Aandacht

Als filosoof vind ik aandacht een spannend fenomeen. Aandacht heeft te maken met openheid voor de wereld. Steeds vanuit een eigen betrokkenheid – maar eerder ontvankelijk dan doelgericht.
Wat gebeurt er in aandacht?
Samen met organisatiecoach Martijn de Loor verken ik dat in een webinar voor bestuurders.

Goedendag kunstenaars

Op het schilderij Bonjour monsieur Courbet uit 1834 ontmoeten twee mannen elkaar op een landweg. De verzorgde jongeman links, met hond en bediende, is miljonair Alfred Bruyas. De man rechts is de schilder zelf, Gustave Courbet. Hoffelijk treedt Bruyas de schilder tegemoet, hoed in de hand (zijn jas hangt over de arm van de bediende). Ook Courbet heeft een zwierige hoed in de hand, maar hij draagt zelf zijn schildersspullen. De mannen kijken elkaar aan. Je voelt spanning in dit schilderij, en die spanning vloeit voort uit de lichaamstaal van Courbet. De schilder heeft zijn kin ietwat geheven, waardoor zijn zwarte puntbaard uitdagend, ja bijna hooghartig, richting de miljonair priemt. Courbet heeft zichzelf vol in de zon gezet, en vanaf die plek kijkt hij zelfbewust naar zijn tegenvoeter in de schaduw. ‘Ik wil jouw leven niet’, lijkt Courbet te zeggen. Zo te zien acht hij zichzelf een stuk vitaler.

Kort na onze o zo intelligente lockdown prees minister Van Engelshoven de kunstenaars voor de gracieuze wijze waarop ze zich neerlegden bij het afgelasten van voorstellingen, concerten en exposities waaraan maanden is gewerkt. Cultuurpresentator Cornald Maas zag dit anders. ‘Kunstenaars schieten in een kramp nog voordat ze hun bestaansrecht hebben verdedigd’, schreef hij in een opiniestuk in NRC. Zij vertellen wel hoe hun praktijk instort, maar zeggen er gelijk bij dat ‘er natuurlijk veel belangrijker dingen zijn in het leven’. Maas riep de kunstenaars op om ‘die bescheidenheid te laten varen’.

Een paar weken later is de sfeer veranderd. Kunstenaars roeren zich inmiddels. Minister Van Engelshoven kwam bij talkshow M vertellen dat ze binnen het kabinet 300 miljoen euro extra steun voor de culturele sector had losgepeuterd, en dat ze daar ‘echt heel erg haar best’ voor had gedaan. Maar een toekomstvisie voor de cultuur gaf ze niet. Ze gaf een tissue om het ergste wondvocht mee te deppen.

De politiek knoeit met kunst. Zij weet zich er geen raad mee, want zij spreekt die taal niet. In het persbericht dat over de extra noodsteun naar buiten werd gebracht, valt te lezen: “Juist in deze tijd van crisis blijkt hoe belangrijk kunst is: om troost, afleiding en hoop te bieden.” Zo zou die beschaafde miljonair Bruyas kunst vermoedelijk ook benaderen. Als een soort luxe hobby, als fijne ontspanning na een dag echt werken. Hoe zou Courbet op zo’n persbericht hebben gereageerd, vraag ik me af? Welke vorm zou zijn onbescheidenheid hebben aangenomen?

Ik denk niet dat Courbet erop zou wijzen dat de cultuursector ‘goed is voor 4 procent van de economie’, zoals ik velen nu hoor zeggen. Ik denk dat Courbet die hele economie een idiote abstractie zou vinden. Want wat tel je, wat veronderstel je, wat ken je waarde toe? De intuïties van kunstenaars daaromtrent verschillen zo hemelsbreed van die van de paradepaardjes van ondernemend Nederland – zoals KLM en Booking.com – dat het bar weinig zin heeft om jezelf te willen waarderen in hun procenten. ‘Neem dat frame niet van hen over’, zou Courbet zeggen. ‘Vertel je eigen verhaal’.

De Britse kunstenaar Banksy is misschien zo’n hedendaagse Courbet. Banksy vergaarde bekendheid als mysterieuze straatschilder, en leek zijn roem te verzilveren toen het chique Sotheby’s zijn Girl with balloon in 2018 voor bijna een miljoen euro veilde. De hamer had nog niet geklonken of – hup! – daar ging het ‘unieke, kostbare’ werk door de shredder die Banksy in de lijst had gebouwd. Het was alsof Banksy zei: ‘Dit werk kun je met al je geld niet bezitten, mijnheer de miljonair, want de waarde ervan heeft niets met geld te maken’.

We zijn nu al weken doden aan het tellen, en breken ons het hoofd over de vraag wat een mensenleven ‘mag kosten’ en hoeveel schade die o zo intelligente lockdown eigenlijk mag berokkenen aan ‘de economie’. Ik ben het beu, al dat afwegen en afstrepen en leed en ellende vergelijken. Ik wil het leven niet langer tellen. Ik wil het leven vieren.

Ieder van ons – in park én verpleeghuis – neemt deel aan iets groots en subliems: leven. Kunstenaars slagen er het beste in om de overstijgende en verbindende kwaliteit die huist in ieder van ons tot expressie te brengen. Kunst viert het leven. Dat frame dus.

Statistiek

In het zeventiende-eeuwse Londen bestiert John Graunt een winkel in fournituren. Zijn rekentalent zet hij in voor het voeren van de boekhouding. Tot hij op een dag besluit zijn inzichten in het verloop van trends niet langer te beperken tot linten en stalen stof. Buiten woedt de builenpest, en Graunt gaat speuren naar patronen in de zogenoemde Bills of Mortality – annalen waarin verschillende Londense parochies sinds 1592 doop, huwelijken en sterfgevallen bijhouden.

Indertijd trokken oudere vrouwen bellend door de straten, al roepende: ‘Breng uw doden naar buiten’. De vrouwen telden daarop de doden en noteerden de doodsoorzaak. Vaak gebeurde dat in lekentermen (‘ouderdom’, ‘knoop in de ingewanden’, ‘plotseling’), maar Graunt acht de gegevens waardevol genoeg om er wiskunde op los te laten, in de hoop samenhangen te ontwaren. In 1662 publiceert hij zijn Natural and Political Observations Made upon the Bills of Mortality, vol voorspellingen over ziekteverloop en overlevingskansen per leeftijdsgroep, waarop koning Charles II hem vraagt om zijn systeem verder te ontwikkelen. Zo wordt Graunt de eerste epidemioloog, met Jaap van Dissel als verre nazaat.

Het is geen toeval dat het woord statistiek het woord ‘staat’ omvat. Voor heersers is het handig om een goed beeld van de bevolking te hebben – die kennis komt niet alleen van pas bij het bestrijden van epidemieën, maar leert je ook hoeveel belasting je kunt innen. Vanaf de achttiende eeuw werden Europese samenlevingen steeds meer gevat in numerieke termen. Dit opstellen van statistieken was diep verbonden met een vooruitgangsgeloof: de data zouden kennis opleveren om doortastend te kunnen handelen en zo de samenleving beter te maken. Dankzij statistiek is onze levensverwachting ook feitelijk toegenomen. Bovendien had deze aanpak een egalitaire werking: de cijfers omvatten de hele bevolking, en niet alleen de adel en de rijken.

Maar er is een keerzijde. Kennis die je eenmaal hebt, kun je niet meer ont-kennen – en die kennis kan dat egalitaire elan ironisch genoeg juist onder druk zetten. Want hoe meer je weet en hoe meer je telt, hoe meer blijkt dat sommige kansen onevenredig verdeeld zijn. Zo laten de statistieken zien dat tachtigers, mannen, dikke mensen en chronisch zieken harder getroffen worden door het coronavirus, en minder snel herstellen. Eenmaal in tellende modus is het ‘logisch’ dat je schaarse intensive-care bedden geeft aan patiënten met een betere basisconditie; die bedden komen dan immers eerder vrij waardoor je uiteindelijk meer levens redt. En – splijtender nog – als de statistiek patronen toont tussen overlevingskansen en levensstijl, dan is het wachten op de suggestie dat mensen met een gezonde levensstijl ‘meer recht’ hebben op schaarse hulp. Zo heeft statistiek ons opgescheept met kennis die onze solidariteit ten overstaan van het blinde lot kan breken.

Afgelopen donderdag stond hier een column van Asha ten Broeke onder de schrijnende kop ‘Ik wil geen publiek debat over wanneer jij mij mag laten doodgaan’. Ten Broeke proeft in de samenleving ‘een verwerpelijk idee’: gelukkig treft corona de zwakken. “Hoe durven jullie?”, schrijft ze. “Dikke, zieke, oude, gehandicapte mensen leven altijd met uitsluiting en discriminatie. En nu, in deze bange tijden, komen jullie – geen artsen, maar columnisten, filosofen – speculeren of je ons categorisch moet uitsluiten van mogelijk levensreddende zorg?”

Precies die kwestie van timing werd besproken op filosofiesite Bij Nader Inzien. Ethici hebben beroepsmatig nagedacht over principes voor het verdelen van schaarse bedden op de intensive care. Maar is het niet smakeloos om nu aandacht te vragen voor die redeneringen, juist omdat het straks misschien geen theoretische exercitie meer is? Sommige vakfilosofen vrezen dat dit burgers een onveilig gevoel geeft. En zo lijkt het bij Ten Broeke inderdaad over te komen.

Nadenken over de toon die je aanslaat is altijd aan te raden, maar uit zorgzaamheid je mond houden vind ik een rare keuze. Statistisch gezien val ik in de goede vakjes. Toch houd ik me aan de regels. Niet omdat Rutte het zegt, maar omdat ik dankzij de epidemiologen snap wat ik zelf kan doen om de gezondheidszorg zo min mogelijk te belasten. Als ik mijzelf geen voorstelling zou maken van harde keuzes over intensive-care bedden, zou ik het nóg moeilijker vinden om mijn zucht naar beweging en avontuur en gezelligheid te bedwingen. Mij helpen die gevaarlijke vragen juist om solidair te zijn.

Levensmoe

Zo’n tienduizend niet zieke Nederlanders boven de 55 zouden liever dood zijn. Dat constateert de commissie onder leiding van ethica Els van Wijngaarden, die een dikke week geleden haar rapport naar buiten bracht. Op verzoek van de regering probeerde zij scherp te krijgen wat nu eigenlijk de omvang is van het probleem waar de ‘Voltooid-leven’-wet van Pia Dijkstra (D66) een oplossing voor wil zijn. Veel klaarheid brengt de studie niet, behalve dan dat de term ‘voltooid leven’ ietwat “te rooskleurig en verdoezelend” is voor de gevoelens die de commissie feitelijk onder senioren aantrof. Als die al een doodswens hadden, was die “complex en veranderlijk”.

Wat mij betreft is het rapport al een succes als het maakt dat we van dat gedrochtelijke begrip ‘voltooid leven’ af komen. Woorden doen er toe. Dijkstra praat graag over ‘eigen regie op een waardig levenseinde’, maar ik vind dat een akelige voorstelling van zaken. Alsof je leven een soort show is waarvan jij als regisseur autonoom kunt besluiten dat die nu maar het beste kan stoppen. Sterker nog: dat doorgaan jouw ‘levenswerk’ zou verpesten.

Niet dat een mens zichzelf van mij niet dood mag wensen. Hoe verdrietig ook, soms gun je iemand een einde aan lijden. Principeridders die verkondigen dat het leven altijd ‘goed’ is (want heilig of iets dergelijks) walsen over de concrete ervaringen van mensen met een doodswens heen. Het hele begrip ‘een goed leven’ heeft hoe dan ook alleen iets te betekenen als je erkent dat een mensenleven ook minder goed kan verlopen.

Sommige mensen willen dood, en als je die wens taboe verklaart op grond van je eigen ideologie, dan luister je niet goed. Dijkstra’s ‘Voltooid-leven’-wet vervalt echter in het andere ideologische uiterste. Haar plan komt er op neer dat je als autonome burger zelf moet kunnen beslissen wanneer je wilt sterven, én dat de staat jou daarbij moet gaan faciliteren door de weg naar zelfmoordpillen en stervenshulp vrij te maken. Het eerste deel van het plan is in feite loos. Zelfmoord is niet illegaal, dus toestemming van de staat is niet aan de orde. In wezen draait het wetsvoorstel dus om recht op (staats)hulp bij een doodswens. Maar waarom zou je die hulp zien als iets dat je kunt afdwingen?

Sinds enige tijd maak ik deel uit van een oefengroepje ‘geweldloze communicatie’. In weerwil van de poezelige term is dat een behoorlijk confronterende onderneming. We plukken voorvallen van stroeve communicatie uit ons eigen leven en spelen die ter plekke na, waarbij het de bedoeling is om te ondervinden wat je zelf kunt doen om zo’n gesprek beter te laten verlopen. De methode kent een paar basisregels. Zo is het allereerst zaak om helder te krijgen welke basisbehoefte er voor jou in het geding is. Die behoefte giet je dan in de vorm van een verzoek, waarbij je accepteert dat een ander desgewenst ‘nee’ kan zeggen. Een verzoek dat geen afwijzing verdraagt, is een verkapte eis.

Gelegd langs deze meetlat is het huidige debat over voltooid leven verre van ideaal, ja zelfs behoorlijk gewelddadig. Om te beginnen: welke behoeftes zitten er eigenlijk onder dat ‘verzoek’ om dood te mogen? Het is de verdienste van de commissie-Van Wijngaarden dat ze heeft doorgevraagd, en dat resulteert in een vaag beeld: mensen ervaren geen lol meer in hun leven, en/of piekeren, en/of voelen zich teveel, en/of zitten financieel in het nauw, en/of voelen de doodswens sowieso sterker in de winter. Het “complexe en veranderlijke” van die doodswensen wijst er wat mij betreft op dat de onderliggende behoeften zo helder nog niet zijn. Dan is een pilletje of spuitje een wel heel radicale maatregel.

Principiëler nog: het is volgens deze methode niet netjes, ja zelfs ‘gewelddadig’, om het vervullen van jouw behoeftes afhankelijk te maken van een specifieke andere persoon – of van een specifieke instantie, zoals de staat, zou ik daar aan willen toevoegen.

Je kunt een ander vragen om jou te helpen doodgaan, en die ander kan jou dat gunnen. Maar eis het niet. Maak een andere persoon of een instantie niet verantwoordelijk voor jouw lot. Je dendert dan over gevoelens van jezelf en anderen heen. En als je je daarbij op hoge toon op je autonomie beroept, ben je nog tegenstrijdig bezig ook.

Slaap

In de periode dat ik werkloos was, direct na mijn afstuderen, hing boven mijn bed het volgende citaat: ‘Ik blijf in bed want ik barst van de gedachten’. Het is een uitspraak van Oblomov, de indolente held uit de gelijknamige roman van de Russische schrijver Gontsjarov. Net als veel werklozen merkte ik dat ik steeds wat langer uitsliep omdat er gewoon niet zoveel was om mijn bed voor uit te komen, en Oblomovs kijk op de zaak troostte mij destijds. Inmiddels lig ik na een volle dag geregeld in bed en barst ik van de gedachten. Ze houden me wakker.

Eén op de vijf volwassenen lijdt naar verluid een periode in zijn of haar leven aan slapeloosheid. Slaapdeskundigen vermoeden een link met het moderne arbeidsethos, dat vraagt om lange werkdagen waarin alle minuten verantwoord en efficiënt moeten worden besteed. Een ethos dat toewijding aan je werk afmeet aan het feit dat je ook ‘s avonds nog reageert op ‘belangrijke’ werkmails. Zodat je in feite altijd piketdienst hebt, en je eigen huis niet langer een plek is waar je alles even van je af kunt zetten.

Ik heb een periode van serieuze slapeloosheid gekend. Met koortsig brein lag ik te denderen in mijn bed, nog steeds hyperalert. ‘Je moet slapen’, beet ik mezelf toe, ‘anders houd je het niet vol. Morgen staat er weer veel op het programma’. Tevergeefse instructies natuurlijk, want slapen is niet iets wat je kunt doen. Slapen is juist een kwestie van laten. Van overgave, van controleverlies. En dat was buiten mijn bereik gekomen. Dus stapelden de knarsende nachten zich op waarin ik ieder heel uur de klok hoorde luiden, en ieder half uur trouwens ook. Waarin ik de ganzen hoorde overvliegen en de goederentrein hoorde passeren. Waarin ik leerde welke vogelsoorten elkaar in de vroege ochtend met hun gezang opvolgen. Ik snakte naar een mentale pauze, naar even verlost zijn van mezelf en mijn gedachten. Maar ik kon het niet meer. Ik was mijn eigen bullebak van een manager geworden.

Veel machtige voorstanders van de liberalisering van de arbeidsmarkt laten zich er op voorstaan met heel weinig slaap toe kunnen. Ronald Reagan dommelde weliswaar veel, maar sliep weinig. Margaret Thatcher hoefde maar drie uur te slapen. Onze eigen Ruud Lubbers was een notoire kortslaper. En ook Donald Trump slaapt naar verluid maar vier uur per nacht. Het is eigenlijk raar dat we dit überhaupt weten. Waarom vinden deze leiders het nodig dit over zichzelf te vertellen? Alsof het een soort prestatie is. Alsof hun maatschappelijke succes op mysterieuze wijze samenhangt met kort slapen. Met ‘geen tijd verdoen’. Want tijd is geld, toch? Zelf zie ik eerder een andere samenhang: die tussen politici die ‘s nachts kort slapen en overdag een politiek voeren die burgers op scherp zet door ze tegelijkertijd meer te screenen en minder bestaanszekerheid te bieden. Misschien kunnen deze politici wel met zo weinig slaap toe omdat er tot hen gewoon niet zoveel indrukken doordringen. Omdat ze opvallend weinig ontvankelijk zijn. Waardoor zij dus niet zoveel te verwerken hebben tijdens hun slaap.

De nacht is de spiegel van de dag, leerde ik tijdens mijn periode van insomnia. Wie zijn dagen vol plempt en zichzelf opdraait, zal niet kalm zijn bedje instappen. Je moet een knop omzetten. De avond is er niet om nog snel even wat zaakjes te regelen, maar om een overgang te maken van activiteit naar rust. Die tijd moet je baas je gunnen, die tijd moet je jezelf gunnen.

Een arbeidsklimaat waarin heel veel mensen overdag rondrennen met het ongeruste gevoel dat ze constant moeten presteren, leidt onvermijdelijk tot nachtelijk gedraai en gewoel. Ook daarom zijn de zojuist verschenen adviezen van de WRR en de commissie-Borstlap over hervorming van de arbeidsmarkt zo welkom. Beide rapporten concluderen in feite dat het Nederlandse werk niet mensvriendelijk genoeg is, en adviseren de regering om te sturen op werk dat meer zekerheden geeft en een minder grote aanspraak doet op privétijd.

Niemand wil zijn zoals Oblomov. Niemand wil een overbodige persoon zijn die het leven sluimerend aan zich voorbij ziet trekken. Maar wij leven nu het andere uiterste. Al dat onzekere voorthollen leidt tot een chagrijnige, overprikkelde samenleving waarin de zoete slaap te vaak niet wil komen.

Roddy de probleemwolf

Rudolph, het rendier met de rode neus, is inmiddels weer veilig boven de poolcirkel, maar waar zou Roddy toch uithangen? Op internet kan ik geen verse levenstekens vinden; zijn spoor loopt daar dood.

Roddy is het alfamannetje van een roedel wolven in Rodewald (Niedersachsen) en zou al veertig weidedieren hebben doodgebeten, waaronder tientallen schapen, ettelijke kalfjes, twee Shetlandpony’s, een veulen en een alpaca. In Rodewald wil men van Roddy af. Dat gaat echter niet zomaar, want ook daar is de wolf een beschermde diersoort. Dus moest de milieuminister van Niedersachsen eerst een retorische truc uithalen en deze wolf tot ‘ontspoord’ dier verklaren voordat hij een schietbevel kon uitvaardigen.

Inmiddels is Roddy officieel ‘probleemwolf’ en dat schietbevel ligt er ook al sinds begin dit jaar. Maar slimme Roddy liet zich niet schieten. Jagers kregen de rekel wel in het vizier, maar steeds te midden van zijn familieleden. Als de schutters per ongeluk een ‘goede’ wolf zouden omleggen, zouden ze gewoon strafbaar zijn, dus waagden ze het er maar niet op. Na drie maanden loeren verliep de vergunning, afgelopen mei tekende de minister voor een verlenging, en of Roddy zich sindsdien wel te pakken heeft laten nemen, krijg ik dus niet achterhaald.

Eigenlijk vind ik de mensen die zich druk maken om Roddy nog interessanter dan Roddy zelf. In Niedersachsen speelt zich een hele cultuuroorlog af rond het beest. Rond Roddy botsen verschillende mentaliteiten en waarden frontaal op elkaar, zoals dat ook bij ons gebeurde rond de Oostvaardersplassen, en van een afstandje kun je goed zien hoe dat werkt.

Zo snappen de vrienden van Roddy het belang van een goed verhaal. Het eerste wat ze doen is het beest (dat tot dan toe bekend stond als GW717m) een naam geven. Dan presenteren zij Roddy als het hoofd van een kerngezin dat verder nog bestaat uit moeder, twee jonge kinderen en een inwonende dochter. De wolvenvrienden betwisten niet dat Roddy weidedieren heeft gedood, ‘maar’, zo verzekeren ze, ‘die dieren waren NIET beschermd’. Morele subtekst: de baasjes waren te beroerd om hun dieren fatsoenlijk te behoeden en hebben dit lot dus zelf over hun beesten afgeroepen. Dan volgt een dreigement: als ‘kostwinner’ Roddy wordt afgeschoten, zal dit de roedel ernstig verstoren, en dan zullen de weidedieren pas echt wat te vrezen hebben, want juist ontwrichte wolven pakken schapen. Om daverend af te sluiten met de financiën: die procedures rond vergunningen en die gesneefde pogingen om Roddy af te schieten hebben samen al meer dan 80.000 euro aan gemeenschapsgeld gekost. Dat is meer dan de totale schade aan dode weidedieren. Dus waar zijn we nu helemaal mee bezig?

De voorstanders van afschieten zijn daarentegen helemaal klaar met Roddy. Is Roddy moeilijk te pakken te nemen omdat die lafbek zich verschuilt tussen de andere wolven? Schiet dan de hele roedel maar af, want hier moet gewoon een einde aan komen. ‘We vinden de angst onverdraaglijk’, tekent een journalist van de regionale krant op uit de mond van streekbewoners. Dramatisch bewijs: een vrouw wordt ‘s nachts steevast om drie uur wakker en zit dan stijf rechtop in bed, omdat ze bang is dat haar paarden iets wordt aangedaan.

Zo’n anekdote demonstreert al nauwelijks dat de angst ‘onverdraaglijk’ is, en al helemaal niet dat die angst ook reëel is, zou ik zeggen. Tegelijk realiseer ik me het krachteloze van deze opmerking. Waar gevoelens en belangen botsen, worden ook altijd feiten in stelling gebracht – maar redelijkheid leveren die dan allang niet meer op. Ze worden eerder ervaren als munitie om het eigen gelijk kracht bij te zetten. Zie Brexit, zie de opwarming van de aarde, zie onze eigen Oostvaardersplassen. De feiten worden gewoon meegezogen in de strijd. Dat gebeurde ook rond Roddy. De kampen konden het zelfs niet eens worden over zoiets ogenschijnlijk simpels als de omvang van Roddy’s roedel. De autoriteiten telden pubers mee die op punt stonden uit huis te gaan, en de wolvenvrienden wisten wel waarom: als het aantal dieren hoog werd ingeschat, zou het vrouwtje in theorie voldoende hulp hebben bij de jacht voor haar jonkies en kon Roddy dus wel gemist worden. Knal!

Hoe een maatschappij nu uit dergelijke patstellingen ontsnapt, zal voorlopig mijn vraag wel blijven. Ik wens u alvast een knallend nieuwjaar.