen. Harmonie alom.

Deze gedachtegang impliceert dat een leider eigenlijk geen andere opvattingen naast de zijne kan dulden, legde Landsberger uit. Als iemand de impuls voelt om in debat te gaan met de leider, kan dat alleen maar betekenen dat de leider niet volledig deugdzaam is geweest. Bij volledige harmonie zou simpelweg niemand de neiging hebben om kritiek te uiten. Zodra burgers andere gedachten hebben dan de leider, is hij zijn mandaat van de kosmos kennelijk kwijt, en is hij dus niet langer de belichaming van de eeuwige orde. Op praktisch niveau betekent dit dat dissidente impulsen – hoe speels of terloops ook, zoals het gebaar van de financieel journaliste – de kop moeten worden ingedrukt. Niet eens zozeer om inhoudelijke redenen. Eerder omdat het blote bestaan van een alternatieve kijk het morele gezag van de leider aantast.

Zelf ben ik bepaald geen China-kenner, maar die mentale wereld is me wel enigszins vertrouwd. Als tiener ben ik namelijk volop in de I Tjing gedoken, een drieduizend jaar oud Chinees orakelboek dat jouw kleine leventje plaatst in, jawel, de kosmische orde. Door wat dan ook te doen (bijvoorbeeld muntjes gooien) druk je onvermijdelijk je plaats in die orde uit. En op grond van jouw positie in die orde kan het boek zeggen hoe jouw situatie zich zal ontwikkelen volgens, alweer, de kosmische wetten. Die echo uit de kosmos vond ik indertijd fijn, want ik voelde me vaak nogal verloren. Wel viel op dat de kosmische orde heel hiërarchisch was ingericht. Vader had het ‘natuurlijke’ gezag over vrouw en kinderen, en alleen als iedereen zich netjes schikte in zijn rol zou er vrede zijn. Het aloude patriarchale verhaal dus, bekrachtigd door ‘de kosmos’. Vreemd toch dat de kosmos altijd vrouwen onder de duim wil houden.

En dan nu de clou: Confucius was dol op de I Tjing; hij droeg de tekst altijd bij zich op bamboebladen. En president Xi is naar verluid dol op het confucianisme; hij maakt er opvallend veel werk van in zijn toespraken. Dat oneindige presidentschap past maar al te goed in de confucianistische logica.

Persoonlijk krijg ik het Spaans benauwd van politici die zich beroepen op een kosmische (of goddelijke, of natuurlijke) orde. Ik bepaal graag zelf wat ik als harmonie ervaar. Mijn heil zoek ik inmiddels niet meer bij de I Tjing, maar bij de Franse filosoof Claude Lefort. Voor Lefort was de fundamentele politieke tegenstelling die tussen democratie en totalitarisme. En dan is het simpel: mensen vastzetten in een onveranderlijke orde is totalitair.

Programma van de samenleving

‘Trust no one’, fluistert een gruizelige mannenstem bij het aankondigingsfilmpje van Wie is de Mol. Het dient als motto voor het populaire spelprogramma waarin een groep spontane, sociaal vaardige mensen in een ver oord geld moet verdienen voor de pot – een pot die uiteindelijk zal toevallen aan de winnaar. Alle deelnemers weten dat één van hen de gang van zaken stiekem aan het ondermijnen is, en hen waar mogelijk tegenwerkt. Dat kale gegeven maakt hen calculerend: als ze nu zelf verdacht gaan doen, denken de andere kandidaten misschien dat zij de mol zijn, wat hun kansen vergroot om de pot te winnen, enzovoort. De toonsoort van de dubbele agenda.

Sinds zaterdag weten we dat Ruben de winnaar is van dit seizoen, en Jan de mol. Er zijn tal van redenen waarom WIDM zo’n kijkershit is: het is mooi gemaakt, spannend, en leent zich goed voor eindeloos napraten. Ik heb zelf eerst en vooral genoten. Maar ik vermoed ook dat het programma mede zo aanslaat omdat WIDM een recente tendens in onze samenleving uitvergroot. De deelnemers demonstreren wat er met een groep gebeurt onder de conditie dat a) wantrouwen de norm is en b) gezamenlijk verdiend geld louter aan de winnaar toevalt – het Winner Takes All-principe. Nou, dan gaan de remmen dus los. Dan gaan die o zo aardige mensen speculeren op de vermoedens van anderen, en zichzelf manipulatief gedragen in de hoop winst uit andermans verkeerde verwachtingen te persen. Met andere woorden: je krijgt vrij exact het psychologische mechanisme dat ten grondslag lag aan de kredietcrisis. Voor de camera biechten de kandidaten wel op er een beetje moeite mee te hebben om die vrienden die ze hebben gemaakt op het verkeerde been te zetten. Maar ja, dat is het spel hè. Ondertussen zien wij kijkers hoe mensen zich gedragen onder hard-kapitalistische condities. Educatief hoor, NPO.

Ook de commerciële omroep kent een populair programma met eigen afkorting waar ik met onbeschaamd plezier naar heb gekeken: The Voice of Holland, ofwel TVOH. En ook dit programma ervaar ik als een bouillonblokje dat de basis vormt voor de soep van onze huidige samenleving. TVOH zou je namelijk kunnen zien als propaganda voor het meritocratische ideaal. Als je maar zangtalent hebt en inzet toont, kan iedereen het daar maken. En dat heeft bevrijdende kanten. Het is mooi, zelfs ontroerend om te zien dat dit programma op totaal ongeforceerde wijze een podium biedt aan allerlei soorten Nederlanders; afkomst, gezindheid of kleur maken werkelijk niet uit.

TVOH markeert voor mij ook het welkome einde van het antiautoritaire denken. Om te winnen moeten de zangtalenten zich voegen naar hun coach. En dat doen ze dan ook braaf. Te zelfingenomen types worden onverbiddelijk naar huis gestuurd. De moraal die het programma uitdraagt: je wordt alleen echt goed als je kritiek kunt incasseren en bereid bent om te luisteren. Dat jij zo graag iets wilt of zo goed bedoelt, wil nog niet zeggen dat je applaus verdient. Het vereist discipline om tot ware zelfexpressie te komen en anderen echt te bereiken. Dat lijken me nuchtere, nuttige lessen maatschappijleer.

Tegelijkertijd was daar het drama van Kimberley, de topzangeres die in de halve finale afviel omdat ze te weinig publieksstemmen binnenhaalde. Coach Anouk trok ter plekke van leer tegen het hele TVOH-format. “Het is gewoon een idioot volk”, zei ze. Beslissingen over wie verdient te blijven “moet je dus aan mensen overlaten die er een beetje verstand van hebben.” Dat hoor ik in deze verkiezingstijd wel vaker om mij heen mompelen: het systeem deugt niet, want stemmers zonder enig benul kiezen voor de verkeerde mensen. Er zouden deskundigen aan het roer moeten staan.

Anouk laat ons de schrille keuze tussen populisme of technocratie, en geeft daarmee blijk van wel heel weinig vertrouwen in het volk. Wellicht werd Kimberley ten onrechte afgeserveerd, maar dat neemt niet weg dat de winnaars die het programma heeft opgeleverd echt wel wat kunnen. Het volk herkent kennelijk toch kwaliteit, en waardeert juist vaak ook eigenheid. Jim, de winnaar van dit seizoen, was misschien wel de minst kapotgestylede kandidaat die erbij zat.

Een mooie les voor politici: om te winnen moet je niet alleen iets kunnen, maar ook authentiek blijven. Gladjanussen zijn passé.