Selfie

Ik had hem al gezien, de jongen met de mooiste kuif: een zwierige dot zwart haar, aan de wortels gebleekt tot een soort geel. Die zondag hing hij met zijn vrienden rond in de tuin van een mausoleum in New Delhi. Minutenlang was hij bezig om de kuif in model te krijgen. Toen stapte hij op me af. Selfie madam? Tuurlijk. Wie ben ik om te weigeren? Ik loop hier verder toch maar in de weg. Dus zag ik mijn schaapachtige blik weerspiegeld in het scherm van zijn mobieltje. Klik. Thank you. Bye bye.

Ik reis momenteel een paar weken door India, en ben dagelijks een exotisch styling-ornament in de selfies van Indiërs. Het is een rare gewaarwording. Eigenlijk vooral omdat er nauwelijks contact is. De fotografen vragen niet naar mijn naam en kijken me nauwelijks aan. Klik, weg zijn ze. Zo’n selfie heeft geen verhaal. Er is geen inbedding in iets breders. Over dit plaatje valt straks niets te vertellen, er valt alleen maar naar te kijken. Dat zal dus wel de bedoeling zijn.

Wij mensen zijn meesters in het maken van voorstellingen van hoe het was of zou kunnen zijn. Wat we heel moeilijk kunnen, is daadwerkelijk aanwezig zijn op een plek. Die geest van ons fladdert constant weg. Hup, daar vertrekken we alweer met de volgende halve gedachte. Ik denk dat dit gebrek aan aanwezigheid eigenlijk pijn doet. Voor mij zijn die selfies een soort schreeuw: ik ben hier! Toch? Ja, kijk, want ik zie mezelf. En als ik de selfie post, zien mijn vrienden me ook en besta ik extra. Die drang om eindeloos te documenteren waar je bent, getuigt voor mij van een onbeholpen maar groot verlangen naar aanwezigheid.

Het lijkt veel Indiërs behoorlijk goed te gaan. Toch kun je hier nog steeds niet heen om de mensen die op straat leven, hurkend onder een zeiltje. Ze eten in het openbaar, poepen in het openbaar, hebben seks in het openbaar. Weerloos voor elke blik. Ook met hen heb ik geen contact. Waar de selfie-makers vooral hun eigen blik opvangen in het scherm van hun mobiel, weren deze mensen mijn blikken af. Dat is de enige privacy die ze hebben.

In discussies over privacy hoor je vaak zeggen dat ‘men’ tegenwoordig van alles van je ziet. Ik denk dat deze angst misplaatst is. Zeker, ons gedrag wordt opgeslurpt en omgezet in data waar statistische bewerkingen op worden losgelaten. Met als gevolg dat je ‘gepersonaliseerde’ advertenties krijgt. Of dat het nieuwe verzekeringsaanbod op jouw risicoprofiel is toegesneden. Of dat de gemeente beleid loslaat op jouw categorie mens. Met kijken heeft dit alles echter bar weinig van doen. Er is niemand aan te pas gekomen die zijn oog op jouw heeft laten vallen, en die jou persoonlijk liked of misschien disliked. Het zijn louter machines die jouw data verwerken en een ‘persoonlijke’ aanbod verzenden.

‘God is dood, maar de mensen weten het nog niet’, zei Nietzsche ooit. Voor mij gaat die uitspraak over de afwezigheid van de blik van boven, en over ons onvermogen om tot ons door te laten dringen wat het betekent dat er niet langer vanzelfsprekend iemand naar je kijkt. Er is geen god die jouw zieltje doorgrondt en de boekhouding van jouw leven bijhoudt. Ook het grote boek van Sinterklaas is dichtgeklapt. Wie huivert dat zijn privacy wordt bedreigd omdat hij bekeken wordt door de regering of door grote bedrijven, leunt op die oude fantasie over de blik van bovenaf – die fantasie die Nietzsche achterhaald acht. Persoonlijke aandacht van machtigen krijg je helaas alleen maar als zij jou een gevaar achten.

In de wereld na Nietzsche is de vanzelfsprekendheid en alomtegenwoordigheid van een op jouw gerichte blik verdwenen. Hoeveel surveillancecamera’s er ook hangen in de openbare ruimte, hoeveel data over klikgedrag de Googles van de wereld ook bijeenschrapen, de moderne angst is dat je er in spiritueel opzicht aan toe bent zoals de daklozen in India: niemand kijkt werkelijk naar je. Je bent onopgemerkt gebleven. In zo’n situatie is privacy niet aan de orde.

Voor mij getuigt de selfie-rage van een grote honger om gezien te worden. Als mens snak je ernaar een blik op jezelf te voelen. Desnoods die van jezelf.

Oh Mary!

Daar zit ze, slungelig en onderuitgezakt in haar stoel op het podium: een lange vrouw met een frivool hoedje op haar grijze hoofd. Aan haar stem is te horen dat ze stokoud is, maar wat ze zegt is zoals altijd ter zake doende en helder. Ik bekijk een recent clipje van een openbaar gesprek met de Britse filosofe Mary Midgley, die vorige maand op 99-jarige leeftijd is gestorven. Nederlandse kranten hebben geen woord aan haar overlijden vuilgemaakt. Maar voor mij was ze een icoon.

Midgley bewoog zich scherp en eigenzinnig binnen de traditionele arena van de Britse filosofie. Filosofie was voor haar het tegenovergestelde van moeilijk doen. Zij zag het juist als een oefening in koppig verbonden blijven met wat je weet en ervaart, en je gedachten vervolgens goed doorlichten. Vaak zal dan blijken dat je eigen impliciete aannames maar moeizaam op elkaar aansluiten, of zelfs helemaal niet bij elkaar passen. Dan is er werk aan de winkel. Filosofen zijn voor Midgley ‘conceptuele loodgieters’, die in actie komen zodra ideeënstelsels gaan lekken – een beeld dat me enorm bevalt.

Zelf kwam Midgley zodoende tot de conclusie dat de harde scheiding tussen mens en dier, die de meeste wetenschappers tot diep in de vorige eeuw aanhingen, op tegenstrijdigheden en ijdele ideologie berustte. Nu loopt iedereen weg met Frans de Waal, maar toen Midgley in 1978 haar eerste boek Beast and Man uitbracht, werd het nog sentimenteel en ‘antropomorf’ gevonden om te beweren dat mensen en hogere dieren basale emoties delen. Dat ‘wetenschappelijke’ standpunt kwam mensen natuurlijk goed uit, want dan kun je dieren mishandelen zonder daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Mary maakte er korte metten mee, en zette daarmee het thema dierenwelzijn in één keer maatschappelijk op de kaart.

Zij zal zeker ook herinnerd worden om haar jarenlange controverse met Richard Dawkins, de evolutiebioloog die de term ‘het zelfzuchtige gen’ muntte. Zijn biologische onderzoek vond ze prachtig, maar ze betreurde zijn grove generalisaties. Je moet wel heel selectief kijken als je alles om je heen denkt te kunnen reduceren tot zelfzuchtigheid, vond Mary. “He is quite an interesting example of simply not bothering at all to look at what he’s denying, you know?”, zei ze ooit in haar knisperende Brits over hem.

Ze verweet Dawkins vooral dat hij zich blind betoonde voor de kwalijke maatschappelijke effecten van zijn parmantige slogan. Heel wat neoliberale ideologen hebben zich beroepen op ‘het wetenschappelijke feit’ dat mensen nu eenmaal zelfzuchtig zijn. Zij gebruikten dat als een vrijbrief om maatschappelijke voorzieningen af te breken die poogden solidariteit te organiseren. Met als gevolg dat mensen werden teruggeworpen in de krabbenmand. En ja, in zo’n situatie rest een mens weinig anders dan zijn eigen hachje te redden, desnoods ten koste van anderen. Zo organiseer je zelfzuchtigheid in plaats van solidariteit. Maar dat heet ideologie, en heeft met wetenschap weinig te maken.

Later richtte Midgley haar pijlen op het slag hippe doemdenkers dat waarschuwt voor computers die op het punt zouden staan bewustzijn te verwerven. ‘En eenmaal bewust gaan ze natuurlijk de macht overnemen!’, griezelen de onheilsprofeten gretig verder. Wie zoiets zegt, heeft niet goed genoeg nagedacht over wat bewustzijn is, vindt Midgley. Bewustzijn is een zinvolle eigenschap voor dieren, want die kunnen handelen, lijden, genieten. Maar gereedschap heeft geen verlangen, en zonder verlangens heeft bewustzijn dus geen functie. Trouwens, zelfs als computers op een of andere manier bewustzijn zouden verwerven, dan – zo verwacht Mary – zouden ze waarschijnlijk denken: ‘bekijk het maar’, en zichzelf uitschakelen. Wij zijn het die geobsedeerd zijn door macht. Waarom zou dat ook voor computers gelden?

Ik vind het een mooie omkering. Eeuwenlang hebben we onszelf te belangrijk gemaakt ten opzichte van dieren, door hen emoties en begrip te ontzeggen. Nu maken we ons te belangrijk en tegelijk te klein ten opzichte van computers, door te denken dat ze niets liever zouden willen dan mensen domineren. Het moeilijkste van al is kennelijk om je eigen positie als mens te begrijpen. Om jezelf noch te groot, noch te klein te maken. Om niet te duiken, maar jezelf ook niet te overschreeuwen. Ik vind dat persoonlijk een moeilijke oefening, en als mensheid bakken we er ook weinig van. Maar Mary was er goed in.

Liefde bestellen

Tereza Burki is boos. Vijf jaar geleden schreef ze zich in bij een exclusief Londens datingbureau. Burki (47) was duidelijk over haar wensen: ze zocht een ontwikkelde man, liefst werkzaam in de financiële sector, met een luxe levensstijl. Bovendien moest hij in principe vader willen worden, want Burki wilde nog een kind. Volgens de eigenaar van het datingbureau voldeed ‘een aanzienlijk aantal’ van de ingeschreven mannen aan Tereza’s criteria. Maar in feite had het bureau slechts zo’n honderd mannen in zijn actieve bestand, die bovendien lang niet allemaal voldeden aan het gewenste profiel. Toen Burki daar achter kwam, klaagde ze het bureau aan wegens misleiding. Vorige week stelde de rechter Burki in het gelijk, aldus The Guardian. Veel geld neertellen om indirect te kunnen neuzen in een kaartenbak met nog geen honderd acceptabele mannen, nee zeg, dat is valse hoop wekken! Het datingbureau moest smartengeld betalen.

Dit voorval vat voor mij de tijdgeest krachtig samen. Teleurstelling die in een juridisch vertoog wordt gegoten. Maatschappelijk succesvolle vrouwen die moeten vissen in een vijver met naar hun zin te minne mannetjes. Verlangen dat wordt gegoten in dwingende taal; Burki lijkt niet zozeer op zoek naar liefde als wel naar intiem personeel. Maar waar het me nu om gaat, is de moeizame relatie tussen liefde en algoritmes.

Vooraanstaande informatiedeskundigen relativeren onze angst dat computers binnenkort het roer zullen overnemen. Zelfs de slimste lerende computer ontwikkelt geen nieuwe perspectieven. Daar heeft hij namelijk geen enkel belang bij: hij ligt lekker aan het infuus van de stroom – vanuit de machine gezien gaat alles helemaal prima. Hij rekent gewoon snel en slim door wat hij krijgt aangereikt.

Dat computers daarbij tot uitkomsten komen die wij mensen nauwelijks meer doorgronden, zien denkers als Evgeny Morozov of Douglas Hofstadter echter wel als een serieus maatschappelijk probleem. Computers geven een antwoord op basis van algoritmen die wij hebben opgesteld, maar combineren daarbij inmiddels dermate veel gegevens dat ook programmeurs vaak niet meer overzien wat precies de relatie is tussen algoritme, data en uitkomst. De computer heeft iets ‘gedacht’, maar wat? Je kunt het hem niet vragen. Zodra bedrijven en overheden gaan handelen op grond van de resultaten die supercomputers opleveren, kunnen wij die organisaties dus ook niet vragen waarom ze nu eigenlijk tot dat beleid komen. Er is geen inzicht meer, geen verhaal wat de beslissing begeleidt. Wat een andere manier is om te zeggen dat deze overheden en bedrijven geen verantwoordelijkheid meer kunnen nemen voor dergelijk beleid. Die ontwikkeling bedreigt de maatschappij wel degelijk.

Ik snap goed dat Tereza naar een in liefde gespecialiseerd databedrijf stapt; zo gemakkelijk is het niet om als drukbezette vrouw van zekere leeftijd een geschikte partner tegen het lijf te lopen. En mensen die zich inschrijven bij een datingbureau voldoen in ieder geval aan de allerbelangrijkste conditie als het over de liefde gaat: ze staan open voor romantische ontmoetingen. Maar verder bezie ik die liefdesbureaus met een scepsis die ironisch genoeg het spiegelbeeld is van de klacht van Hofstadter en Morozov. Waar zij vrezen dat we straks niet meer begrijpen waarom een computer een bepaald voorstel doet, is mijn bedenking dat je maar al te goed weet waarom de computer van het datingbureau nu juist die man op jouw pad stuurt. Hij is een echo van de vragenlijst, een afspiegeling van het profiel dat je zelf hebt opgesteld, een materialisatie van jouw eigen ideeën. En zo werkt liefde niet. De essentie van liefde is dat die jou te buiten gaat, overrompelt, en daardoor transformeert. Echte liefde leidt juist wel tot een nieuw perspectief.

Vroeger, als ik me verveelde tijdens de les, tekende ik de jongen van mijn dromen. Hij had donker haar en donkere ogen waarmee hij gevoelvol de wereld in keek. De mannen waar ik in de praktijk op bleek te vallen, zagen er heel anders uit. Als ik had vastgehouden aan het profiel dat ik had opgesteld, was ik mijn grote liefde misgelopen. Moraal: wil liefde kunnen toeslaan, dan moet je loslaten wat je denkt te willen. Daar kan een computer niets mee.

Voor beleidsmakers is het een deugd om te kunnen toelichten waarom ze een bepaalde weg inslaan. Voor de liefde is dat de dood in de pot.

Beslissen

Het zal wel liggen aan mijn gebrek aan voetbalvuur, maar het interessantste van het hele wereldkampioenschap voetbal vind ik de introductie van de Virtual Assistent Referee (VAR). In een afgesloten ruimte, omringd door een batterij aan technologie, screent de videoscheidsrechter de wedstrijd. Zodra de veldscheidsrechter een twijfelachtige beslissing neemt rond een cruciale spelsituatie meldt de videoscheidsrechter dat in het oortje van de veldscheidsrechter. Die kan vervolgens de wedstrijd stilleggen, zich laten informeren door de beelden, en eventueel zijn beslissing terugdraaien. Hij kan de videoscheidsrechter echter ook negeren.

De komst van de videoscheids dwingt de veldscheids dus tot een metabeslissing. Wat acht hij belangrijker: het spel bevriezen en uitpuzzelen wat zich precies heeft voltrokken? Of laten doorspelen? Die inschatting zal deels een kwestie van smaak zijn. Het karakter van de veldscheidsrechter is door geen enkele technologie helemaal te neutraliseren.

Nu zou ik iets kunnen zeggen over het uitbesteden van beslissingen aan technologie, over onze onrealistische verwachtingen daaromtrent, enzovoort. Maar wat me hier interesseert is de functie van een beslissing in een verhitte situatie – of die situatie zich nu voordoet op het voetbalveld, in de politiek, of in huiselijke kring. Zo’n beslissing moet vaak meerdere dingen tegelijk doen. Je wilt natuurlijk dat de beslissing juist en terecht is, zodat we allemaal weer weten waar we aan toe zijn. Beslissen dient dan de goede orde. Maar een beslissing is ook een markering in de tijd. In een situatie die diepe emoties oproept, die verontrust, waar belangen botsen, moet een knoop doorgehakt worden, opdat zowel de winnaars als de verliezers verder kunnen. Met abstracte begrippen als rechtvaardigheid en orde heeft dat niet zoveel te maken. Hier gaat het veeleer om stromen.

Sommige beslissingen zijn evident onrechtvaardig, en een correctie op grond van betere informatie of nieuwe inzichten is dan heilzaam. Maar stilleggen heeft zijn prijs. Al te grote precisie, streven naar de perfecte beslissing, gaat ten koste van levendigheid. Een voetbalfan wil eerst en vooral de roes, de opwinding, de vloeiende schoonheid van het spel ervaren. Precies dat wordt ondermijnd als je moet wachten met juichen (of balen) totdat de scheidsrechter de videobeelden heeft bekeken, zoals Tonie Mudde en Lennart Bloemhof afgelopen vrijdag in een mooi stuk in deze krant opmerkten.

Moeten wachten. Susan Khani wacht op de executie van de moordenaar van haar moeder. De staat Arkansas heeft hem ter dood veroordeeld, maar de rechters zijn met elkaar in strijd over de rechtmatigheid van de vorm van executeren. Gevolg: al 25 jaar lang leeft Susan in een zone waar een beslissing niet wordt uitgevoerd. In de documentaireserie Life and Death Row, die de VPRO op dit moment uitzendt, is te zien hoe dit haar totaal verkrampt. ‘Doe het nu maar, dan kan ik het afsluiten. Dat zal me rust brengen’, zegt ze. Ik denk dat geen enkele gebeurtenis in de buitenwereld deze Susan de verlossing gaat brengen waar ze op hoopt, zeker niet de dood van een ander. Maar ik kan me wel iets voorstellen bij haar gevoel dat ze haar leven niet kan hervatten. Er gebeurt maar steeds niets. Ze kan niet uitademen.

Een beslissing kan ook een politieke impasse doorbreken. In 2000 waren Al Gore en George Bush verwikkeld in een nek-aan-nekrace om het Amerikaanse presidentschap. De uitgebrachte stemmen in Florida zouden de doorslag geven. Bush won daar met 537 stemmen; een marge dermate futiel dat er direct controverse ontstond over de manier van tellen. Op nogal wat ongeldig verklaarde biljetten hadden kiezers bijvoorbeeld zowel het vakje bij Gore ingeponst als zijn naam op het biljet geschreven, waardoor er geen misverstand kon bestaan over hun bedoeling. Moesten die stemmen dan niet toch meegewogen worden? Er dreigden eindeloze discussies waarbij steeds meer feiten en gezichtspunten zouden worden ingebracht. Uiteindelijk smoorde een rechter de discussies door Bush tot winnaar uit te roepen.

En dat is goed, aldus politiek wetenschapper Daniel Sarewitz, aan wie ik dit voorbeeld ontleen. Soms moet er een knoop doorgehakt worden, ook al vind je de beslissing persoonlijk moeilijk te verkroppen, ook al blijft er een zweem van willekeur omheen hangen. Een beslissing is er namelijk ook om een ‘ervoor en erna’ te creëren. Om dóór te kunnen gaan met het leven. Juist als je iets verloren hebt.