De samenleving heeft het gedaan

‘We waren nooit eerder zo rijk, veilig en welvarend, en toch worden we overspoeld door een golf van depressies en burn-outs. Hoe kan het dat miljoenen mensen in deze welvaart leegte en ongeluk ervaren?’ Vlak voor de kerst hield filosofische verdiepingsorganisatie the School of Life een bijeenkomst waarin drie Vlaamse zielzorgers deze ‘paradox’ kwamen belichten. Dat leverde overweldigend veel media-aandacht op en binnen een mum van tijd was de Stopera uitverkocht. Hier was duidelijk een snaar geraakt. Als moderator van die bijeenkomst ben ik nog steeds aan het peinzen over welke snaar dat nu precies is.

Wat in ieder geval in het oog springt, is dat de drie sprekers – psychiater Damiaan Denys, systeemtherapeut Dirk de Wachter en psycholoog Paul Verhaeghe – allen met hun vinger naar de samenleving wijzen. Die samenleving bestempelt geluk tot bewijs van een goed en succesvol leven. Maar aldoor gelukkig zijn is onhaalbaar, zeggen de drie Vlamingen. Tegenslag, verdriet en periodes van neerslachtigheid horen er ook bij. Door dat te ontkennen – erger: door je te behandelen alsof je een sukkel bent als het leven even niet meezit – creëert de samenleving juist psychisch lijden.

Met dat lijden kunnen mensen in het dagelijks leven geen kant uit. In arren moede zoeken ze dan toevlucht bij een diagnose: hun misère is het gevolg van een (psychische) ziekte. Zeker, ziek zijn is vervelend – maar het heeft ook voordelen. Eén: je ongeluk is niet langer een teken van persoonlijk falen, maar van botte pech. En twee: als zieke krijg je erkenning, hulp en respijt. In principe dan. Want in de praktijk zijn de wachtlijsten van de ggz ellenlang, precies omdat hordes mensen deze uitweg nodig hebben.

Deze analyse biedt herkenning en geeft opluchting – ook aan mij. Tegelijkertijd blijft er iets knagen. Ik hoor een holle echo van de antipsychiatrie van de jaren 1970: ‘Ik ben niet gek! De samenleving heeft het gedaan, want die is gek en ziekmakend!’ Dat maakt ons tot een soort badeendjes die willoos dobberen op verderfelijke maatschappelijke structuren. Het is zo passief allemaal. En bovendien veel te abstract gesteld; een samenleving is ook maar een woord voor een verzameling individuen. Wie is er nu aan zet? Wie moet er iets gaan doen aan deze narigheid?

Volgens Paul Verhaeghe in ieder geval de therapeuten en psychiaters zelf. Ze willen het misschien niet weten, maar in feite worden deze beroepsgroepen ervoor betaald om mensen die psychisch lijden te ‘normaliseren’, zodat ze weer mee kunnen doen in de maatschappij. Professionals in de geestelijke zorg corrigeren hun patiënten, en dat is een moralistische bezigheid. Begin eens met dat moralisme te onderkennen, want dan kunnen we het er tenminste over hebben, stelt Verhaeghe.

Bij Damiaan Denys blijven ook de ongelukkigen zelf niet buiten schot. “Mensen richten zich enorm op hun lijden”, zei hij in een voorgesprek dat ik met hem voerde. “Ze maken dat lijden tot een onaantastbare, onbetwijfelbare waarheid over zichzelf.” Denys ziet dat als een vergissing. Ik ben al een tijdje aan het kauwen op die opmerking, en kom tot de volgende redenering: ‘Dát je lijdt, is als fenomeen onbetwijfelbaar. In die zin is lijden een primair gegeven. Maar dat wil nog niet zeggen dat jouw lijden dus immuun is voor kritiek of commentaar. Wat je voelt, hangt namelijk ook af van de manier waarop je jouw ervaringen duidt, en daar kan je je wel degelijk in vergissen.’ Nu u het zegt: dat is in feite precies het uitgangspunt van cognitieve therapie.

Als ik Denys goed begrijp, vindt hij eigenlijk dat mensen vaak te eerbiedig met hun eigen lijden omgaan. Ze lopen eromheen, terwijl je jezelf ook zou kunnen aanpakken door te werken aan je aannames, aan wat je van het leven verwacht. Die invalshoek maakt je medeverantwoordelijk voor je eigen lijden. Dat klinkt hard. Maar het is ook een manier om jezelf niet als een passief slachtoffer te zien.

Wat nu? Het lijkt me nogal een wrede timing om mensen die op apegapen liggen onder de neus wrijven dat ze deels zelf verantwoordelijk zijn voor hun lijden. Beter is het als mensen die nu nog rechtop staan, zichzelf zouden durven zien als lid van een samenleving met een behoorlijk raar mensbeeld. Het is hoog tijd voor een soort cognitieve groepstherapie.

Roddy de probleemwolf

Rudolph, het rendier met de rode neus, is inmiddels weer veilig boven de poolcirkel, maar waar zou Roddy toch uithangen? Op internet kan ik geen verse levenstekens vinden; zijn spoor loopt daar dood.

Roddy is het alfamannetje van een roedel wolven in Rodewald (Niedersachsen) en zou al veertig weidedieren hebben doodgebeten, waaronder tientallen schapen, ettelijke kalfjes, twee Shetlandpony’s, een veulen en een alpaca. In Rodewald wil men van Roddy af. Dat gaat echter niet zomaar, want ook daar is de wolf een beschermde diersoort. Dus moest de milieuminister van Niedersachsen eerst een retorische truc uithalen en deze wolf tot ‘ontspoord’ dier verklaren voordat hij een schietbevel kon uitvaardigen.

Inmiddels is Roddy officieel ‘probleemwolf’ en dat schietbevel ligt er ook al sinds begin dit jaar. Maar slimme Roddy liet zich niet schieten. Jagers kregen de rekel wel in het vizier, maar steeds te midden van zijn familieleden. Als de schutters per ongeluk een ‘goede’ wolf zouden omleggen, zouden ze gewoon strafbaar zijn, dus waagden ze het er maar niet op. Na drie maanden loeren verliep de vergunning, afgelopen mei tekende de minister voor een verlenging, en of Roddy zich sindsdien wel te pakken heeft laten nemen, krijg ik dus niet achterhaald.

Eigenlijk vind ik de mensen die zich druk maken om Roddy nog interessanter dan Roddy zelf. In Niedersachsen speelt zich een hele cultuuroorlog af rond het beest. Rond Roddy botsen verschillende mentaliteiten en waarden frontaal op elkaar, zoals dat ook bij ons gebeurde rond de Oostvaardersplassen, en van een afstandje kun je goed zien hoe dat werkt.

Zo snappen de vrienden van Roddy het belang van een goed verhaal. Het eerste wat ze doen is het beest (dat tot dan toe bekend stond als GW717m) een naam geven. Dan presenteren zij Roddy als het hoofd van een kerngezin dat verder nog bestaat uit moeder, twee jonge kinderen en een inwonende dochter. De wolvenvrienden betwisten niet dat Roddy weidedieren heeft gedood, ‘maar’, zo verzekeren ze, ‘die dieren waren NIET beschermd’. Morele subtekst: de baasjes waren te beroerd om hun dieren fatsoenlijk te behoeden en hebben dit lot dus zelf over hun beesten afgeroepen. Dan volgt een dreigement: als ‘kostwinner’ Roddy wordt afgeschoten, zal dit de roedel ernstig verstoren, en dan zullen de weidedieren pas echt wat te vrezen hebben, want juist ontwrichte wolven pakken schapen. Om daverend af te sluiten met de financiën: die procedures rond vergunningen en die gesneefde pogingen om Roddy af te schieten hebben samen al meer dan 80.000 euro aan gemeenschapsgeld gekost. Dat is meer dan de totale schade aan dode weidedieren. Dus waar zijn we nu helemaal mee bezig?

De voorstanders van afschieten zijn daarentegen helemaal klaar met Roddy. Is Roddy moeilijk te pakken te nemen omdat die lafbek zich verschuilt tussen de andere wolven? Schiet dan de hele roedel maar af, want hier moet gewoon een einde aan komen. ‘We vinden de angst onverdraaglijk’, tekent een journalist van de regionale krant op uit de mond van streekbewoners. Dramatisch bewijs: een vrouw wordt ‘s nachts steevast om drie uur wakker en zit dan stijf rechtop in bed, omdat ze bang is dat haar paarden iets wordt aangedaan.

Zo’n anekdote demonstreert al nauwelijks dat de angst ‘onverdraaglijk’ is, en al helemaal niet dat die angst ook reëel is, zou ik zeggen. Tegelijk realiseer ik me het krachteloze van deze opmerking. Waar gevoelens en belangen botsen, worden ook altijd feiten in stelling gebracht – maar redelijkheid leveren die dan allang niet meer op. Ze worden eerder ervaren als munitie om het eigen gelijk kracht bij te zetten. Zie Brexit, zie de opwarming van de aarde, zie onze eigen Oostvaardersplassen. De feiten worden gewoon meegezogen in de strijd. Dat gebeurde ook rond Roddy. De kampen konden het zelfs niet eens worden over zoiets ogenschijnlijk simpels als de omvang van Roddy’s roedel. De autoriteiten telden pubers mee die op punt stonden uit huis te gaan, en de wolvenvrienden wisten wel waarom: als het aantal dieren hoog werd ingeschat, zou het vrouwtje in theorie voldoende hulp hebben bij de jacht voor haar jonkies en kon Roddy dus wel gemist worden. Knal!

Hoe een maatschappij nu uit dergelijke patstellingen ontsnapt, zal voorlopig mijn vraag wel blijven. Ik wens u alvast een knallend nieuwjaar.

Helemaal Bowie

Voor mijn verjaardag mocht ik mee naar Lazarus, de musical over – ja, wat eigenlijk? Vraag me niet het verhaal na te vertellen, maar u weet wel, die musical met songs van Bowie. Mooie avond, goede band, bedwelmende videoclips, en Life on Mars klonk nog dagen na in mijn hoofd. Net als bij miljoenen andere mensen heeft Bowie zich diep genesteld in mijn verbeeldingswereld. Vanwege zijn onvergetelijke liedjes en blitse pakken natuurlijk, maar ook omdat hij de samenleving een zwieper heeft gegeven waarvan we nog steeds niet bekomen zijn.

Voor wie het wil zien, bevat popcultuur altijd maatschappijkritiek – en rond 1970 verliep die kritiek nogal expliciet langs de logge marxistische lijnen van ‘de arbeiders’ versus ‘de kapitalisten’. Bowie deed daar niet zo aan mee, maar apolitiek was hij zeker niet. In feite was hij de echte revolutionair, want met zijn ontwrichtende, bewuste ambiguïteit zette de popster de hele goegemeente aan het denken over eerdere vanzelfsprekendheden. ‘Bowie verlegde het maatschappelijk debat van klasse naar gender’, merkt Christopher Frayling op in de catalogus bij de grote Bowietentoonstelling van een paar jaar geleden. En inderdaad: luister naar Rebel Rebel uit 1974: You’ve got your mother in a whirl / cause she’s not sure if you’re a boy or a girl. Die hedendaagse commotie over fluïde seksuele identiteiten en transkinderen – helemaal Bowie!

Fysiek komt Bowie mannelijk over, met die strakke kaaklijn van hem. Maar hij draagt met graagte make-up en jurken, en het maakt hem niet uit of hij vrijt met een man of een vrouw. ‘Stop me niet in een hokje’, lijkt hij te zeggen. ‘Denk maar niet dat je me vast kunt pinnen.’ Hij eist de vrijheid op om zichzelf naar eigen inzicht en believen te presenteren aan de wereld. Daarmee is hij een absolute trendsetter gebleken.

En er is meer. Je zou het bijna vergeten omdat hij zo wereldberoemd stierf, maar in juli 1973 nam Bowie een enorme gok. Tijdens het laatste optreden van zijn Ziggy Stardust-tour, in het Hammersmith Odeon theater, verklaart hij zijn alter ego publiekelijk dood. Stel je voor! Vijf jaar lang, vanaf zijn zeventiende, had hij al geprobeerd het te maken. Na tal van flops brak hij eindelijk door met Space Oddity, en nu, als Ziggy, is hij echt een ster. Niets ligt meer voor de hand dan dit succes uit te melken. Maar net zo min als hij zich wil schikken naar klasse of geslacht, wil hij zich laten opsluiten in zijn creatie. Ziggy moet het veld ruimen voordat deze publieke persona een keurslijf wordt. Wat een lef, wat een vrijheidsdrang!

Zijn leven lang is Bowie zichzelf opnieuw uit blijven vinden. Als eerste popster ooit creëerde hij steeds nieuwe personages en bleef hij zijn look veranderen. Zeker, zo wist hij mysterieus te blijven, maar ik denk dat dit meer was dan een gimmick. Het past bij zijn filosofie. In een interview voor een muziektijdschrift omschreef hij zichzelf ooit als ‘hybride’ en zei hij: ‘Je bent de mensen die je gisteren was, en eergisteren, en tien jaar geleden.’ Bowie distantieert zich niet van zijn eerdere publieke verschijningen. Die persona’s zijn geen spelletje, hij is ermee verbonden. Maar tegelijkertijd weigert hij om zich tot één ‘ware’ identiteit te laten beperken.

Precies die fluïditeit en beweeglijkheid mis ik in de huidige identiteitspolitiek. Niet dat ik praten over identiteit politiek triviaal vind. Breng vooral in hoe onrechtvaardig bestaande maatschappelijke verhoudingen en arrangementen voor iemand met jouw sociale kenmerken uitpakken, of het nu je geslacht, je afkomst, je beroep of je seksuele voorkeur betreft. Want het is, om met John Berger te spreken, ‘van het grootste belang dat er nooit meer een verhaal verteld zal worden alsof dat het enige, officiële verhaal is’. Breek die bestaande verhalen dus open en laat de veelheid aan ervaringen zien!

Maar identiteitspolitiek is daarvoor eigenlijk een misleidende benaming. Het politieke doel zou immers niet moeten zijn om je met gelijke types in een bolwerk te verschansen en macht naar je toe te trekken, maar om meerstemmigheid en diversiteit te bereiken. En gun die ook jezelf. Wees als Bowie: eis vooral het recht op om je te presenteren zoals je wilt. Maar blijf ondertussen spelen, sta licht op je voeten. Zet jezelf nooit vast in één verhaal.

Claustrofobie

Man en ik bivakkeren een tijdje in een voormalige rupsenkwekerij in de Cevennen, en al dagen bijt ik op mijn tong. Ik ben hier eerder geweest, hij niet, en ik wil steeds zeggen: ‘Zie je hoe die beek is gezwollen na die regenbui, indrukwekkend hè’, of: ‘Straks komen we bij een oud kerkje, en als je dan de trap oploopt heb je een mooi uitzicht over het dal, maar pas op want de balken zijn laag’. Ik weet dat hij dit soort praat haat. Hij wil zelf ondervinden wat hier de moeite waard is. Vaak ziet hij heel andere dingen dan ik, een opmerkelijke dakconstructie of zoiets. We zijn samen, maar we maken zelden hetzelfde mee.

Die verschillende ervaringen zijn het probleem niet; die zijn juist leuk. Het probleem is dat ik in mijn enthousiasme mijn eerdere ordeningen opdring, waardoor hij bijna niet meer onbevangen kan kijken. Ik heb al voorgesorteerd en nu moet hij zich voegen. Of mij van zich afschudden. Allebei niet echt goed voor de sfeer.

Daar in de Cevennen lees ik de roman De goede zoon van Rob van Essen. De leukste passages gaan over een ritje dat de hoofdpersoon maakt in een zelfsturende auto. Die auto is van alle gemakken voorzien, heeft de aangename babbel van een goede taxichauffeur, zoekt via de boordcomputer razendsnel allerlei weetjes op, en leert gaandeweg alles over zijn passagiers wat Google toestaat. Tijdens een bijzonder auto-erotisch moment (lees het boek voor de details) klinkt opeens In the Air Tonight van Phil Collins over de speakers. De hoofdpersoon raakt er helemaal van uit de erotische flow – tot verbazing van de auto, die veronderstelde dat deze hit wel aan zou slaan bij zijn passagier. “Muziek uit de adolescentiejaren… Daaraan heeft men doorgaans toch de beste herinneringen meneer.. Als dit niet goed is .. U roept maar stop hoor.”

Mooi getroffen van Van Essen, want inderdaad: juist als het intiem wordt, moet de muziek precies goed zijn. Wat een afknapper om dan puur op basis van wat sociologische kenmerken, zoals je leeftijd en herkomst, geclassificeerd te worden als iemand die van Phil Collins houdt! Je bent niet aangevoeld, niet werkelijk gezien. Je bent in een hokje gestopt.

Meestal is dat zo vreselijk niet. In het dagelijkse leven categoriseren we elkaar constant. Die ruwe inschatting voor algemeen gebruik (‘wat ben jij er voor eentje?’) bezweert de chaotische veelheid en maakt snel handelen mogelijk. Algoritmes doen in feite precies dat. Zij zoeken de patronen in een grote dataset en geven raad op basis van globale overeenkomsten. Vaak werkt dat prima. Als ik snel wil weten hoe ik van mijn verkoudheid af kom, dan google ik dat even. Wat voor de meeste mensen werkt, zal voor mij ook wel werken; met mijn snotneus ben ik doorsneemens onder de mensen. Maar zodra die algoritmes het intieme domein gaan koloniseren, wil ik nu juist niet naar de middelmaat toe worden getrokken. Vaak ben ik bijna beledigd door de banaliteit van de ‘tips’ die het algoritme me geeft. Phil Collins? Denk je nu echt dat ik dáár voor ga? Waar zie je me voor aan?

Computers moeten het doen met al vergaarde data, en baseren hun voorspellingen dus louter op resultaten uit het verleden. Daarmee sluiten de suggesties van computers je op in wie je altijd al was. Dat is geen probleem zolang het domeinen betreft waarin persoonlijkheid er nauwelijks toe doet. Maar juist in het intieme domein – daar waar ik me wil laten bekijken en verrassen, daar waar ik me durf te laten gaan en experimenteer met wie ik zou kunnen worden – daar wil ik niet aan mijn enkels teruggetrokken worden in mijn verleden. Daar word ik claustrofobisch van.

Het mooie, het hoopvolle en unieke van mensen is dat ze kunnen breken met wat ze al vonden, met wie ze waren, met waar ze ooit van hielden, met waar ze vandaan komen. Mensen kunnen uit hun profiel springen. Ze kunnen zichzelf opnieuw uitvinden en de toekomst herontwerpen – en oh boy, wat zullen we dat nodig hebben! Precies dan zijn computers slechte gidsen. Raadpleeg een algoritme en je betreedt de toekomst – dat nieuwe land – altijd aan de hand van een oud stramien. Je ziet niets nieuws.

Spijt

Het kabinet weigert zich ‘in te spannen’ om kinderen van Nederlandse IS-uitreizigers terug te halen uit barre gevangenkampen, en gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter. “Wij willen deze kinderen niet terug”, snerpt Dilan Yesilgöz van de VVD, “en hun ouders al helemaal niet”. Van de precieze juridische onderbouwing heb ik geen kaas gegeten, maar mij lijkt dat we hier niet veel te willen hebben. De mensen die afreisden naar het kalifaat zijn Nederlandse staatsburgers. Ze horen bij ons – ook al willen ‘wij’ dat niet. Ook al wilden zij dat zelf niet.

Natuurlijk ben ik kwaad op de aanbidders van het kalifaat. Omdat ze zich zomaar scharen achter een ideologie die trots is op de meest verschrikkelijke wreedheden. Maar ook omdat ze hun eigen Nederland niet waarderen, wat me – tot mijn verbazing – beledigt. En deze mensen komen hier straks dus terug. Ze zullen straf krijgen, een ritueel waarmee wij onze openbare orde bekrachtigen. Die straf zullen ze uitzitten. Maar om hier verder te leven te midden van ons, om hier weer echt te kunnen zijn, zullen ze ook een persoonlijk gebaar moeten maken.

Wat wil ik van hen zien? Berouw. Ik wil berouw zien. En dan ook echt berouw, en geen toneelstukje om eerder van de straf af te zijn.

Het vreemde is, dat kalifaatgangers zelf vaak op zoek zijn naar vergeving – al zoeken ze die natuurlijk niet bij mij, of bij Nederlanders. Dat begreep ik althans uit een interview met socioloog Marion van San vorige week in deze krant. Van San praat al jaren met vrouwen in het kalifaat, en met hun hier achtergebleven familieleden. Uit haar verhaal rijst een beeld op van ‘wankele’ jongeren die thuis dubieuze dingen hebben gedaan, en verlossing van hun zonden zoeken in de brandende waarheid van het kalifaat. Zij dachten vergeving te kunnen vinden bij een of andere woeste god, en daarmee begingen ze pas echt een grote fout. Nu hebben ze zich in een positie gemanoeuvreerd waarin ze vergeving zullen moeten vragen aan ons.

In een grijs verleden zag ik Marathon Man, een film uit 1976 waarin Laurence Olivier een naar Mengele gemodelleerde tandarts speelt die na de Tweede Wereldoorlog gewoon ergens anders op de wereld doorgaat met zijn afgrijselijke martelpraktijken. Toen drong voor het eerst tot me door dat sommige mensen nooit spijt zullen hebben. Dat is moeilijk te verteren, want er is het diepe verlangen dat misdadigers boete doen. Dat ze de consequenties van hun daden voelen, en daaronder lijden. Dat wil ik zien. Ik wil dat IS-uitreizigers met hangende pootjes terugkomen, dat ze hun fout toegeven, ik wil dat ze diep door het stof gaan en zich schamen, schamen, schamen. Dat is mijn fantasie. Dat zou mijn orde herstellen.

Erg realistisch is die fantasie niet. Want wat doe je als je verwijtend wordt aangesproken op je daden? Je eerste impuls is dan om jezelf te verdedigen, ook al heb je het ongelijk aan je kant. Zelf moet ik me al inhouden om niet te gaan snauwen als ik aan het kletsen ben in een stiltecoupé en iemand mij op het logo wijst. Publiekelijk gecorrigeerd worden is vernederend. Ik voel dat dus al bij zoiets kleins – terwijl ik volwassen ben, en goed af. Het laat zich raden wat ‘wankele’ personen zullen voelen die worden aangesproken op vreselijke dingen die ze recentelijk hebben vergoelijkt, of misschien wel hebben begaan.

IS-gangers weten dat ze spijt zullen moeten betuigen om weer te midden van ons te kunnen leven. De vraag is wanneer wij weten dat die spijt waarachtig is. Volgens de eerder genoemde onderzoeker Marion van San geven sommige vrouwen tegenover haar toe dat ze zich enorm hebben vergist, dat het in Syrië allemaal heel anders was dan ze hadden verwacht. “Maar het zijn juist de spijtoptanten die met mij in gesprek willen natuurlijk”, zegt ze erbij. Max Pam koopt er allemaal niet veel voor. “Er zullen vast vrouwen zijn die oprecht spijt hebben”, schrijft hij in zijn column. “Maar de kans is groot dat hun spijt vooral zelfbeklag inhoudt en is bedoeld om aan het onaangename leven van het kamp te ontsnappen.” Ja, dat kan. Met die mogelijkheid zullen we moeten leven. Straf kun je afdwingen. Spijt niet.

 

Kop in de grond

En alweer stond het Malieveld afgelopen week vol met kapitaalgoederen: dit keer waren het niet de trekkers van boeren, maar de shovels, hijskranen en betonwagens van bouwbedrijven. Actiegroep Grond in Verzet vond dat de sector ‘te zwaar’ werd getroffen door de maatregelen die het kabinet nam om onze grond leefbaar te houden. ‘Wij hebben nog groter materieel dan de boeren’, dreigden de bouwers. En alweer wisten politici niet hoe snel ze bakzeil moesten halen.

Net als boeren stuiten bouwers op de stikstofuitspraak van de hoogste rechter. Maar de bouwers hebben nog een ander probleem: pfas, de verzamelnaam voor duizenden chemicaliën die zich in de grond, het water en uiteindelijk ons lichaam ophopen – en dat terwijl die stoffen vermoedelijk kanker veroorzaken. De geldende zorgplicht zegt dat vervuilde grond niet mag worden rondgesjouwd, tenzij de vervuiling onder een bepaalde waarde blijft. Drempelwaarden waren nog niet bepaald voor de pfas-familie, waardoor bouwers en baggeraars bleven zitten met afgegraven grond die ook maar het geringste spoortje pfas bevat. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stelde deze zomer snel wat normen op, zodat de sector in ieder geval weer aan de slag kon met grond die schoon genoeg is. Maar die normen, bedoeld om een haperende praktijk vlot te trekken, zetten haar juist op slot. Want bijna alle grond in Nederland blijkt volgens die normen te vervuild. We zitten kortom met een giga-grondprobleem waarvan we niet wisten dat we het hadden. De oplossing van het kabinet: het versoepelt de normen. En steekt zo zijn kop in de grond.

Boeren, bouwers en baggeraars verdienen geld met het bewerken van grond. Dat is volstrekt legaal, en er is grote vraag naar de dingen zie zij met die grond verrichten. Tot zover geen probleem. Het lastige is, dat diezelfde grond in een ander licht plots van gedaante verandert. Dan verschijnt grond als landschap. Of als natuur. Of als milieu. En bij die begrippen horen heel andere waarden en werkwoorden. Grond kun je in bezit hebben. Natuur heb je niet. Natuur is er. Ook de beleving van eenzelfde plek kan heel anders zijn. Waar een boer tevreden naar het egale gras van zijn wei kijkt, daar loopt een bioloog verdrietig rond omdat bloemen, insecten en vogels wegkwijnen in die groene woestenij. Als die bioloog al niet wordt weggejaagd omdat hij privégrond betreedt.

De aarde is van niemand. Het is het toneel waarop het leven zich afspeelt. Waarom zou je daar eigenlijk een stukje van mogen omheinen en het ‘mijn grond’ mogen noemen? De Engelse filosoof John Locke formuleerde daar rond 1680 een antwoord op. ‘Een mens beschikt over zijn eigen lichaam’, redeneerde hij, ‘en daarmee ook over de producten die hij met zijn lichamelijke arbeid tot stand brengt’. Dat klinkt nog enigszins logisch: wie een akker bewerkt, heeft recht op de opbrengst van die grond. Maar heb je daarmee ook recht op de grond zelf? Ja, vond Locke. Want bewerken maakt de grond waardevoller, en bezit maakt dat je harder werkt. Hoe meer waarde, hoe beter Locke het vond, dus mogen bijvoorbeeld kolonisten het land van de indianen met recht confisqueren, want die inheemse luilakken bewerken de grond nauwelijks.

Deze dubieuze en op zijn minst eenzijdige redenering sloeg neer in juridische praktijken, waarbinnen ook ruimte kwam om grond te verhandelen. Tegenwoordig kun je schatrijk worden door te speculeren met grond waarop je nog nooit een voet hebt gezet. Met het eigenhandig bewerken van grond heeft dat helemaal niets meer te maken. Terwijl dat dus oorspronkelijk de rechtvaardiging was van privaat grondbezit.

Gelukkig erkent de Nederlandse wet niet alleen de waarde van grond, maar ook de waarde van natuur, landschap en milieu. Soms botsen die verschillende waarderingen van dezelfde stukjes aarde frontaal op elkaar; de crises rond PAS en pfas zijn zo te duiden. Dan is het aan de politiek om een begaanbare weg te banen. Die weg zal nooit ideaal zijn, juist omdat die manieren van kijken allemaal waarde hebben, maar principieel niet te verzoenen zijn. En zo hoort het ook. Waar één manier van kijken teveel domineert, heerst de facto een dictatuur.

Dat maakt het voor mij zo beangstigend dat onze politici onmiddellijk buigen voor mannetjesputters die de aarde louter waarderen als grond.