Profiel en werkwijze van de WRR

Wetenschappelijke kennis toegankelijk en relevant maken voor de politiek is een vak apart. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is daar expert in. Wat is het profiel van dit type experts, hoe verandert hun werk, en wat maakt de WRR uitzonderlijk in Nederland en Europa?

Ik vraag het aan mensen van de WRR en aan enkele cruciale ‘kritische vrienden’ van de raad. Op basis van die gesprekken schrijf ik een essay voor de directeur, waarmee hij missie en visie kan concretiseren.

Comfortkans

Eens in de zoveel tijd vraag ik me af waar politiek nu eigenlijk om draait. Hier het antwoord van Peter Sloterdijk: politiek is de strijd om de vraag welke groep zich met collectieve middelen comfort weet te verschaffen. In zijn dikke bubbelboek Sferen presenteert Sloterdijk politiek althans als een geformaliseerde strijd om ‘de herverdeling van comfortkansen’. Wie kan gemeenschapsgeld, beleid en wetten inzetten om zich te beschutten tegen ongewenste invloeden van buitenaf? Wie weet zijn leefwereld tot een gerieflijk bedje te maken? En voor wie is de leefwereld een gure plek?

Zo abstract gesteld trekt aan mijn geestesoog gelijk een parade van daklozen, vluchtelingen, verwarde hoogbejaarden en moderne dagloonwerkers voorbij: groepen dus die vol in de wind staan en de macht niet weten te vergaren om hun leven wat comfortabeler te maken. Ik zie met andere woorden een klont ellende, word moe en verdrietig en weet het eigenlijk niet meer. De volgende fase is dat ik mezelf wantrouw. Inderdaad, ik zie een klont – en geen personen met individuele contouren. Wat weet ik nu eigenlijk van de feitelijke levens van deze mensen? Bar weinig, maar ik heb mijn oordeel alweer klaar. Meevoelen zonder de moeite te nemen mensen daadwerkelijk beter te leren kennen: dat is een sentimentele vorm van politiek.

Ik parkeer deze constatering even door mezelf eraan te herinneren dat ik hier geen politiek wil bedrijven, maar het idee wil onderzoeken dat politiek een strijd om comfortkansen is. En om dat serieus te doen, kan ik me maar beter richten op een leefwereld die ik echt ken. Welnu, ik woon in Utrecht, een knusse stad vol hoogopgeleide mensen. Maar ook hier – juist hier! – strijden groepen onderling stevig om comfortkansen.

Zo zag ik afgelopen week een internetpetitie langskomen van actiegroep Utrecht Fossielvrij, die zich via een open brief tot de gemeente richt. Wat allereerst opvalt is de keurige toonzetting. ‘Wij reizen graag met de trein, pakken graag de fiets, en als het even kan gaan we te voet. Precies zoals het hoort’, opent de brief. Subtekst: gemeente, u heeft hier te maken met zelfverklaarde modelburgers. Vervolgens krijgt de gemeente heel slim een compliment. ‘We zijn dan ook heel blij met het nieuwe station, en ook met de prachtige Moreelsebrug (extra plusje voor de boompjes!).’ Maar Utrecht Fossielvrij mist ‘iets essentieels’: zijtrappen die van deze Moreelsebrug naar de perrons voeren. Om bij de trein te komen, moeten zij nog steeds Hoog Catharijne in. Een gemiste comfortkans!

Dan volgt de aanklacht: het aanleggen van de geplande trappen waarmee je het winkelgebied zou kunnen omzeilen, wordt volgens de actiegroep tegengehouden door ‘een agressieve lobby’ van het Franse vastgoedbedrijf Klépierre, eigenaar van Hoog Catharijne. Klépierre wil zoveel mogelijk mensen via het winkelcentrum leiden. De gemeente biedt weinig weerwerk, afhankelijk als ze is van de investeringen van het bedrijf om de gigantische verbouwing van het stationsgebied te bekostigen. De brief sluit af met een oproep: ‘Plaats de belangen van je eigen inwoners boven die van een lobby van een winkelcentrum!’

Gemeente, vastgoedbedrijf en treinreizigers hebben botsende ideeën over een (voor hen) comfortabele inrichting van de stad, zou Sloterdijk zeggen. En hier kan ik direct verkennen waar ik zelf sta. Dus wandel ik op een frisse lentedag over de Moreelsebrug. Zand stuift op uit een bouwput. Steile trappen en een fietslift maken dat de brug zich snel boven de grond kan verheffen. En kijk, daar staan de boompjes, voorzichtig in het blad. De brug is best mooi, maar ook vreemd losgezongen van het grote station vijftig meter verderop. Ik zie treinen, maar kom er niet bij. En dat terwijl het spoor uiterst functioneel voor mij is: dankzij de trein kan ik mij snel door het land te bewegen. Dit ontwerp verhindert me inderdaad om direct te handelen naar mijn belang; eerst moet en zal ik me door het winkelende publiek heen wurmen.

Machtsverhoudingen blijken niet alleen uit verkiezingsuitslagen, maar ook uit de ordening van je leefomgeving. De inrichting van een stad materialiseert belangen en stolt comfortkansen. Ik voel het hier aan den lijve. Voor wie is deze stad eigenlijk ontworpen? Wie moet ruimtelijk inschikken voor wie? Ik meng me heel modern in deze politieke strijd – heel comfortabel ook. Ik teken de petitie.

Omelet

Een ding is zeker: als de Britse topkok Gordon Ramsay de keuken binnenstuift, zal voortaan alles anders zijn. Het RTL-programma Oorlog in De Keuken! laat zien hoe hij vloekend en tierend de boel opschudt in een of ander noodlijdend restaurant. Niets deugt er. De chef-kok warmt instantvoedsel op, in de voorraadkast liggen groenten te rotten, de ober vertoont grote zweetplekken bij de oksels en de onmachtige bedrijfsleider loopt alleen maar in de weg. Het resultaat is er naar. ‘Dit ziet eruit als een bak hondenvoer!’, walgt Ramsay. ‘It’s a fucking disgrace!’

Gordons machomanagementstijl schudt ons allemaal wakker. Goed dat hij die blaaskaak van een kok eindelijk de waarheid durft te zeggen, mooi dat hij die ene stille hulp naar voren schuift die wél hart heeft voor de zaak, fijn dat er een nieuwe menukaart komt gebaseerd op verse, lokale ingrediënten. Zijn ingrepen breken vertrouwde routines af, en ja, dat doet pijn. Maar wees nou eerlijk, het was gewoon te bar. Zo kon het gewoon niet langer.

Veel landgenoten lijken de overheid te beschouwen als een hopeloos mislukt restaurant. De fout zit volgens hen dermate diep in het systeem dat een aanpassing hier of daar niet meer gaat helpen. Er is een grondige reset nodig. De bestaande orde zal moeten worden afgebroken voordat de echte democratie weer kan opbloeien. Dat vindt althans Greetje Ploeger uit Groningen, afgelopen weekend door deze krant naar voren geschoven als Boze Witte Vrouw. De bom moet barsten, zegt Greetje. Hoe die nieuwe orde er uit moet zien, is een vraag die ze er nu even niet bij kan hebben, zo propvol zit ze van één sentiment: dit in ieder geval niet!

Ik denk dat het moment is gepasseerd om Greetje minzaam opzij te zetten. Ik merk zelfs dat ik enigszins met haar begin mee te voelen. Er zitten serieuze weeffouten in het ontwerp van ons democratisch systeem; in de praktijk komt er bijvoorbeeld maar weinig terecht van dat afspiegelende karakter dat ons kiesstelsel zou moeten kenmerken. En de donkere zijde van de meritocratie wordt me ook steeds duidelijker. Je zou maar eens je hele leven moeten slikken dat jij slechter af bent dan je landgenoten omdat je niet zo slim bent of minder talent hebt. Is het niet enorm gemakzuchtig van beter bedeelden om te verwachten dat jij daar blijmoedig bij blijft? Dus ja, inmiddels denk ik dat ons systeem enkele fundamentele tekortkomingen telt. Maar het aanpakken van basale uitgangspunten zal onvermijdelijk radicale gevolgen hebben. Oeps! Dat is het recept voor een revolutie!

In de westerse wereld zijn politici opgestaan die à la Gordon Ramsay zeggen dat zij de keuken wel eens even komen uitmesten. In het vloeken en tieren steken ze Gordon naar de kroon. Ze weten ook precies wat er niet deugt: daar in de keuken zijn ze alleen maar met elkaar bezig, met als gevolg walgelijke, verkeerde gerechten en ontevreden klanten, it’s a fucking disgrace! Maar waar Ramsay kan bogen op een succesvolle restaurantketen en een Michelinster is het de vraag of die luidruchtige politici überhaupt kunnen koken.

You can’t make an omelette without breaking eggs, zei de grote revolutioniar Mao graag. Zeker. Maar eieren breken is het probleem niet. Er vervolgens een omeletje van maken is een stuk moeilijker; Parijse toprestaurants selecteren naar verluidt aspirant-koks door hen een omelet te laten bereiden. Chefkok Ramsay kan je natuurlijk prima vertellen hoe dat moet. Kluts twee of drie eieren los met wat zout en peper. Pak een pan die de hitte goed geleidt en zet het vuur niet te hoog. Laat een klontje boter smelten en giet de geklutste eieren in de pan. En dan komt het: je moet de pan in het rond bewegen en steeds op het juiste moment een rukje met je pols geven. Wanneer precies en in welke mate, tja, dat kan zelfs Ramsay niet goed uitleggen. Dat vergt toewijding, gevoel, en vooral veel oefening. Of jij het in je hebt, blijkt pas als de omelet glad en goudkleurig uit de pan glijdt.

Op een youtubefilmpje zie ik hoe Ramsay ergens op een Engels marktplein enkele passanten omeletten laat bakken. ‘Het ziet er uit als kots!’, oordeelt hij in zijn eigen fijnzinnige stijl. Daarnaast liggen de eierschalen.

Havo 4

Je komt er achter dat de waarheid niet in steen is gebeiteld, en zegt voortaan stoer: ‘waarheid is ook maar een mening’. Het daagt je dat iedereen belangen heeft; jij concludeert dat iedereen ‘dus’ altijd zijn eigenbelang najaagt. Het besef dringt door dat ook het inzicht van de feitelijke machthebbers eindig is – en je ziet echt geen reden meer om nog naar hen te luisteren. Waarom zijn zij eigenlijk de baas? Nou!? Dit is de positie van de puber: qua redeneringen grote stappen snel thuis, en die agressieve houding moet het verdriet verhullen over het verloren verleden waarin de wereld ordelijk en rechtvaardig was en volwassenen wisten hoe alles moest.

Psychologisch gezien is het Nederlandse electoraat in de puberteit, denk ik soms. En van die gedachte fleur ik eigenlijk wel op. Pubers maken zich los van het vertrouwde nest en nemen zich voor het zelf straks allemaal heel anders te doen. Zo’n breuk moet je forceren, en soms schrik je bijna van wat je daarbij aanricht. ‘Woow, ik kan het gezag echt pijn doen!’ ‘Shit, dingen kunnen echt kapot!’ Maar pubers hebben ook een helder gevoel voor rechtvaardigheid. Het helpt om die grondtoon te willen horen. Trouwens, wat is het alternatief? Opgedrongen paternalisme van de weldenkende klasse? De puber ziet je aankomen.

In De Groene Amsterdammer stond onlangs een mooi artikel van Roos van Hennekeler over Havo 4, de meest pluralistische klas van de middelbare school. De leeftijdsverschillen zijn er groot en de talenten lopen uiteen: van hardwerkende jongeren die de lesstof nauwelijks kunnen bijbenen via dyslectische beelddenkers tot slimme gastjes die liever feestvieren dan doen wat jij zegt. Het enige wat deze leerlingen verenigt, is hun eigenwijsheid. Houd in zo’n biotoop maar eens orde.

‘Als het-Nederland-van-nu een soort Havo 4 klas is’, vervolgde ik mijn pubermijmering, ‘dan hebben de leraren die het voor zo’n klas redden misschien nog wat tips voor onze bestuurders.’ Okay. Wat in ieder geval niet werkt, ondervond geschiedenisdocent Arjen Huisman, is door de knieën gaan en vragen wat de leerlingen zelf zouden willen. Eigenlijk snakt de klas namelijk naar een leraar die duidelijk leiding geeft. Maar leg wel goed uit waartoe jouw regels dienen, adviseert docent Nederlands Kasper Soeters. ‘Je moet havisten echt overtuigen van de redelijkheid van wat je ze vraagt.’ Docent Engels Tineke van Putten pleit voor een losse leiderschapsstijl. Een vrolijke chaos is ook goed, vindt ze, zolang het doel maar wordt bereikt. En zolang de groep zich maar aan de basisregels houdt.

Van Putten geeft een voorbeeld van hoe dat werkt. Op schoolreis zou haar klas een avond met z’n allen koken. In grote lijnen verliep dat prima. Natuurlijk waren er enkele leerlingen die niet meededen; die moesten van Van Putten achteraf opruimen. En de ene leerling die ook toen de boel traineerde, liet ze uiteindelijk in zijn eentje de hele keukenvloer dweilen. Haar tip: ‘Het is helemaal niet nodig om de regels voor de hele groep aan te passen aan de meest opstandige leerlingen.’ Dus, mensen van het openbaar bestuur, hier het advies van doorgewinterde collega’s: laat je oor niet hangen naar de snelle meninkjes van het volk maar zet zelf een heldere lijn uit, overtuig ons van de redelijkheid van jouw regels, geef ons veel ruimte om te improviseren, en houd orde op een manier waarbij de goeden niet onder de kwaden hoeven te lijden.

Een land waarvan het electoraat zich gedraagt als een havo-4 klas is zo slecht nog niet af. Havisten hebben geldingsdrang en zien zichzelf gelukkig niet als dubbeltjes die toch nooit kwartjes zullen worden. Ze weigeren zichzelf te verschansen in een onderklasse. Maar het zijn ook geen gymnasiasten die zich onder luid applaus laten klaarstomen voor de macht, en die zelfs hun kritiek leren verwoorden op een manier direct ingevoegd en benut kan worden.

Zeker, havisten zijn vaak ongeconcentreerd, venijnig en onredelijk – maar ook grappig, zorgzaam en oorspronkelijk. Ze hebben net ontdekt dat degenen die de touwtjes in handen hebben eigenlijk ook maar half weten wat ze doen. Dat voelt als verraad, en daar reageren ze een beetje heftig op. Dat heet opgroeien. Maar heb een beetje vertrouwen in de havisten. Van hen valt de ware vernieuwing te verwachten.

Elitair

Hoogtepunt van het radioprogramma Diskotabel is de rubriek ‘De Vergelijking’. Een panel van musicologen luistert een paar minuten naar een nieuwe productie van, zeg, een symfonie van Brahms, gevolgd door dezelfde passage uit eerdere uitvoeringen. Ik hoor als luisteraar wel verschillen, maar die zou ik niet kunnen benoemen – laat staan kunnen waarderen. De panelleden hebben daar echter totaal geen moeite mee. In keurige volzinnen formuleren ze hun oordeel. Vaak raden ze ook nog even welke dirigent zo’n eerdere uitvoering voor zijn rekening nam. Hier spreekt onmiskenbaar de klassieke muziekelite!

Er heerst een elitevijandig klimaat, vinden enkele mannen uit ‘de top 200 van de macht’ die deze krant afgelopen zaterdag onthulde. ‘Elite’ is een scheldwoord geworden, dat merk ik ook wel. Omdat het altijd goed is om te weten wie precies de vijand is, sleep ik het woordenboek erbij. ‘De elite, dat is een kleine groep in de maatschappij met buitengewone kwalificaties of privileges’, lees ik. Kwalificaties of privileges? Maar dat zijn totaal uiteenlopende begrippen, afkomstig uit verschillende denkwerelden! Wat een onzindelijk woord eigenlijk.

Bij Diskotabel schuift de muzikale elite aan. Mij vragen ze niet voor het panel. Ik zou nu kunnen gaan mokken dat de elite me buitensluit, of zelfs kunnen tieren dat het allemaal kakkers zijn daar bij Diskotabel – maar dan houd ik mezelf voor de gek. De waarheid is niet dat ik buitengesloten word, maar dat ik geen aansluiting zou vinden. De waarheid is dat ik de kwaliteit van het gesprek zou doen dalen. Die panelleden kunnen en weten dingen die voor mij onnavolgbaar zijn. Net als de gasten van Studio Voetbal trouwens. Net als wijnproevers, accountants, loodgieters, mondhygiënistes. Allemaal mensen met kwalificaties die ik niet bezit. Allemaal elites in die zin.

De mensen uit de top 200 behoren tot de ‘bestuurlijke elite’, stelt de krant. Besturen is ook een vak. Als deze toppers daadwerkelijk beschikken over bestuurlijke kwalificaties, maken ze volgens de woordenboekdefinitie dus deel uit van een elite. Zou de rest van ons vijandig tegenover deze bestuurders staan omdat zij iets beter kunnen dan wij? Dat zou behoorlijk kinderachtig van ons zijn.

Al in de eerste zin van Over de democratie in Amerika (1840) beschrijft Alexis de Tocqueville wat hem treft als het funderende principe van deze jonge democratie: de standsgelijkheid. In Amerika is het gelijkheidsbeginsel dat de Franse revolutionairen zo bloederig afdwongen echt in praktijk gebracht. Tocquevilles hele studie is te lezen als een poging om te doordenken en te doorvoelen wat er gebeurt in een samenleving waarin het gelijkheidsbeginsel de toon zet – en waar afkomst dus niet langer recht geeft op bepaalde privileges.

Het gelijkheidsbeginsel verkondigt niet dat ieder mens alles even goed kan – dat is evident onwaar. Het maakt wel dat het woord ‘elite’ van betekenis verschiet: je behoort niet langer tot de elite vanwege je afkomst, maar vanwege kwaliteiten en verdiensten. Althans, zo zou het moeten zijn. Natuurlijk doet de plek waar je wiegje heeft gestaan er nog steeds toe – maar dat is in een democratie niet langer moreel verdedigbaar. Dat is juist behoorlijk gênant.

De vraag is nu welk slag elite die ‘top 200 van de macht’ in kaart heeft gebracht: mensen met kwalificaties of mensen met privileges? Als het mensen met kwalificaties zijn, dan is het flauw om onze bestuurlijke elite in het nauw te brengen. Maar als het een groep is met privileges, dan is onze woede onvermijdelijk en terecht. “De mens raakt niet vernederd door het gebruik van de macht (..) maar door het gebruik van een macht die hij onrechtmatig acht (..)”, merkte Tocqueville al op.

Mensen uit de top 200, als jullie dat elitevijandige klimaat willen doen keren, maak dan duidelijk dat je op grond van je kwaliteiten tot de elite behoort – en schud die afgunstige blikken verder maar gewoon af. Maar als jullie stiekem zijn gaan geloven dat er voor jullie andere regels gelden dan voor het gewone volk, dan kennen jullie elkaar privileges toe. Dan installeren jullie weer standsverschil. Daar leek het verdacht veel op toen jullie bonussen verdeelden terwijl de rest van de maatschappij bloedde. Zo’n soort elite verdient de volkse woede. Dus bestuurlijke elite: ben je van de kwaliteit of van de privileges? Laat maar zien.