Band met de grond

Vermoedelijk maken Nederlandse boeren zich op dit moment vooral druk om de aanhoudende droogte, maar als ik boer was, dan zou ik ook zenuwachtig worden van de Landbouwbrief waaraan minister Carola Schouten deze zomer schrijft. Welke visie op de toekomst van de landbouw Schouten in haar brief ook gaat verwoorden, ze zal onvermijdelijk oproepen tot verandering. Het systeem waaraan het gros van de boeren zich met huid en haar heeft overgeleverd, is simpelweg onhoudbaar geworden.

Ik heb een zwak voor boeren. Niet alleen omdat ik geboren en getogen ben in het boerenlandschap van de Alblasserwaard, de polder met het mooiste licht ter wereld. Ook omdat ik houd van ondernemers die hun lot verbinden aan een concrete plek. Boeren zijn extreem geaard: ze gaan relaties aan met hun grond, met de lokale gemeenschap, met hun eigen traditie. Die diepe band met het land maakt hen in mijn ogen heel wat sympathieker en betrouwbaarder dan het type ondernemer dat zonder enige scrupules verkast zodra er elders meer winst te behalen valt.

Tegelijk is het die band met de grond die landbouwen in Nederland inmiddels zo problematisch maakt. Onze grond is simpelweg te schaars en te duur geworden voor het zakelijke model van de Nederlandse doorsneeboer. Een tijdje liep Nederland voorop in de strategie om tegen steeds lagere kosten steeds meer voedsel te produceren, en konden we op de wereldmarkt concurreren op kostprijs. Maar nu ook andere landen hypermoderne landbouwmethoden hanteren, blijken onze producten opeens relatief duur. In -zeg- Roemenië zijn grond en arbeid goedkoper, de milieueisen minder streng, en de buren klagen minder want ze wonen heel wat verder weg.

De Nederlandse landbouw staat onder druk, en boeren voelen dat. Uit een grote peiling die Trouw onlangs hield, blijkt dat bijna de helft van onze boeren weleens wakker ligt vanwege zorgen om de toekomst. Meer dan tachtig procent van hen zou graag overstappen op een meer natuurvriendelijke methode van boeren, maar ziet daar op eigen kracht geen mogelijkheden toe. Zij hebben hun hele hebben en houden geïnvesteerd in die voor Nederland failliete strategie van kostprijsreductie, al hun relaties en verplichtingen liggen daar, en nu kunnen ze (naar eigen zeggen) het voorbeeld niet volgen van de zes procent boeren die zijn overgeschakeld op een biologische productiewijze. De meeste boeren doen dus iets waar ze zelf niet meer in geloven. Tsja.

Ik denk dat Schouten wel weet dat de Nederlandse landbouw zijn verlies zal moeten nemen – met als interessante politieke vraag waar de rekening precies zal gaan belanden. Boeren zullen ondertussen hun band met de grond moeten herijken. Twee extreme verhalen liggen al klaar. In het ene verhaal knipt de Nederlandse landbouwsector zijn band met de grond min of meer door. De winnaars onder de boeren verhuizen naar het buitenland, waar ze eindeloos kunnen uitbreiden en rationaliseren. Nederland verkoopt ondertussen niet langer landbouwproducten, maar landbouwmethoden: hoogtechnologische kennis om de opbrengst per hectare te vergroten, kassen te rationaliseren, koeien automatisch te melken, varkens en kippen te fokken die niet opstandig zijn en snel spiermassa opbouwen, et cetera. De grond verdwijnt uit beeld.

In het andere verhaal richten boeren zich op de lokale belevingseconomie. Ze bedienen fietsende bejaarden die even komen uitblazen in de theetuin op het boerenerf, en wie weet ook nog wel een pondje kersen, een doosje eieren, een lokaal kaasje kopen. Ze beginnen een camping, laten hun koeien knuffelen, zetten een boerengolfcircuit uit. Allemaal best goed gevonden als je je bedrijf overeind wil houden, maar een serieuze strategie om de positie van de Nederlandse landbouw te herijken zie ik er niet in en het wereldvoedselvraagstuk los je er al helemaal niet mee op.

Wat Schouten nodig heeft, is een nieuwe kijk op de omgang met Nederlandse grond. Wat mij betreft zoekt ze haar heil niet in hoogtechnologische landbouw die zijn voeten niet hier in de delta heeft staan. Maar ik hoop dat ze haar kaarten ook niet zet op boeren die doen alsof we allemaal in een truttig hobbitland willen wonen. Mensen leven door stof uit te wisselen met de grond. Landbouwen is onze basale tovertruc om grond via planten of dieren eetbaar te maken voor mensen. Stel boeren in staat om dat duurzaam voor ons te doen.

Beslissen

Het zal wel liggen aan mijn gebrek aan voetbalvuur, maar het interessantste van het hele wereldkampioenschap voetbal vind ik de introductie van de Virtual Assistent Referee (VAR). In een afgesloten ruimte, omringd door een batterij aan technologie, screent de videoscheidsrechter de wedstrijd. Zodra de veldscheidsrechter een twijfelachtige beslissing neemt rond een cruciale spelsituatie meldt de videoscheidsrechter dat in het oortje van de veldscheidsrechter. Die kan vervolgens de wedstrijd stilleggen, zich laten informeren door de beelden, en eventueel zijn beslissing terugdraaien. Hij kan de videoscheidsrechter echter ook negeren.

De komst van de videoscheids dwingt de veldscheids dus tot een metabeslissing. Wat acht hij belangrijker: het spel bevriezen en uitpuzzelen wat zich precies heeft voltrokken? Of laten doorspelen? Die inschatting zal deels een kwestie van smaak zijn. Het karakter van de veldscheidsrechter is door geen enkele technologie helemaal te neutraliseren.

Nu zou ik iets kunnen zeggen over het uitbesteden van beslissingen aan technologie, over onze onrealistische verwachtingen daaromtrent, enzovoort. Maar wat me hier interesseert is de functie van een beslissing in een verhitte situatie – of die situatie zich nu voordoet op het voetbalveld, in de politiek, of in huiselijke kring. Zo’n beslissing moet vaak meerdere dingen tegelijk doen. Je wilt natuurlijk dat de beslissing juist en terecht is, zodat we allemaal weer weten waar we aan toe zijn. Beslissen dient dan de goede orde. Maar een beslissing is ook een markering in de tijd. In een situatie die diepe emoties oproept, die verontrust, waar belangen botsen, moet een knoop doorgehakt worden, opdat zowel de winnaars als de verliezers verder kunnen. Met abstracte begrippen als rechtvaardigheid en orde heeft dat niet zoveel te maken. Hier gaat het veeleer om stromen.

Sommige beslissingen zijn evident onrechtvaardig, en een correctie op grond van betere informatie of nieuwe inzichten is dan heilzaam. Maar stilleggen heeft zijn prijs. Al te grote precisie, streven naar de perfecte beslissing, gaat ten koste van levendigheid. Een voetbalfan wil eerst en vooral de roes, de opwinding, de vloeiende schoonheid van het spel ervaren. Precies dat wordt ondermijnd als je moet wachten met juichen (of balen) totdat de scheidsrechter de videobeelden heeft bekeken, zoals Tonie Mudde en Lennart Bloemhof afgelopen vrijdag in een mooi stuk in deze krant opmerkten.

Moeten wachten. Susan Khani wacht op de executie van de moordenaar van haar moeder. De staat Arkansas heeft hem ter dood veroordeeld, maar de rechters zijn met elkaar in strijd over de rechtmatigheid van de vorm van executeren. Gevolg: al 25 jaar lang leeft Susan in een zone waar een beslissing niet wordt uitgevoerd. In de documentaireserie Life and Death Row, die de VPRO op dit moment uitzendt, is te zien hoe dit haar totaal verkrampt. ‘Doe het nu maar, dan kan ik het afsluiten. Dat zal me rust brengen’, zegt ze. Ik denk dat geen enkele gebeurtenis in de buitenwereld deze Susan de verlossing gaat brengen waar ze op hoopt, zeker niet de dood van een ander. Maar ik kan me wel iets voorstellen bij haar gevoel dat ze haar leven niet kan hervatten. Er gebeurt maar steeds niets. Ze kan niet uitademen.

Een beslissing kan ook een politieke impasse doorbreken. In 2000 waren Al Gore en George Bush verwikkeld in een nek-aan-nekrace om het Amerikaanse presidentschap. De uitgebrachte stemmen in Florida zouden de doorslag geven. Bush won daar met 537 stemmen; een marge dermate futiel dat er direct controverse ontstond over de manier van tellen. Op nogal wat ongeldig verklaarde biljetten hadden kiezers bijvoorbeeld zowel het vakje bij Gore ingeponst als zijn naam op het biljet geschreven, waardoor er geen misverstand kon bestaan over hun bedoeling. Moesten die stemmen dan niet toch meegewogen worden? Er dreigden eindeloze discussies waarbij steeds meer feiten en gezichtspunten zouden worden ingebracht. Uiteindelijk smoorde een rechter de discussies door Bush tot winnaar uit te roepen.

En dat is goed, aldus politiek wetenschapper Daniel Sarewitz, aan wie ik dit voorbeeld ontleen. Soms moet er een knoop doorgehakt worden, ook al vind je de beslissing persoonlijk moeilijk te verkroppen, ook al blijft er een zweem van willekeur omheen hangen. Een beslissing is er namelijk ook om een ‘ervoor en erna’ te creëren. Om dóór te kunnen gaan met het leven. Juist als je iets verloren hebt.

Complot

In een episode van Mad Men, de hitserie over de New Yorkse reclamewereld in de jaren zestig, raakt creatief directeur Don Draper verzeild op een feestje van een van zijn minnaressen. De machtige en succesvolle Draper, zoals altijd strak in het pak, steekt nogal af bij dit vrijgevochten liefje en haar alternatieve vriendenclub. Een van de gasten verwijt Draper dat ‘het systeem’ waarbinnen hij werkt een vals bewustzijn verspreidt, terwijl types zoals Draper dat systeem ondertussen louter voor hun eigen gewin aanwenden. Koeltjes zegt Draper: ‘Ik had het liever niet verklapt, maar er is geen grote leugen. Er is geen systeem. Het heelal is onverschillig.’

Ik moest aan deze scène denken toen ik onlangs in NRC Handelsblad een artikel las van socioloog Eric Hendriks, waarin hij op een grappige manier tekeergaat tegen complotdenkers. Hendriks richt zijn pijlen vooral op Willem Middelkoop, bekend van RTLZ en schrijver van Patronen van bedrog waarin hij het bestaan onthult van geheime, zelfzuchtige clubs die – zonder dat wij sukkels het in de gaten hebben – wereldwijd de touwtjes in handen hebben. Gelukkig is Middelkoop er om ons te waarschuwen. Met gevaar voor eigen leven! Want als die clubs werkelijk zo machtig zijn, zullen ze er geen been in zien om Middelkoop koud te maken, zoals Hendriks ironisch opmerkt. Waarna hij constateert dat dat hele complotdenken drijft op de ijdelheid van types zoals Middelkoop.

De roekeloosheid waarmee complotdenkers hun ontdekkingen verkondigen aan iedere voorbijganger die zich niet op tijd uit de voeten weet te maken, is inderdaad adembenemend. En die Middelkoop lijkt me zeker een ijdel mannetje. Maar in tegenstelling tot Hendriks geloof ik niet dat de meeste complotdenkers ijdel zijn. De relatie ligt anders. IJdelheid is een karaktertrek die maakt dat je een podium zoekt, dat je hengelt naar de aandacht van mensen die naar jouw verhalen over -bijvoorbeeld – geheime complotten willen luisteren. En wie zoekt, zal bovengemiddeld vaak vinden. Bekende complotdenkers zullen zeker vaak ijdel zijn, maar dat heeft eerder te maken met een verband tussen bekendheid en ijdelheid dan met een verband tussen ijdelheid en complotdenken.

Complotdenkers hebben volgens mij een andere eigenschap gemeen: ze kunnen niet omgaan met onvolmaaktheid. De afwezigheid van een verklaring voor een gebeurtenis is voor hen onverdraaglijk. Als een beroemd persoon omkomt bij een vliegtuigongeluk, moet dat gewoon wel het gevolg zijn van een samenzwering. Complotdenkers zien nog liever snode plannen dan menselijk onvermogen, of simpelweg toeval en pech.

Je komt dergelijke karakters ook in de filosofie tegen. Daar heten ze systeembouwers. Voor Hegel, Marx of Lacan is alles te verklaren met een beroep op ‘hun systeem’. Zo’n systeem kan tijdelijk nut hebben, als een soort denkoefening die bepaalde patronen in de wereld doet oplichten. Maar wat ik inmiddels ten diepste geloof, is dat de werkelijkheid te uitbundig en te groot is om volledig door onze geest in een of ander systeem gevat te worden. Je kunt alleen een coherent systeem bouwen door de werkelijkheid te redigeren. Door uit de realiteit te schrappen wat de aandacht afleidt van jouw hoofdboodschap. Waarmee je jouw idee belangrijker maakt dan de realiteit.

Tegenwoordig heb ik een nieuwe lakmoesproef: kan een theorie pijn, onvolmaaktheid en mislukking verdragen? Of ziet ze die als een aberratie, als een soort afwijking van de normaaltoestand? In dat laatste geval is de theorie meedogenloos. Totalitair. Dit soort denkneigingen vind je niet alleen bij bepaalde filosofen of complotdenkers, maar bijvoorbeeld ook bij marktgelovigen of esoterische goedpraters die elke beproeving presenteren als een kans om te leren en te groeien. Ja, tot je er dood bij neer valt, denk ik dan.

Don Draper heeft gelijk. Sommige dingen gebeuren gewoon. Ze hebben geen bedoeling. Het heelal is niet zozeer kwaadaardig als wel onverschillig. Mensen die vluchten in een systeem, doen dat om deze pijnlijke waarheid niet onder ogen te hoeven zien. Die neiging weg te kijken van de realiteit is overigens precies wat types als Draper zo machtig maakt. Het stelt hen in staat om via reclame de onderliggende menselijke angst voor onvolkomenheid te exploiteren. Het enige wat er op zit: onvolmaaktheid verdragen. Anders word je ofwel een vazal van een of ander denksysteem waaruit geen licht kan ontsnappen, ofwel een speelbal van snelle reclamejongens zoals Don Draper.

Gefopt

Boris Johnson, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, legt de telefoon neer. Hij heeft zojuist gebeld met de nieuwe Armeense interim-president Nikol Pasjinian om hem te feliciteren met zijn benoeming, en probeert nu nerveus na te gaan wat hij ook alweer heeft gezegd. Pasjinian had hem gevraagd hoe zeker hij ervan was dat de aanslag op Britse bodem op dubbelspion Skripal en zijn dochter het werk was van de Russen. ‘Daar zijn we bijna honderd procent zeker van’, had hij hem toevertrouwd. ‘Ik hoop dat Poetin mij niet vergiftigt met zenuwgas’, zei de Armeense president toen, waarop hij, Boris, een hol lachje had laten horen.

Wanneer begon het Boris Johnson precies te dagen dat hij met een nep-president aan de lijn hing? Dat vermeldt the Guardian niet. Maar zeker is volgens de Britse krant wel dat Johnson half mei heeft gebeld met twee Russische mannen, Lexus en Vovan (artiestennamen), die de geluidsopname van het gesprek naderhand openbaar maakten. Geintje! Johnson – die zelf toch niet helemaal voor niets vaak een ‘clown’ wordt genoemd – verklaarde achteraf stijfjes dat de bellers geen grappen hadden mogen maken over zulke serieuze zaken. Johnson zette het gesprek dus snel weg als een grap. Maar als het al een grap was, dan geen onschuldige. Op het moment van bellen schatte Johnson de waarheid van zijn situatie niet goed in, en dat is nogal link als je zoveel macht hebt als een minister.

Politici hebben een ongemakkelijke verhouding met waarheid. Nee, niet omdat ze graag draaien en liegen, zoals de vermoeide reflex van het volk luidt. Maar omdat een goede politicus een sterke overtuiging nodig heeft. En sterke overtuigingen staan onbevangen kijken in de weg. Juist als je al krachtig stelling hebt genomen, legde neurowetenschapper Tali Sharot onlangs uit in een mooi artikel in deze krant, probeer je nieuwe feiten met man en macht in de mal van jouw overtuigingen te persen. De waarheid is dan vers twee. Het prijskaartje van weten hoe het echt zit, is immers dat je dan wellicht niet meer kunt geloven wat je graag wilt geloven. Liever zet je al je intelligentie en vernuft in om jouw groepje of partij sterker te maken. Je zou ook kunnen zeggen: politiek is steviger verankerd in onze biologie dan wetenschap.

Openstaan voor de waarheid is voor iedereen moeilijk, en al helemaal voor politici omdat zij extra tegengas ondervinden van hun eigen sterke overtuigingen. Toch hebben ook zij de waarheid nodig om succesvol te zijn. Waarheid heeft namelijk een aanzienlijk praktisch nut: een juiste inschatting van je situatie geeft je grip op de werkelijkheid. En een goede politicus wil niet alleen overtuigen, maar ook werkend beleid inzetten en effectieve diplomatie bedrijven. Dat moet zich allemaal in de echte wereld voltrekken, en die trekt zich niets van jouw overtuigingen aan. Een politicus die niet alleen stemmen wil winnen, maar ook de wereld wil veranderen, zal dus iets met de waarheid moeten.

Natuurlijk is het moeilijk om te weten wat de waarheid is – misschien is de zuivere waarheid wel onmogelijk te bereiken of zelfs maar te herkennen, zoals alle eerstejaars filosofie elkaar vertellen. Maar dat maakt ‘waarheid’ nog niet tot een hol begrip. De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, die indertijd zo’n hit scoorde met zijn essay On Bullshit, laat dat mooi zien in On Truth, een vervolgessay waarin hij de bullshitter afzet tegen de leugenaar. De bullshitter kan het niet schelen of het waar of onwaar is wat hij zegt. De leugenaar daarentegen poneert dingen waarvan hij zelf denkt dat ze onwaar zijn. Ik vind het een slimme retorische draai van Frankfurt: de waarheid is moeilijk te definiëren, maar in de praktijk weten we meestal prima wanneer iets niet waar is. Een leugen parasiteert op de waarheid. En toont daarmee indirect aan hoe enorm functioneel dat idee ‘waarheid’ voor ons is. Zolang we er niet over nadenken, is de waarheid een onmisbaar ijkpunt in ons dagelijks leven.

Een Britse diplomaat prees Johnson naderhand omdat hij het gesprek ‘al’ na achttien minuten tamelijk abrupt afbrak. Kennelijk had Boris in de gaten gekregen dat er iets niet klopte. Hij zag de pijnlijke waarheid van zijn eigen situatie in, dwars door zijn overtuigingen en aannames heen. Toch een soort van hoopvol.

Kunnen we het over de wereld hebben?

Je kunt jezelf aardig wereldwijs wanen, totdat er iets gebeurt dat je niet had zien aankomen. Dat overkwam mij toen ik in deze krant vernam dat de directie van Noorderlicht een serie foto’s van Jan Banning weigerde te vertonen. Banning had zichzelf tussen Ghanese stamhoofden geposteerd, en dat vond het management ‘respectloos’. Door die manier van doen zou de fotograaf de neokoloniale beeldvorming van Afrika voortzetten.

Zelf interpreteer ik de serie, die Banning de titel The Sweating Subject meegaf, totaal anders. Ik schreef er al over in een eerdere column, en prees Banning toen juist voor zijn sensitiviteit. Want ik zie tussen die waardige Ghanezen een kleine, klamme man die zich als een soort wethouder Hekking het beeld in wurmt zonder dat het hem lukt om een prominente plaats te bemachtigen (het knappe van de foto’s is dat je echt even naar Banning moet zoeken). Dit maakt The Sweating Subject voor mij tot een serie over een blanke man die zijn vanzelfsprekende centrale plek heeft verloren en zich geen houding meer weet te geven; een slim en grappig amendement op de koloniale beeldvorming.

En andere mensen zien in diezelfde foto’s dus een gebrek aan respect. Dat is binnen de huidige mores een fataal verwijt, en lekker abstract bovendien; gebrek aan respect ontwaren is zó erg dat je niet meer hoeft uit te leggen waar die respectloosheid precies in schuilt. Zucht. Nog een zucht. En dan: okay, laat me moeite doen om na te voelen wat hier aan de hand zou kunnen zijn.

Banning presenteert zichzelf in deze fotoserie uitdrukkelijk als de vreemde eend in de bijt. De vraag is: wil hij daarmee iets over zichzelf zeggen, of over de wereld? Ik denk dat Banning iets wil zeggen over de wereld. Voor mij gaat zijn project over een westerse blik die zijn onschuld definitief verloren heeft, en over de zoektocht naar hoe je dan in vredesnaam moet kijken. Maar stel nu dat je denkt dat Banning iets over zichzelf wil zeggen. Dan zou je je inderdaad aan dit project kunnen storen. Noorderlicht had Banning op pad gestuurd om stamhoofden te portretteren in de hoop zo het beeld van Noord-Ghana te verdiepen en nuanceren. Die portretten heeft Banning netjes gemaakt, maar daarnaast maakte hij dus ook die zweetserie. En wat trekt de meeste aandacht? Juist, die foto’s van een witte man die zijn eigen ongemak zo interessant vindt.

Het wonderlijke is: eenmaal geformuleerd kost het haast moeite om niet mee te glijden in deze duiding, gewend als we zijn geraakt aan verhalen die de persoonlijke kaart spelen. De persoonlijke invalshoek is al jaren zo ongeveer de gouden regel in communicatieland. Wil je de aandacht trekken, wil je mensen boeien, dan moet je het over jezelf hebben – liefst in je kwetsbaarheid.

Identiteitspolitiek leent zich bij uitstek voor dit soort verhalen, en heeft (zo vermoed ik) mede daardoor de wind in de zeilen gekregen. Het is een soort pact: je krijgt mediatijd om onrechtvaardige praktijken rond gender, dyslexie, ras, ouderdom – noem maar op – aan de orde stellen, mits je een boekje open doet over je eigen pijnlijke ervaringen in dit opzicht. Want pijn spreekt de mensen aan. Hoe je vanuit het delen van dergelijke intimiteiten tot politieke verandering denkt te komen, is wat minder interessant voor een televisieprogramma. Je roept iets over ‘bewustwording’, en dat is het dan.

Identiteitspolitiek presenteert zich als een bevrijdende emancipatiestrijd. Je zou hopen dat zo’n politiek van bevrijding ook betekent: bevrijding van jezelf en je eeuwige eigen verhaal. Dat je de blik niet alleen naar binnen, maar ook naar buiten kunt richten. Dwars door je eigen bepaaldheden heen. Een persoonlijke invalshoek geeft realiteit en urgentie aan een verhaal, zeker. Maar als je dat verhaal niet kunt of durf te verbreden, dan blijf je gedoemd om het altijd maar over jezelf te hebben. Dan kun je geen connectie meer maken met de wereld buiten je. Met anderen.

Kunnen we ons überhaupt nog voorstellen dat Banning in zijn serie niet de aandacht wilde vestigen op zijn persoonlijk ongemak, maar via zichzelf iets van algemener belang aan de orde wil stellen? Dat hij niet vraagt: ‘Wie ben ik nu nog?’ maar: ‘Wat is hier aan de hand?’

Redenen van het hart

Een schot. Een gilletje. En dan: ‘Hij leeft nog!’ Vlak daarna: ‘Meneer, hij ademt nog. Schiet hem alstublieft nog een keer. Alstublieft!’ De camera zoomt in op een neergezegen hert. Op bezwerende toon zegt de medewerker van Staatsbosbeheer: ‘Mevrouw, geloof me, dat heeft geen zin. Dit zijn stuiptrekkingen.’ De vrouw barst in snikken uit.

Vijf jaar geleden vergaapten we ons in de bioscoop nog aan De Nieuwe Wildernis, een natuurfilm over de Oostvaardersplassen. We zagen ochtendmist optrekken, jonge dieren hun eerste wankele stapjes zetten, paarden feeëriek over de velden draven. We genoten van deze beelden van ‘ongerepte wildernis’ in onze eigen polder. Dat zoiets bestond in Nederland!

Een relatief strenge winter later bleek de schoonheid van natuur waar mensen nu eindelijk eens met hun tengels van afblijven zich ook te kunnen manifesteren als het drama van hongerende, lijdende dieren. De Oostvaardersplassen staan beide zienswijzen toe. Welk beeld domineert hangt af van wat je het meeste aan het hart gaat.

Wat is er eerst: een inzicht (waar dan een gevoel uit volgt) of een gevoel (waar dan een inzicht uit volgt)? Tijdens de hoogtijdagen van het rationalisme dachten veel filosofen dat inzicht in waarden en belangen tot passende gevoelens en handelingen zou leiden. Er is echter ook altijd een stroming geweest die zei dat het precies andersom werkt. Eerst voel je iets – en vervolgens ga je voor jezelf uitzoeken welke redenen je daar eigenlijk voor hebt. De Britse filosoof Simon Blackburn stelt dat dit nu zo’n zeldzaam filosofisch probleem is waarbij één groep het gelijk duidelijk aan zijn zijde heeft – en wel de laatste. Als mens reageer je eerst op de wereld om je heen, en dan volgt (soms) het redeneren.

Toen Staatsbosbeheer in 1996 het beheerplan voor de Oostvaardersplassen opstelde, baseerde de dienst zich op het verlangen om ‘natuurlijke ecologische processen maximaal de ruimte te geven’. Dat is een emotie die ik goed kan navoelen. Ja, laat me leven in een land dat ten minste één gebiedje kent waar de natuur haar gang kan gaan! Waar natuur er gewoon is voor zichzelf en niet functioneel hoeft te zijn voor mij – als wandelaar, recreant, agrariër, of wat dan ook. Ik snak naar gebieden buiten de menselijke invloedssfeer. Wereldwijd verdwijnen dergelijke plekken, en dat besef beknelt en doet pijn. Waar je ook kijkt, zie je jezelf gespiegeld. Een claustrofobische ervaring.

Ook de emoties van de actievoerders kan ik trouwens goed navoelen. Zij zien dieren lijden, en voelen de impuls om die dieren te helpen. Wat kan ik zeggen? Je ziet leed en je wilt het verzachten. Dat lijkt me een juiste reactie, die net zo goed verbondenheid uitdrukt met de natuur.

Waar emoties en waarderingen op elkaar botsen, begint het redeneren. Als ik op het spoor zit van verlangen naar een plek waar mensen bijzaak zijn, verdedig ik het schouwspel van de stervende dieren met het argument: ‘Lijden hoort bij de natuur.’ Als ik me richt op die kwijnende dieren, bijt ik mezelf toe: ‘Jij noemt een gebied met een hek eromheen in een door mensen gemaakte polder natuur?’ Tja, die zit. En toch zegt mijn andere ik even later verdrietig: ‘Moet ik het verlangen naar plekken zonder menselijke bemoeienis dan maar helemaal opgeven? Moet echt de hele aarde betrekking hebben op ons? Zo wil ik niet kijken!’

De Oostvaardersplassen zijn politiek geworden. Politiek is onze manier om conflicterende emoties en hun bijbehorende waarden maatschappelijk vorm te geven. Daarbij maakt het weinig uit of die emoties nu rauw tot uitdrukking komen, zoals bij de uitzinnige actievoerders, of meer gepolijst, zoals bij ideologische ecologen. Ik weiger dit conflict te zien als een botsing tussen emotie en ratio. De experts zijn ook emotioneel. Ze hebben alleen andere emoties, die opborrelen uit andere waarden. Emoties die getuigen van een ander inzicht en een andere beleving. En aangezien experts van die waarden hun werk hebben gemaakt, kunnen zij het inzicht dat in hun beleving besloten zit wat beter met feiten en argumenten bekleden. Dat maakt hun inzicht misschien sterker, maar daarmee nog niet waardevoller.

Ik bedoel maar: de politiek kan zich in het geval van de Oostvaardersplassen niet verlaten op feiten. Ze zal een koers moeten kiezen op grond van waarden.