Catastrofe

In het Van Abbemuseum was tot vorige week (sorry!) een kunstwerk te zien van The Otolith Group met de onvertaalbare titel What does the earth think it is? Het werk omvat brieven aan het kantoor van de Californische geologische dienst waarin betrokken burgers een aardbeving voorspellen. Zij beseffen dat ze wonen op een breuklijn en zijn uiterst gespitst op voortekenen. ‘Ik zou graag melden dat we binnen een paar dagen een middelgrote aardbeving zullen krijgen’, schrijft iemand in een drieregelig briefje. ‘Ik baseer dit op de pijnen in mijn lichaam die we al eerder hebben besproken. Ik hoop u met deze informatie van dienst te zijn geweest.’

Een dreigende ramp voelen aankomen in je lichaam: het is een aardige definitie van horror. Je voelt onbehagen, je kunt de bron niet goed duiden en al helemaal niet beheersen, en daarom nestelt dat onbehagen zich in je, waar het zwelt en groeit en woekert. Ik moet constateren dat ik zelf bevangen ben geraakt door zo’n vaag, maar alomvattende gevoel van onheil. Het komt door het weer. Die snoeihete dagen afgewisseld door woeste stortbuien van deze zomer vind ik griezelig, doordat ik ze begrijp als tekenen dat het klimaat nu echt uit het lood is geslagen.

In een mooie column zwaaide René Cuperus, mijn wisselmaatje op deze plek, ons vorige week in stijl uit. Cuperus merkte onder meer op dat er een ‘zware sluier van onraad en onbehagen’ over de wereld hangt, terwijl de meesten van ons het feitelijk beter hebben dan ooit. Hij wenst ons allerlei goeds toe, waaronder minder ‘klimaat-totalitarisme’.

Ik voel me aangesproken. Van alle catastrofes die zich zouden kunnen voltrekken – zoals de dood van de democratie, de opkomst van een kunstmatige intelligentie die ons drilt en fatsoeneert, of een rechttoe rechtaan nucleair conflict – kruipt die van een klimaatramp toch het meest onder mijn huid. Er staat tegenwoordig een gieter bij mijn douche, waarin ik het water opvang dat nog niet warm genoeg is. Ook staar ik inmiddels bedenkelijk naar mijn boterhammen met kaas; kunnen die eigenlijk nog wel?

Ik betwijfel of ik hiermee op de goede weg ben. Dat mijn gedrag duurzamer wordt, vind ik prima. Wat ik wantrouw, is de aard van mijn impuls. Ik neem mezelf de maat in het licht van een enorm, amorf probleem. Zo kan ik alle vreugde uit mezelf zuigen zonder dat wat ik doe ooit goed genoeg zal zijn. En word ik en passant een wandelend verwijt in de ogen van mensen die gewoon willen genieten. Niet slim.

De opwarming van de aarde voelt als een vage doem. Je weet dat het gebeurt. Maar je weet niet precies wat dan, en waar zich dat zal voltrekken. Zelfs onze experts kunnen dat niet vertellen. In zo’n setting floreren horrorverhalen. Horror is het genre waarin we onze angsten verkennen over wat er staat te gebeuren als we onze begeertes niet in toom weten te houden, waardoor die zich tegen ons gaan keren. Of het nu seksuele lust betreft (vampiers), wezenloos consumentisme (zombies), of expansiedrift (aliens). Klimaat-totalitarisme volgt hetzelfde patroon: het voorspelt dat we ten onder gaan aan onze eigen begeertes en zwakheden. Het is het oude verhaal van de hel in een nieuwe gedaante.

Wat moet ik aanvangen met mijn klimaatonbehagen? Weghonen is geen optie. Het klimaat verandert, en wegkijken is gewoon laf. Maar je eigen onbehagen beschouwen als een soort orakel is waarschijnlijk ook niet slim. Eigenlijk is het heel aanmatigend om te denken dat jouw gevoel speciale kennis herbergt. Dat het pijntje in je knie wijst op een aanstaande aardbeving, of dat holle gevoel in je maag op het einde der tijden. Je hebt namelijk geen idee. Gevoelens zijn goed in signaleren, maar slecht in duiden – en vooral in maat houden. Ze kennen van zichzelf geen beperking en neigen naar het absolute. Dat is wat je kunt leren van horror. Gevoelens voor kennis houden, leidt daardoor al snel tot de totalitaire weg waar Cuperus voor waarschuwt. Je moet je gevoel serieus nemen – maar niet te serieus. En zwelgen in de hel is al helemaal een bedenkelijke zaak.

Dus ja, mijn klimaatonbehagen is er. Let it be. Ondertussen ga ik de plantjes water geven met die gieter uit de douche, en door met mijn leven.

Minpuntje

In 1977 voerde de PTT de postcode in. Hartstikke handig, want zo kon je automatisch brieven sorteren – mits de afzender voldoende netjes schreef natuurlijk. In die tijd kon niemand bevroeden dat de PTT veertig jaar later geprivatiseerd zou zijn, dat dit private bedrijf de rode brievenbussen daadkrachtig zou vervangen door oranje exemplaren, en dat er sowieso nauwelijks nog brieven worden gesorteerd omdat we elkaar via de fysieke weg eigenlijk alleen nog maar rouwkaarten sturen. Toch is de postcode onverminderd handig. We sorteren er nu mensen mee.

Het makkelijke van een postcode is dat hij fungeert als linking pin tussen databestanden van allerlei slag. Welke vragenlijst je ook invult, welk product je ook bestelt – vrijwel altijd zul je je postcode vermelden. Postcodes voeden inmiddels vrijwel elk algoritme dat patronen in menselijk gedrag vangt. Geef me je postcode, en ik heb gelijk een heel aardige eerste indruk van je; ik kan redelijk voorspellen wat jou vermoedelijk bevalt en waar je bang voor bent.

Op basis van dergelijke algoritmes bepalen bedrijven of het zin heeft om bij jou reclame te maken voor een doosje exclusieve wijn, dan wel een scooter op afbetaling. Op basis van algoritmes weet GroenLinks in welke straten de partij haar vrijwilligers in verkiezingstijd het beste kan laten aanbellen omdat daar de meeste weifelaars wonen. Algoritmes sturen ook het gedrag van de politie: sinds dit jaar surveilleert de Nederlandse politie extra vaak rond huizenblokken waar volgens de software veel inbraken worden verwacht.

Algoritmes maken het beleid van bedrijven, organisaties en overheden ongetwijfeld efficiënter – en dat is (in ieder geval vanuit hen bezien) een dik pluspunt. Maar onschuldig zijn ze niet. Zo hebben voorspellingen de akelige neiging zichzelf te versterken. Als de politie meer gaat surveilleren in bepaalde wijken, zal zij daar ook eerder boeven betrappen. Die hoge pakcijfers worden natuurlijk teruggeploegd in het datasysteem, waardoor die wijk steeds ‘gevaarlijker’ wordt, en niets logischer lijkt dan om daar nog weer extra agenten te posteren. ‘Een giftige cyclus’, noemt de Amerikaanse wiskundige en blogger Cathy O’Neill dat.

Zelf geeft O’Neill het voorbeeld van Amerikaanse rechters, die volgens haar geneigd zijn om een misdadiger een hogere straf te geven als de kans groot wordt geacht dat de betreffende boef nogmaals in de fout zal gaan. Dit is volgens O’Neill typisch zo’n voorspelling die zichzelf waarmaakt. Immers: hoe langer je in de gevangenis zit, des te groter de kans op criminele vriendjes, en des te moeilijker om -eenmaal vrij- weer werk te vinden. Waardoor je sneller terugvalt in de criminaliteit. En ja hoor: daar heb je weer zo’n langgestrafte die opnieuw een misdrijf pleegt! Die voorspellingen van het recidive-model komen uit! Algoritmes zijn weliswaar blind, maar daarmee nog niet neutraal, constateert O’Neill. Vaak zitten er aannames ingebouwd die bestaande sociale ongelijkheden in stand houden of zelfs versterken. En dat is een serieus minpunt, zou ik met haar zeggen.

Mij zit nog een ander minpunt dwars: algoritmes drukken je terug in wie je al was. Voor een algoritme ben je een optelsom van je geschiedenis. Ze zien je verleden, en niet je potentie. Breken met het bekende is natuurlijk berucht moeilijk; we vallen vaak terug in onze routines. En veranderingen zijn eng. Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt. Toch kan je als mens het besluit nemen om welbewust te breken met ál wat je van jezelf vindt en weet, en de zaken voortaan over een andere boeg gooien. Filosoof Hannah Arendt noemde dit ‘nataliteit’; in principe kun je jezelf iedere dag opnieuw geboren laten worden. Dankzij dit vermogen zijn mensen soms in staat om het onverwachte waar te maken. Tegen iedere waarschijnlijkheidsrekening in.

Vanouds wordt filosofie vaak gezien als een oefening in sterven. Maar voor Arendt is filosofie juist een oefening in beginnen. De mens is voor haar het dier dat kan breken met het verleden. Een dier dat ‘dit niet!’ kan zeggen, en zichzelf kan herscheppen. Mensen kunnen losbreken uit hun mal, het grote onbestemde tegemoet. Dat kan gevaarlijk zijn, en mislukt natuurlijk vaak. Maar precies daar zit ook onze hoop, onze waardigheid, onze vrijheid. Die hoop, waardigheid en vrijheid gunnen algoritmes ons niet. Zij benaderen ons steevast als de sukkels die we tot nu toe waren.

Profiel en werkwijze van de WRR

Wetenschappelijke kennis toegankelijk en relevant maken voor de politiek is een vak apart. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is daar expert in. Wat is het profiel van dit type experts, hoe verandert hun werk, en wat maakt de WRR uitzonderlijk in Nederland en Europa?

Ik vraag het aan mensen van de WRR en aan enkele cruciale ‘kritische vrienden’ van de raad. Op basis van die gesprekken schrijf ik een essay voor de directeur, waarmee hij missie en visie kan concretiseren.