Kop in de grond

En alweer stond het Malieveld afgelopen week vol met kapitaalgoederen: dit keer waren het niet de trekkers van boeren, maar de shovels, hijskranen en betonwagens van bouwbedrijven. Actiegroep Grond in Verzet vond dat de sector ‘te zwaar’ werd getroffen door de maatregelen die het kabinet nam om onze grond leefbaar te houden. ‘Wij hebben nog groter materieel dan de boeren’, dreigden de bouwers. En alweer wisten politici niet hoe snel ze bakzeil moesten halen.

Net als boeren stuiten bouwers op de stikstofuitspraak van de hoogste rechter. Maar de bouwers hebben nog een ander probleem: pfas, de verzamelnaam voor duizenden chemicaliën die zich in de grond, het water en uiteindelijk ons lichaam ophopen – en dat terwijl die stoffen vermoedelijk kanker veroorzaken. De geldende zorgplicht zegt dat vervuilde grond niet mag worden rondgesjouwd, tenzij de vervuiling onder een bepaalde waarde blijft. Drempelwaarden waren nog niet bepaald voor de pfas-familie, waardoor bouwers en baggeraars bleven zitten met afgegraven grond die ook maar het geringste spoortje pfas bevat. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stelde deze zomer snel wat normen op, zodat de sector in ieder geval weer aan de slag kon met grond die schoon genoeg is. Maar die normen, bedoeld om een haperende praktijk vlot te trekken, zetten haar juist op slot. Want bijna alle grond in Nederland blijkt volgens die normen te vervuild. We zitten kortom met een giga-grondprobleem waarvan we niet wisten dat we het hadden. De oplossing van het kabinet: het versoepelt de normen. En steekt zo zijn kop in de grond.

Boeren, bouwers en baggeraars verdienen geld met het bewerken van grond. Dat is volstrekt legaal, en er is grote vraag naar de dingen zie zij met die grond verrichten. Tot zover geen probleem. Het lastige is, dat diezelfde grond in een ander licht plots van gedaante verandert. Dan verschijnt grond als landschap. Of als natuur. Of als milieu. En bij die begrippen horen heel andere waarden en werkwoorden. Grond kun je in bezit hebben. Natuur heb je niet. Natuur is er. Ook de beleving van eenzelfde plek kan heel anders zijn. Waar een boer tevreden naar het egale gras van zijn wei kijkt, daar loopt een bioloog verdrietig rond omdat bloemen, insecten en vogels wegkwijnen in die groene woestenij. Als die bioloog al niet wordt weggejaagd omdat hij privégrond betreedt.

De aarde is van niemand. Het is het toneel waarop het leven zich afspeelt. Waarom zou je daar eigenlijk een stukje van mogen omheinen en het ‘mijn grond’ mogen noemen? De Engelse filosoof John Locke formuleerde daar rond 1680 een antwoord op. ‘Een mens beschikt over zijn eigen lichaam’, redeneerde hij, ‘en daarmee ook over de producten die hij met zijn lichamelijke arbeid tot stand brengt’. Dat klinkt nog enigszins logisch: wie een akker bewerkt, heeft recht op de opbrengst van die grond. Maar heb je daarmee ook recht op de grond zelf? Ja, vond Locke. Want bewerken maakt de grond waardevoller, en bezit maakt dat je harder werkt. Hoe meer waarde, hoe beter Locke het vond, dus mogen bijvoorbeeld kolonisten het land van de indianen met recht confisqueren, want die inheemse luilakken bewerken de grond nauwelijks.

Deze dubieuze en op zijn minst eenzijdige redenering sloeg neer in juridische praktijken, waarbinnen ook ruimte kwam om grond te verhandelen. Tegenwoordig kun je schatrijk worden door te speculeren met grond waarop je nog nooit een voet hebt gezet. Met het eigenhandig bewerken van grond heeft dat helemaal niets meer te maken. Terwijl dat dus oorspronkelijk de rechtvaardiging was van privaat grondbezit.

Gelukkig erkent de Nederlandse wet niet alleen de waarde van grond, maar ook de waarde van natuur, landschap en milieu. Soms botsen die verschillende waarderingen van dezelfde stukjes aarde frontaal op elkaar; de crises rond PAS en pfas zijn zo te duiden. Dan is het aan de politiek om een begaanbare weg te banen. Die weg zal nooit ideaal zijn, juist omdat die manieren van kijken allemaal waarde hebben, maar principieel niet te verzoenen zijn. En zo hoort het ook. Waar één manier van kijken teveel domineert, heerst de facto een dictatuur.

Dat maakt het voor mij zo beangstigend dat onze politici onmiddellijk buigen voor mannetjesputters die de aarde louter waarderen als grond.

Waarheidspijn

‘Nee hè!’, dacht ik toen ik afgelopen week de krantenkop las over het rapport van de Adviescommissie-Van Rijn. Die kop luidde: ‘Meer geld naar technische universiteiten ten koste van algemene universiteiten’. Fijn voor de technische universiteiten, maar dat betekent dus nog minder middelen voor de algemene. Van vrienden hoor ik hoe hoog de werkdruk daar is, hoe afgepeigerd ze zijn, hoe het management gokt op hun arbeidsethos. Want wetenschappers doen hun geliefde onderzoek toch wel, of ze er nu voor betaald krijgen of niet, en zijn veelal te fatsoenlijk om hun studenten af te poeieren met de minimale begeleiding die ze hun kunnen geven in de uren die daarvoor staan. En dan moeten die algemene universiteiten ook nog geld gaan overhevelen naar de technische universiteiten? Dat is adding insult to injury.

De injury is dat dit kabinet liever wetenschappelijk personeel afknijpt dan kennisverwerving en -verbreiding ruimhartiger te begroten. Die injury treft alle ambtenaren in de wetenschap, ook die van technische universiteiten. De insult valt echter vooral geesteswetenschappers ten deel. Historici, filosofen, literatuurwetenschappers, cultuurvorsers en rechtsgeleerden worden niet alleen uitgemolken op de universiteiten, maar ook weggehoond door volkse politici die hen maar praatjesmakers vinden, terwijl elitair rechts hen neerzet als postmoderne ondermijners van de Westerse Waarheid. Ondertussen onderkennen beleidsmakers kennelijk wel de ‘maatschappelijke schreeuw’ om technisch personeel, maar zien ze niet dat de samenleving ook snakt naar de vaardigheden van geesteswetenschappers.

Ik hoor in de maatschappij namelijk nog meer dan die schreeuw om technisch personeel. Ik hoor ook gejank en gekerm dat ik duid als uiting van waarheidspijn. Kreten van rouw om de teloorgang van een gemeenschappelijk kennisfundament. Zeker, vroeger hing de interpretatie van feiten ook al af van je standpunt, maar dat bleef een soort geheim van de elite. Inmiddels is bevolkingsbreed doorgedrongen dat de waarheid niet bestaat. En nu weten we collectief niet meer wat we moeten geloven. Hoe moet je al die verschillende gezichtspunten waarderen, wat kun je nog voor waar aannemen?

Vraag het geesteswetenschappers, zou ik zeggen. Hun kennis is niet universeel, zoals die van bèta’s, maar soms wil je juist begrijpen waarom een bepaalde groep mensen denkt, voelt en handelt zoals ze doet. Waarom antivaxers het Rijksvaccinatieprogramma niet vertrouwen maar wel blind varen op ‘alternatieve’ kennisbronnen bijvoorbeeld, of waarom Baudet kan flirten met Rusland zonder dat dit zijn achterban afschrikt. Ik vind dit mysterieuze zaken, en je hebt geaarde, lokale kennis nodig om daar een goede verklaring voor te vinden. Nog urgenter zijn de duidingsvaardigheden van geesteswetenschappers. Zij weten hoe ze betekenis moeten vinden in een zee van feitjes en meninkjes. Zij hebben een gescherpt oog voor de werking van de verhalen die mensen zichzelf vertellen in een poging grip te krijgen op hun bestaan. Juist daar zijn ze in getraind.

Jouw verhaal over wat er in de wereld werkelijk toe doet, hoeft het mijne niet te zijn. In een democratie zullen – moeten – meerdere van zulke verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Uit het kale feit dat jij een ander verhaal hebt dan ik, kun je niet concluderen dat één van ons twee ongelijk moet hebben. Maar – en nu nuchter blijven denken – er volgt net zo min uit dat wij allebei gelijk hebben. Noch dat in een pluralistische wereld alles ‘slechts een verhaal’ is. Logisch gesproken zijn alle drie die gevolgtrekkingen onzin. De waarheid doet er nog net zo sterk toe als in de tijd vóór de waarheidspijn. Het enige wat je nu gedwongen bent onder te ogen zien, is dat jouw waarheidszoekende verhaal niet per se de waarheid is. Dat een verhaal-met-waarheidsclaim altijd nadere toelichting vergt.

Het werkelijke vraagstuk is wat het in feite altijd al was: raakt dit verhaal aan de waarheid en zo ja, hoe dan en hoe weet je dat? In zekere zin is dit een onmogelijk vraagstuk; de waarheid blijft altijd in het verschiet. Maar al onderzoekende leer je wel degelijk iets belangrijks, iets cruciaals. Namelijk welk verhalen zwak zijn, of zelfs duidelijk onwaar of onzinnig. En dat lijkt me kennis met een enorm praktisch en maatschappelijk nut.

Geesteswetenschappers hebben het gereedschap in huis om verhalen in een pluralistische leefwereld op hun waarde te beoordelen. Hoor hoe de samenleving daar om smeekt. Beledig geesteswetenschappers dus niet. Gebruik hen.

Stuntelen

‘Ik stuntel dus ik ben’, was dit jaar het motto van de Maand van de Filosofie – en wat een heerlijk onderwerp om over te peinzen! Stuntelen is weliswaar al een tijdje hot, maar dan in de ‘kijk mij nu eens gek doen’-variant van de wittewijnbrigade. Dat soort Bridget-Jones-achtig stuntelen verklaart zichzelf bij voorbaat ongevaarlijk: in het beste geval amusant, in ieder geval oninteressant. Serieus stuntelen daarentegen betreft het in de bek kijken van onze eigen onvolkomen, tastende natuur. Serieus stuntelen is het leven – jouw leven – durven zien als een probeersel, om dan te midden van alle overduidelijke tekortkomingen in en om je heen toch je bijdrage te leveren en je geluk te vinden. Het is het onvermijdelijke falen aanvaarden zonder de handdoek in de ring te gooien. Het is volwassen zijn.

Wat zou ik graag zien dat onze democratie volwassen werd. En dan bedoel ik niet dat we ons nu eindelijk eens netjes gaan gedragen volgens de spelregels van de representatieve democratie, zoals veel beroepspolitici stiekem hopen. Nee, ik bedoel dat we onder ogen zien dat een perfecte democratie nooit en te nimmer zal bestaan – niet eens kán bestaan. Als we zouden kunnen aanvaarden dat we in feite maar wat aanklungelen in het licht van een democratisch ideaal, dan zouden we ons misschien wat minder vastbijten in woede over het feit dat de huidige democratie onvolmaakt is. Wat zo is. En wat dus altijd zo zal zijn. Niet alleen omdat elke tijd zijn ijdele, benepen, corrupte politici kent. Maar vooral omdat zelfs de meest bevlogen en integere politici – de besten onder ons – ook maar wat proberen.

Volwassenheid hangt voor mij samen met basale aannames over de aard van de wereld. Plaats je onze oorsprong in de oersoep, of in een machtige entiteit die de boel onder controle heeft? Oersoepdenkers zien het hele leven als hoger geklungel. Ons bestaan danken we aan toevallige combinaties en mutaties die in de loop van heel veel tijd uitgroeiden tot ons: een levensvorm met gedachten, emoties en intenties. Het is nog een hele klus om dat proces te begrijpen, maar duidelijk is wel dat wij mensen nergens naar toe bewegen. Er is geen beoogde orde die we moeten bereiken. We zijn er, dat is alles.

Hoe anders ervaar je de wereld als je gelooft dat jouw bestaan een uitvloeisel is van een of ander plan van hogerhand! Als er dan iets niet lekker loopt in je leven, hoef je het niet te wijten aan toeval, of geklungel van jezelf en je sukkelige evenknieën, maar kun je de schuld geven aan een ontaard of oneerlijk ontwerp. Zo’n in wezen infantiele kijk op de wereld voedt verongelijkte gevoelens. Je acht je tekortgedaan door iets of iemand. Om te beginnen door papa of mama natuurlijk. En als je niet gaandeweg leert leven met het menselijk tekort, blijf je teleurstellingen volgens dezelfde logica wijten aan ‘de politiek’, de diepe staat, of een heel gemene gedegenereerde engel. Complotdenkers kunnen simpelweg geen afscheid nemen van het idee van almacht. Ze hebben psychologisch behoefte aan de fantasie van een meesterhand. Ze willen zich beroofd voelen van een of andere volmaakte toestand die hun deel had moeten zijn. Het idee van een boosdoener vinden ze kennelijk beter te verdragen dan het idee van radicale openheid.

Ergens in de achttiende eeuw werd de moderne democratie in de steigers gezet. Een clubje mannen dat zich met geen mogelijkheid een voorstelling had kunnen (of willen) maken van de meervoudigheid en meerstemmigheid van onze huidige wereld, bedacht dat ‘het volk’ voortaan zichzelf zou gaan regeren. Dat clubje formuleerde enkele organisatieprincipes, zoals een strikte scheiding tussen rechters en regeerders, het cyclisch openbreken van de macht via verkiezingen, de stelregel dat deskundige ambtenaren zich onderschikken aan de politieke baas van het moment. Verdomd goede principes – en tegelijkertijd ook maar bedenksels waar we sinds die tijd mee verder klungelen. Het hele idee van democratie draagt zijn praktische tekortkomingen van meet af aan in zich, en van die tekortkomingen kun je als burger flink last hebben. Maar zie alsjeblieft ook hoe al dat geklungel in het licht staat van idealen zoals redelijkheid, gelijkheid en een open dialoog. En wat voor een prestatie het eigenlijk is dat dergelijk geklungel zomaar uit de oersoep is voortgekomen.

Zie mijn woede

In de hal van het Gare du Nord zit een frisse jonge man achter een tafeltje. Naast het tafeltje een banier dat rept van een ‘nationaal debat’. Erop wat papieren, die ik in mijn haast om Parijs in te komen niet inkijk. Er gebeurt verder niets rond de tafel: er staan geen mensen, er is geen beweging. Hier komt dat nationale debat in ieder geval niet van de grond.

President Macron proclameerde een grand débat national als reactie op briesende menigten gekleed in gele hesjes die zich nu al maanden in Frankrijk roeren. Mijn man ziet zijn actie als een slimme tactiek. ‘Je zegt: “Mensen, we hebben geen oorlog, we hebben een debat.” Zo demonteer je de granaat. Momentum voorbij, president kan blijven zitten’, zegt hij. Ik zie wat hij bedoelt. Tegelijkertijd denk ik: wat moet Macron dan? Wat zit er anders op dan praten (en luisteren)? Hoe moet je anders reageren op al die woede?

Onder filosofen heeft woede een slechte pers. Het enige dat er misschien goed aan is, is dat woede aangeeft dat je waarden hebt, zei Aristoteles al. Je wordt immers kwaad als iets dat jij waardeert schade ondervindt. Aristoteles benoemde nog twee condities om van woede te kunnen spreken: je moet geloven dat die schade iemand te verwijten valt, én je moet verlangen naar een soort compensatie of vergelding. En daar, zodra het gaat over vergelding, beginnen de meeste filosofen met hun hoofd te schudden. Niet wijs! Beter is het om adem te halen, je ogen op de toekomst te richten, en te komen met constructieve voorstellen die recht doen aan jouw gekrenkte waarden.

Verstandige woorden van de zelfbenoemde denkelite. Maar het maken – en verwoorden – van constructieve voorstellen veronderstelt een inspanning waarvan ik me soms afvraag of de moderne boze burger die kan leveren. Het vraagt dat je je woede omzet in een taal die je niet ervaart als de jouwe, de taal van ‘hullie daar in Parijs’ (of Den Haag). Je staat hoe dan ook bij voorbaat al op achterstand, omdat de bestuurlijke elite veel geoefender is in het werken met woorden dan jij. Wat de frustratie en woede alleen maar verdiept.

Zo althans analyseert de jonge Franse intellectueel Édouard Louis de woede van de gele hesjes. ‘De upper class veroordeelt woede, maar dat is wel heel gemakkelijk. Ze heeft er geen behoefte aan omdat ze macht heeft’, zei hij in Filosofie Magazine van vorige maand. Zelf werd Louis overigens gillend gek in het bekrompen Noord-Franse arbeidersmilieu waar hij als homoseksuele jongen opgroeide. Zodra het kon, vluchtte hij naar Parijs. Maar nu snapt hij zijn milieu, en neemt hij het ridderlijk voor ze op.

Ik denk dat er veel waarheid schuilt in deze kritiek op de politieke overleg-elite. Maar ik vind het ook wat laf om ten overstaan van woede gelijk door de knieën te gaan. Dan wordt de filosoof in mij toch weer wakker. Woede is een teken dat er waarden gekrenkt zijn, en daarom verdient ze onderzoek. Maar als het blijft bij lekker woedend blijven, schiet het allemaal niet op. Onze democratie draait nu eenmaal op woorden. Zo bereik je elkaar in een gemeenschap van halve vreemden.

Goed gebruik van woorden vereist inspanning. De politieke elite heeft onmiskenbaar een voorsprong als het op het hanteren van woorden aankomt, en in die voorsprong schuilt ontegenzeggelijk iets onrechtvaardigs. Maar om toe te treden tot de elite, hebben zelfs zij zich moeten inspannen. Ook zij hebben moeten leren om hun woorden te verdiepen en te verbeteren. Dat valt evenmin te ontkennen.

De gele hesjes lijken die inspanning om te zoeken naar de juiste woorden niet te leveren. Integendeel, ze zijn militant anti-politiek, zoals James McAuley zegt in de New York Review of Books. Ze willen niet in debat. Hun opstand is eerst en vooral een performance. Ze willen gezien worden – vandaar ook dat symbool van het gele hesje.

Soms is zo’n performance nodig. Kennelijk voelde Macron de smeulende woede eerder niet aan, en dat valt hem te verwijten. Maar ik zie niet wat hij als politiek leider nu anders kan dan zeggen: ‘Et alors? Wat zou je willen afbreken? En vooral: wat zou je weer willen opbouwen? Praat met me!’ Als je niet praat, is verongelijktheid je lot.

Incasseren

Morgen zal Theresa May voor de zoveelste keer tussen de loeiende partijen staan. Het Britse parlement stemt dan over plan B, een cosmetische variant op haar plan A dat het parlement eerder met een overweldigende meerderheid afserveerde. Ik heb geen idee wat de dag zal brengen, maar durf wel te voorspellen dat May weer veel zal moeten incasseren – en dat ze dat zal doen ook. Als één ding opvalt aan May, dan is het wel dat ze nauwelijks succes boekt en desondanks van geen wijken wil weten.

Maakt die onverzettelijkheid haar tot een goede politica? Predikant Joost Röselaers vindt duidelijk van wel. Vorige week kreeg hij in NRC Handelsblad ruim baan om de lof van May te bezingen. Röselaers typeerde haar als ‘koelbloedig, scherp en overtuigd’. Haar politieke pad presenteerde hij als ‘een lijdensweg, die zij alleen moet gaan en waarin zij slechts is aangewezen op haar innerlijk weten.’

De vooraanstaande Britse politicoloog Sir Anthony Seldon oordeelt totaal anders over May. ‘Je moet haar uit 10 Downing Street trekken, met stiletto’s die scheuren over het tapijt’, zei hij op de BBC. Seldon vertelde dat Britse vrouwen altijd zo lang mogelijk aan de macht willen blijven. ‘Bij May speelt bovendien een enorme ambitie mee’, wist hij. ‘Dit is haar leven, ze heeft geen kinderen, geen sociaal leven.’

Wat moet je hier nu mee. Seldon verdrinkt in zijn eigen seksisme – en als hij ooit wordt opgedregd zal ik geen moeite doen om hem te reanimeren. Dominee Röselaers presenteert May als een soort hedendaagse messias. Nu lijkt het er inderdaad op dat May beschikt over het benodigde masochisme om een lijdensweg te doorlopen, maar Röselaers negeert dat het haar juist schreeuwend ontbreekt aan het voor een messias toch evengoed benodigde charisma. En welke overtuiging dicht hij May eigenlijk toe? Je zou het bijna vergeten, maar May was oorspronkelijk tegen de Brexit. Is het meest mysterieuze aan May juist niet dat ze al die klappen incasseert om een doel te bereiken waar ze zelf niet eens achterstaat?

Zelf zie ik May als een bezetene, gehackt door de Brexit. Al maanden wordt haar energie afgetapt om een idee dat haar wezensvreemd was zo competent mogelijk uit te voeren. We kennen dat soort personages uit horrorfilms. Ze zijn door niets meer te kwetsen, want ze zijn toch hun ziel al kwijt. En juist dat maakt ze zo onverstoorbaar, zo standvastig. Zo koel. Zo doodeng.

De mens May wordt ongetwijfeld onrecht aangedaan met dit gepsychologiseer door Seldon, Röselaers en mijzelf. Toch zal de politicus May zich dit moeten laten welgevallen. Leiders krijgen enorm veel macht in handen. Zij moeten namens ons zware beslissingen gaan nemen, ook in een crisis – dus in situaties die wij (en zij) niet voorzien. We moeten er feitelijk maar op hopen dat die macht hen ook dan is toevertrouwd. Dat valt niet te beoordelen op grond van partijprogramma’s. Dat kunnen we alleen enigszins inschatten op basis van de persoonlijkheid van de leider. We zouden dus wel gek zijn om niet te speculeren over het karakter van de leider die we in het zadel helpen.

May heeft overduidelijk managementkwaliteiten. Ze voert de haar toebedeelde taak kalm, volhardend en loyaal uit. Waarschijnlijk heeft haar standvastigheid de Tories behoed voor een scheuring, en als ze een bedrijf zou leiden, zou ze vast wel in aanmerking komen voor een royale bonus. Maar ze leidt geen bedrijf, en ze kan niet ten rade gaan bij een raad van bestuur die de lijnen uitzet. Ze leidt een partij, en zelfs een land. Dan heb je meer nodig dan volharding alleen. Dan komt het ook aan op bezieling en innerlijke overtuiging.

Verstandige woorden en procedurele kwaliteiten zijn niet genoeg in de politiek. Burgers moeten hun leiders ook kunnen voelen om ze te kunnen vertrouwen. Het is belangrijk om te weten met wat voor soort persoonlijkheid je van doen hebt. Bij veel wereldleiders voel ik gelijk iets: Merkel gloeit, Macron blikkert, Trump walmt. Dit zijn natuurlijk maar mijn gevoelens. Ze zijn de waarheid niet en worden pas interessant in een debat waarin je ze verder onderzoekt en articuleert. Maar elke beoordeling van politieke leiders bouwt voort op het gevoel dat zo’n leider oproept. Gevoel is het begin van waardering. En bij May voel ik niets.