Griezelig transparant

In het Wassenaarse Museum Voorlinden zijn vijf enorme glazen cilinders van de Amerikaanse kunstenares Roni Horn te zien. De manshoge sculpturen in tere poederkleuren wegen zo’n vijfduizend kilo elk. Daar staan ze, in al hun massieve transparantie. Het lijkt wel alsof ze een spookachtig licht afgeven. Je kunt eromheen lopen en er van bovenaf net op kijken. Maar je krijgt geen vat op ze. Je blik glibbert ervan af.

‘Ik vind die dingen eng’, hoor ik een kind in het museum tegen haar moeder zeggen. En dat kan ik me voorstellen. De sculpturen zijn onontkoombaar, maar ze hebben geen kern. Je ziet één overweldigende klont plasma, zonder te weten wat zich met dit spul voedt. De kunstenares vertelt dat mensen van haar willen weten wat er in die cilinders zit. ‘Niets’, zegt ze dan. En juist dat verontrust de vragers. Horn vindt die reactie interessant. ‘Transparantie is niet zo transparant als je denkt’, concludeert ze.

Zodra er iets misgaat – of het nu een schimmige politieke deal is, een ondoorzichtige factuur, of een schooladvies dat slecht valt – klinkt de boze roep om meer transparantie. Geschrokken managers reageren door de processen die zij beheren nog uitvoeriger te (laten) documenteren. Hun vakmensen zuchten vervolgens onder de enorme administratielast die dit met zich meebrengt. Huisartsen zijn een idioot groot deel van hun tijd kwijt met het bijhouden van dossiers. Docenten worden gek van het feit dat hun beoordelingen soms al door twee collega’s moet worden gecontroleerd. En verzorgenden moeten zo ongeveer per vijf minuten registreren wat ze aan het doen zijn.

Transparantie is een bureaucratische deugd. Ik bedoel dit niet ironisch – het is echt een deugd. Als processen niet toegankelijk worden gemaakt, kan een samenleving ook niet garanderen dat mensen in gelijke situaties gelijk behandeld worden. Dat democratisch grondprincipe mag wat mij betreft wel wat werktijd kosten. Maar daarmee ben je er nog niet. Willen al die dossiers, notulen en Excelsheets betekenisvol zijn, dan moeten die je ook enige grip bieden. Als niet duidelijk is welk doel die administratie dient, maakt informatie je alleen maar murw.

De schrille roep om transparantie begrijpt zichzelf niet goed. Waar we volgens mij naar verlangen, is niet zozeer transparantie, als wel leesbaarheid. Dat woord leen ik uit De nieuwe politiek van Europa, het flitsende boek van politiek filosoof Luuk van Middelaar over het reilen en zeilen van de Europese Unie. Over de Europese bureaucreatie wordt zoals bekend enorm geklaagd en ook hier zou meer transparantie de remedie zijn. Maar Van Middelaar merkt op dat er wat dat betreft eigenlijk niet veel op de Unie aan te merken valt. Procedures zijn uitvoerig geboekstaafd, vergaderingen nauwkeurig genotuleerd, en wie tijd en geld heeft kan het allemaal vinden. Maar dat haalt het onbehagen niet weg. ‘Zicht op een kluwen spelers helpt niet te bepalen wie van hen verantwoordelijk is’, merkt Van Middelaar op. En daar draait het natuurlijk om: wie kan je aanspreken, en waarop, en op basis van welke principes? Je kunt bakken met informatie over je uitgestort krijgen zonder dat dit ook maar enigszins duidelijk wordt. Transparantie en ongrijpbaarheid kunnen heel goed samengaan.

Transparantie is een deugd die niets voorstelt als zij niet gepaard gaat met leiderschapskwaliteiten zoals richting geven, durven zeggen wat relevant is (en vooral ook wat niet), en daarop aanspreekbaar zijn. Waar dat niet gebeurt, waar bestuurders alle details bij je dumpen omdat ze het zelf niet aandurven om te ordenen en te schiften en zo te tonen waar ze voor staan, daar zal de bureaucratie zich doldraaien. Zo’n onleesbare situatie zal leiden tot een luide, maar ongerichte roep om transparantie. Karakterloze bestuurders zullen daarop reageren door steeds meer bureaucratie te organiseren. De informatie die dit oplevert, zetten zij wellicht op de website – ‘Kijk ons eens transparant zijn!’ – maar als daar geen leeswijzer bij komt, krijgen de ontevredenen nog steeds geen grip op wat er gebeurt. Zij zullen hun frustratie vertalen in een nog sterkere roep om transparantie. Enzovoort.

Een maatschappij die de eigen behoefte achter een buzzzword zo verkeerd begrijpt, roept onbedoeld een transparante moloch zonder enige pit of kern in het leven. Een groot griezelig ding dat flink in de weg staat in de publieke ruimte. Dus weet waar je om vraagt.

De grenzen aan solidariteit

Beste Arnon,

Ik gloei nog een beetje na omdat je mij citeerde in je Voetnoot van vorige week zaterdag. In een kort pleidooi had ik een lans gebroken voor broederschap als grondslag voor de democratie. Daarmee streek ik je tegen de krullen in. “We moeten snappen dat we een ‘wij’ zijn”, vatte je mijn standpunt samen. Jij hebt moeite met ‘wij’. “Een ‘wij’ creëert automatisch een zij, dikwijls een vijand”, schreef je.

Jij staat op de absolute topplek in de krant, Arnon. Maar ik heb meer ruimte, en daar ga ik lekker gebruik van maken. In één ding geef ik je meteen gelijk: er is geen ‘wij’ zonder ‘zij’. Het heeft geen enkele zin om een groep te onderscheiden als er niks is waarvan hij te onderscheiden valt. Welnu: ‘wij’, dat zijn ik en mijn broeders. ‘Zij’, dat zijn die andere mensen. De politieke hamvraag is waar ‘wij’ ophoudt en ‘zij’ begint.

‘Alle mensen worden broeders’, juicht het Europese volkslied. De Europese Unie vertelt op haar website waarom het zo goed past bij Europa: “Het verwoordt het ideaal van een wereld waarin alle mensen als broeders leven.” Tja. Dat ideaal stamt uit de roezige jaren aan het einde van de achttiende eeuw, toen de Franse Revolutie in de maak was en de grote Immanuel Kant zijn universele ethiek formuleerde, die oproept om alle mensen, onverkort en los van hun eventuele band met jou, te behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Het is ook de tijd dat Friedrich Schiller zijn Ode an die Freude schreef, die de officiële tekst werd van dat fragment uit de Negende Symfonie. En daarmee dus van ons volkslied.

Ons volkslied? ‘Droom maar door’, denk ik dan. Want welk volkslied moeten de kindertjes ook alweer zingen van Buma? Inderdaad, het Nederlandse – juist om onze (onze?) identiteit helder uit te dragen tegenover al die andere volkeren. Dat ‘ons’ is kennelijk zo vloeibaar als wat.

‘Alle mensen worden broeders’, dichtte Schiller. Maar daar stopt zijn gedicht niet. In de volgende strofe voegt hij een conditie toe: ‘Wo dein sanfter Flügel weilt’, meestal vertaald met: ‘waar jouw zachte vleugel zich welft’. Beetje vreemd beeld wel, maar interessant is die ‘jouw’. Die verwijst naar de vreugde waaraan de ode is gericht. Met andere woorden: waar vreugde is, is verbroedering. En ja, dat zie ik wel voor me. Blije mensen zijn gul, die openen hun armen. Als je blij bent, mag iedereen meedoen. Maar op dit moment zijn veel Europeanen helemaal niet zo blij, en met die broederschap wil het (dus) ook niet erg vlotten.

‘Welke groep moet zich solidair betonen met welke andere groep, tot op welke hoogte, en waarom?’, vroeg de Britse essayist Tony Judt ooit. Voor mij is dat de cruciale politieke vraag. Ieder mens verdient een menswaardige behandeling, dat is het kale minimum. Maar daaruit volgt niet dat je ieder mens evenveel verschuldigd bent. Mensen die bij jouw groep horen, je broeders dus, kunnen meer aanspraak maken op jouw solidariteit dan vreemden.

‘Politics is a function of space’, schreef Judt ook. Een prachtig, intrigerend zinnetje vind ik dat. Politiek is gebonden aan ruimte. Je bent burger in het land waar je officieel woont. Met je landgenoten vorm je een ‘wij’. Dat zijn je broeders, met hen vul je de pot en formuleer je aanspraken op elkaar. Natuurlijk, wat er op de Middellandse Zee gebeurt is mensonwaardig dus daar moet een einde aan komen. Maar ik hoef migranten niet als broeders te zien. We hebben nog geen lief en leed gedeeld. We hebben nog niets samen opgebouwd. We zijn nog niet gebonden aan dezelfde ruimte.

Ik heb broertjes waar ik niet blij mee ben. Die Nederlandse Leeuwen bijvoorbeeld, die vorige week in Rijswijk bij elkaar kwamen. Ze doen stoer, maar ik ken ze: ik voel dat ze gestrest zijn. Ze zijn zeker niet blij genoeg om vreemden aan tafel uit te nodigen. Eigenlijk vind ik ze stikverwend, Arnon, en ik houd ze scherp in de gaten. Maar dwing hen niet om de groep groter te maken dan die is, want dan gaan ze muiten. Misschien zijn ze dat al aan het doen. En dan kunnen we die ode aan de vreugde al helemaal mooi vergeten.

Hartelijke groet, Marjan Slob

Thierry Baudet en de laatste mens

Sinds het partijcongres van het Forum voor Democratie vorig weekend heel wat meer belangstellenden trok dan de conferenties van de regeringspartijen, raken de media niet uitgepraat over Thierry Baudet. En wat ergerlijker is: ook mijn eigen gedachten keren steeds naar hem terug. Baudet is dan ook een intrigerende figuur. In een groot interview in NRC Handelsblad refereert hij aan de apocalyptische toestand van de Europese beschaving. Het Avondland heeft dringend een redder nodig – en nou ja, dat moet Baudet dan maar zijn. En volgens Volkskrant-verslaggever Ariejan Korteweg had Baudet tijdens zijn RAI-congres de mond vol van Rilke, Baudelaire en Puccini.

Nietzsche ontbreekt in dit rijtje negentiende-eeuwse mannen, terwijl dit toch eigenlijk de meest voor de hand liggende referentie voor hem is. Nietzsche fulmineerde tegen ‘de laatste mens’, een apathisch wezen zonder veel passie of toewijding dat met zijn weke sentimenten de beschaving dreigt te verstikken. Echte mannen willen wel voorwaarts, maar die verachtelijke laatste mensen hebben helaas de macht van het getal en frustreren daarmee de drieste dadendrang der zieners.

Ik denk dat afkeer van de laatste mens de ware kern is van Baudets succes. En die afkeer snap ik eigenlijk wel. Nederland is een oud en bang land aan het worden – in demografisch en daarmee onvermijdelijk ook in psychologisch opzicht. Angst is de dominante politieke emotie. Het beleid van onze bestuurders is dan ook gericht op pamperen, temmen, veilig maken. Het doel lijkt louter defensief: verval tegengaan. Dit is de mentaliteit van oudere mensen die hun krachten voelen afnemen en eerst en vooral geen risico willen lopen. Die willen genieten in plaats van vernieuwen. Ik vind dat zelf al verstikkend, terwijl ik in tegenstelling tot Baudet allang niet jong meer ben. Het enige wat je als jongeling in dit land toch kan denken is: ‘arghhh!’

Het lijkt misschien ongerijmd dat Baudet in zijn jeugdige geldingsdrang teruggrijpt op vroeger, op een gedroomd tijdperk van romantische dandy’s. Maar dat is een veel te logische tegenwerping, en van logica moet Baudet het niet hebben. Je kunt hem proberen te vangen op zijn woorden – en dat zal je wel lukken – maar dat raakt hem niet, want zijn overtuigingskracht ligt elders.

Volgens Aristoteles is een publiek te overtuigen via ethos (moraal), logos (argumenten) of pathos (emoties). Baudet heeft niet zoveel met moraal; er moet natuurlijk wel wat in de etalage staan, maar zijn idealen zijn feitelijk eerder esthetisch dan ethisch. Zijn argumenten zijn ook niet veel soeps; die zijn vooral suggestief en missen iedere precisie. Baudets aantrekkingskracht ligt op een ander vlak: dat van het pathos. Stijl en toon zijn bij hem vele malen belangrijker dan inhoud. ‘Het gaat niet om wat je zegt’, zegt Baudet onverbloemd in het eerder genoemde interview in NRC Handelsblad. Baudet is de bal die de oude garde dolt. Zijn achterban vindt dat leuk.

En vlak zijn lichamelijkheid niet uit. Baudet blaakt. Hij zit goed in zijn lichaam. Daardoor springt hij in het oog, en dat is een groot voordeel als redenaar. Baudet is veel elektrischer dan Klaver, veel meer ook dan Wilders, die beiden lichamelijk een stuk weker overkomen. In zijn fysieke uitwerking lijkt hij nog het meest op Fortuyn. Elke keer merk ik zelf weer tot mijn eigen onbehagen hoe Baudet mijn blik trekt, haast nog voordat ik hem bewust heb herkend. Om misverstanden te voorkomen: veel eros bespeur ik niet in Baudet. Eros veronderstelt een behoefte, een verlangen uit te reiken naar een ander waardoor er onbeheersbare dingen tussen mensen gaan stromen. Voor een erotische uitstraling komt Baudet veel te zelfvoldaan over. Onder zijn huid is geen plek meer. Daar zit hij lekker zelf al.

Consistent is Baudet vooral in zijn grote afkeer van gevestigde politieke partijen en hun vergadercultuur. Deels is dat vermoedelijk omdat hij zelf meer redenaar dan vergaderaar is. Maar zijn systeemkritiek is raak. Onze politieke cultuur is vermoeid en defensief. Bestuurders praten inderdaad vaak ‘met meel in de mond’, zoals hij in het NRC-interview zegt. Zij denken nog dat politiek draait om woorden. Maar het gaat ook, en misschien wel vooral, om energieën. Baudet is een vurige jonge man in een land vol uitgebluste ouderen. Als er iets aantrekkelijk aan hem is, dan is het dat.