Discreet

Het zal u niet zijn ontgaan: op verzoek van Johan Derksen is de laatste uitzending van Veronica Inside van dit seizoen geschrapt. Presentator Wilfred Genee dwong hem onlangs voor de camera in gesprek te gaan met een zwarte advocate en een zwarte voetballer over racisme in Nederland – dit naar aanleiding van enkele kwetsende opmerkingen van Derksen. Derksen vond het ‘een circusvoorstelling’ en nu hebben ze onderling ruzie.

Het probleem met Derksen is dat hij vindt dat hij alles moet kunnen zeggen, aldus sportjournalist Willem Vissers. En zo is het. Derksen is het type voor wie zijn eigen intentie de enige maatstaf is. Hij bedoelt iets grappig, dus is wat hij zegt een grap. Zo’n grap kan een keertje wat minder geslaagd zijn, maar dat we hier te maken hebben met humor, dat weet Derksen gewoon. Zo ‘weet’ Derksen ook dat racisme in Nederland enorm meevalt, ‘want hij merkt er zelf weinig van’. Dit is van het niveau: ik ‘weet’ dat migraine meevalt, want ik merk er zelf weinig van, dus mensen die dagen met migraine in bed liggen zijn enorme aanstellers.

Ik moest aan Derksen denken toen ik Discretie las, het boek waarmee de Vlaamse filosoof en hispanist Peter Venmans de shortlist van de Socratesbeker voor het beste filosofieboek van het jaar bereikte. Discretie is volgens Venmans een ‘vergeten’ deugd: de deugd om te weten wanneer je je mond moet houden om een ander ruimte te gunnen. Mensen zoals Derksen zijn die deugd in ieder geval vergeten; zij staan centraal in hun eigen universum en schreeuwen ‘censuur!’ als een uitspraak van hen op afkeuring stuit. Zij zijn ijdel genoeg om te denken dat het altijd de inhoud van hun woorden is die op ‘politieke correctheid’ wordt gewogen. Maar soms is die inhoud het punt niet. Soms gaat het niet over correct spreken, maar over correct inschatten wat je plek is. En vervolgens inzien hoe gepast (of ongepast) het is dat juist jij je uitlaat over, bijvoorbeeld, het lijden van zwarte mensen.

Het mooie van Venmans is dat hij discretie niet presenteert als een karaktertrek, maar als een ‘existentiële keuze die iemand steeds opnieuw moet maken’. Discretie vergt de praktische wijsheid om goed in te schatten of jij wel aan zet bent, plus de bereidheid om soms terughoudend te zijn. Zo ga je op een begrafenis discreet gekleed, ook al schijnt de zon en ben je eigenlijk straalverliefd. Dat is niet huichelachtig of ‘politiek correct’. Jouw persoonlijke expressie is gewoon even het punt niet.

De Surinaamse schrijver Anil Ramdas zei ooit: ‘Mensen hoeven zich niet in mij te verdiepen. Als ze zich in het openbaar maar beschaafd tegenover mij gedragen’. Toentertijd vond ik dat maar een mager verzoek. Je wilt als mens toch gezien worden voor wie je bent! Inmiddels denk ik, mét Ramdas, dat zo’n beschaafde omgang met elkaar al heel wat zou zijn. Eigenlijk, zo denk ik nu, vroeg Ramdas om discretie. Om de principiële bereidheid terughoudend te zijn als de situatie daar om vraagt.

Praktisch gezien komt het erop neer dat je het fatsoen moet hebben om niet elke oprisping van jou de wereld in te slingeren. Dergelijk fatsoen zou flink helpen om racisme te temperen. Schaamtevol voorbeeld: mijn hondje Fien komt uit Bali, en als Fien niet luistert, denk ik soms in een chagrijnige flits: ‘Geen wonder, het is een Indonesisch hondje’. Natuurlijk is dit volkomen stupide. Ik heb zelf geen enkele persoonlijke ervaring met Indonesiërs die me negeren, kan me trouwens van alles voorstellen bij een onderdrukte bevolking die de ‘bazen’ laat kletsen, en dan nog: Fien is een hond! Maar ik blijk dus besmet met een giftig cliché. Ik kan dat niet wegtoveren. Wat ik wel kan doen is: oordelen over mijn eigen impulsieve oordeel, en snappen dat ik dat in quarantaine moet zetten. Dat ik die impuls niet moet volgen. Dan kan zo’n cliché misschien langzaam uitdoven.

Een denkend mens kan ruimte scheppen tussen impuls en handeling. Daar, in die discrete ruimte, kan beschaving opbloeien. Persoonlijk denk ik dat beschaafde impulsen vooral het gevolg zijn van beschaafd gedrag. Verander actief je gedrag, dan sukkelen ook je onbewuste gedachten daar op den duur wel achteraan. Zo niet, laat het dan jouw probleem zijn.

Aandacht

Als filosoof vind ik aandacht een spannend fenomeen. Aandacht heeft te maken met openheid voor de wereld. Steeds vanuit een eigen betrokkenheid – maar eerder ontvankelijk dan doelgericht.
Wat gebeurt er in aandacht?
Samen met organisatiecoach Martijn de Loor verken ik dat in een webinar voor bestuurders.

De samenleving heeft het gedaan

‘We waren nooit eerder zo rijk, veilig en welvarend, en toch worden we overspoeld door een golf van depressies en burn-outs. Hoe kan het dat miljoenen mensen in deze welvaart leegte en ongeluk ervaren?’ Vlak voor de kerst hield filosofische verdiepingsorganisatie the School of Life een bijeenkomst waarin drie Vlaamse zielzorgers deze ‘paradox’ kwamen belichten. Dat leverde overweldigend veel media-aandacht op en binnen een mum van tijd was de Stopera uitverkocht. Hier was duidelijk een snaar geraakt. Als moderator van die bijeenkomst ben ik nog steeds aan het peinzen over welke snaar dat nu precies is.

Wat in ieder geval in het oog springt, is dat de drie sprekers – psychiater Damiaan Denys, systeemtherapeut Dirk de Wachter en psycholoog Paul Verhaeghe – allen met hun vinger naar de samenleving wijzen. Die samenleving bestempelt geluk tot bewijs van een goed en succesvol leven. Maar aldoor gelukkig zijn is onhaalbaar, zeggen de drie Vlamingen. Tegenslag, verdriet en periodes van neerslachtigheid horen er ook bij. Door dat te ontkennen – erger: door je te behandelen alsof je een sukkel bent als het leven even niet meezit – creëert de samenleving juist psychisch lijden.

Met dat lijden kunnen mensen in het dagelijks leven geen kant uit. In arren moede zoeken ze dan toevlucht bij een diagnose: hun misère is het gevolg van een (psychische) ziekte. Zeker, ziek zijn is vervelend – maar het heeft ook voordelen. Eén: je ongeluk is niet langer een teken van persoonlijk falen, maar van botte pech. En twee: als zieke krijg je erkenning, hulp en respijt. In principe dan. Want in de praktijk zijn de wachtlijsten van de ggz ellenlang, precies omdat hordes mensen deze uitweg nodig hebben.

Deze analyse biedt herkenning en geeft opluchting – ook aan mij. Tegelijkertijd blijft er iets knagen. Ik hoor een holle echo van de antipsychiatrie van de jaren 1970: ‘Ik ben niet gek! De samenleving heeft het gedaan, want die is gek en ziekmakend!’ Dat maakt ons tot een soort badeendjes die willoos dobberen op verderfelijke maatschappelijke structuren. Het is zo passief allemaal. En bovendien veel te abstract gesteld; een samenleving is ook maar een woord voor een verzameling individuen. Wie is er nu aan zet? Wie moet er iets gaan doen aan deze narigheid?

Volgens Paul Verhaeghe in ieder geval de therapeuten en psychiaters zelf. Ze willen het misschien niet weten, maar in feite worden deze beroepsgroepen ervoor betaald om mensen die psychisch lijden te ‘normaliseren’, zodat ze weer mee kunnen doen in de maatschappij. Professionals in de geestelijke zorg corrigeren hun patiënten, en dat is een moralistische bezigheid. Begin eens met dat moralisme te onderkennen, want dan kunnen we het er tenminste over hebben, stelt Verhaeghe.

Bij Damiaan Denys blijven ook de ongelukkigen zelf niet buiten schot. “Mensen richten zich enorm op hun lijden”, zei hij in een voorgesprek dat ik met hem voerde. “Ze maken dat lijden tot een onaantastbare, onbetwijfelbare waarheid over zichzelf.” Denys ziet dat als een vergissing. Ik ben al een tijdje aan het kauwen op die opmerking, en kom tot de volgende redenering: ‘Dát je lijdt, is als fenomeen onbetwijfelbaar. In die zin is lijden een primair gegeven. Maar dat wil nog niet zeggen dat jouw lijden dus immuun is voor kritiek of commentaar. Wat je voelt, hangt namelijk ook af van de manier waarop je jouw ervaringen duidt, en daar kan je je wel degelijk in vergissen.’ Nu u het zegt: dat is in feite precies het uitgangspunt van cognitieve therapie.

Als ik Denys goed begrijp, vindt hij eigenlijk dat mensen vaak te eerbiedig met hun eigen lijden omgaan. Ze lopen eromheen, terwijl je jezelf ook zou kunnen aanpakken door te werken aan je aannames, aan wat je van het leven verwacht. Die invalshoek maakt je medeverantwoordelijk voor je eigen lijden. Dat klinkt hard. Maar het is ook een manier om jezelf niet als een passief slachtoffer te zien.

Wat nu? Het lijkt me nogal een wrede timing om mensen die op apegapen liggen onder de neus wrijven dat ze deels zelf verantwoordelijk zijn voor hun lijden. Beter is het als mensen die nu nog rechtop staan, zichzelf zouden durven zien als lid van een samenleving met een behoorlijk raar mensbeeld. Het is hoog tijd voor een soort cognitieve groepstherapie.

Waarheidspijn

‘Nee hè!’, dacht ik toen ik afgelopen week de krantenkop las over het rapport van de Adviescommissie-Van Rijn. Die kop luidde: ‘Meer geld naar technische universiteiten ten koste van algemene universiteiten’. Fijn voor de technische universiteiten, maar dat betekent dus nog minder middelen voor de algemene. Van vrienden hoor ik hoe hoog de werkdruk daar is, hoe afgepeigerd ze zijn, hoe het management gokt op hun arbeidsethos. Want wetenschappers doen hun geliefde onderzoek toch wel, of ze er nu voor betaald krijgen of niet, en zijn veelal te fatsoenlijk om hun studenten af te poeieren met de minimale begeleiding die ze hun kunnen geven in de uren die daarvoor staan. En dan moeten die algemene universiteiten ook nog geld gaan overhevelen naar de technische universiteiten? Dat is adding insult to injury.

De injury is dat dit kabinet liever wetenschappelijk personeel afknijpt dan kennisverwerving en -verbreiding ruimhartiger te begroten. Die injury treft alle ambtenaren in de wetenschap, ook die van technische universiteiten. De insult valt echter vooral geesteswetenschappers ten deel. Historici, filosofen, literatuurwetenschappers, cultuurvorsers en rechtsgeleerden worden niet alleen uitgemolken op de universiteiten, maar ook weggehoond door volkse politici die hen maar praatjesmakers vinden, terwijl elitair rechts hen neerzet als postmoderne ondermijners van de Westerse Waarheid. Ondertussen onderkennen beleidsmakers kennelijk wel de ‘maatschappelijke schreeuw’ om technisch personeel, maar zien ze niet dat de samenleving ook snakt naar de vaardigheden van geesteswetenschappers.

Ik hoor in de maatschappij namelijk nog meer dan die schreeuw om technisch personeel. Ik hoor ook gejank en gekerm dat ik duid als uiting van waarheidspijn. Kreten van rouw om de teloorgang van een gemeenschappelijk kennisfundament. Zeker, vroeger hing de interpretatie van feiten ook al af van je standpunt, maar dat bleef een soort geheim van de elite. Inmiddels is bevolkingsbreed doorgedrongen dat de waarheid niet bestaat. En nu weten we collectief niet meer wat we moeten geloven. Hoe moet je al die verschillende gezichtspunten waarderen, wat kun je nog voor waar aannemen?

Vraag het geesteswetenschappers, zou ik zeggen. Hun kennis is niet universeel, zoals die van bèta’s, maar soms wil je juist begrijpen waarom een bepaalde groep mensen denkt, voelt en handelt zoals ze doet. Waarom antivaxers het Rijksvaccinatieprogramma niet vertrouwen maar wel blind varen op ‘alternatieve’ kennisbronnen bijvoorbeeld, of waarom Baudet kan flirten met Rusland zonder dat dit zijn achterban afschrikt. Ik vind dit mysterieuze zaken, en je hebt geaarde, lokale kennis nodig om daar een goede verklaring voor te vinden. Nog urgenter zijn de duidingsvaardigheden van geesteswetenschappers. Zij weten hoe ze betekenis moeten vinden in een zee van feitjes en meninkjes. Zij hebben een gescherpt oog voor de werking van de verhalen die mensen zichzelf vertellen in een poging grip te krijgen op hun bestaan. Juist daar zijn ze in getraind.

Jouw verhaal over wat er in de wereld werkelijk toe doet, hoeft het mijne niet te zijn. In een democratie zullen – moeten – meerdere van zulke verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Uit het kale feit dat jij een ander verhaal hebt dan ik, kun je niet concluderen dat één van ons twee ongelijk moet hebben. Maar – en nu nuchter blijven denken – er volgt net zo min uit dat wij allebei gelijk hebben. Noch dat in een pluralistische wereld alles ‘slechts een verhaal’ is. Logisch gesproken zijn alle drie die gevolgtrekkingen onzin. De waarheid doet er nog net zo sterk toe als in de tijd vóór de waarheidspijn. Het enige wat je nu gedwongen bent onder te ogen zien, is dat jouw waarheidszoekende verhaal niet per se de waarheid is. Dat een verhaal-met-waarheidsclaim altijd nadere toelichting vergt.

Het werkelijke vraagstuk is wat het in feite altijd al was: raakt dit verhaal aan de waarheid en zo ja, hoe dan en hoe weet je dat? In zekere zin is dit een onmogelijk vraagstuk; de waarheid blijft altijd in het verschiet. Maar al onderzoekende leer je wel degelijk iets belangrijks, iets cruciaals. Namelijk welk verhalen zwak zijn, of zelfs duidelijk onwaar of onzinnig. En dat lijkt me kennis met een enorm praktisch en maatschappelijk nut.

Geesteswetenschappers hebben het gereedschap in huis om verhalen in een pluralistische leefwereld op hun waarde te beoordelen. Hoor hoe de samenleving daar om smeekt. Beledig geesteswetenschappers dus niet. Gebruik hen.